Stichting Nivoz logo
Sterkt leraren, schoolleiders en betrokkenen bij de uitvoering van hun pedagogische opdracht

Nivoz platform hetkind

Én spelen én leren én maken

31 oktober 2018

Er is in de onderwijswereld een vreemde scheiding ontstaan tussen spelen, leren en maken. In een poging de verbinding tussen deze concepten te laten zien, hebben we deze drieslag tot ons jaarthema gemaakt. Het hele schooljaar zullen we ons hierin verdiepen. Luc Stevens schreef deze bijdrage in een poging de verbindingen alvast te verhelderen aan de hand van klassiek werk van een aantal pedagogen.  

Zoals eerder opgemerkt in de presentatie van het jaarthema is er in de onderwijswereld een merkwaardige scheiding ontstaan tussen spel en ernst, tussen spelen en leren, tussen de formele en de informele onderwijssituatie. Dit is niet altijd zo geweest. Het lijkt sterker geworden sinds de onderwijspraktijk onder invloed is gekomen van de geformaliseerde kennis uit de leerpsychologie en de onderwijswetenschappen.

Het dualistische onderscheid tussen spelen en leren en spel en maken werd in het pedagogisch denken van halverwege de vorige eeuw al gepasseerd. In het werk van de Utrechtse spelpedagoge Vermeer bijvoorbeeld wordt spel al opgevat als een existentiële relatie met de wereld, als spelend-in-de-wereld-zijn. Het wezenlijke van het spelen ligt voor haar in de wijze waarop wij met de wereld in relatie treden, in de wereld betrokken raken. Zij spreekt over een heen en weer gaande labiele beweging tussen werkelijkheid en door het spel ontworpen wereld.

‘Het behoort tot de menselijke mogelijkheden om méér dan één relatie met de wereld aan te gaan. Een van deze relaties lijkt een dubbele verhouding als zodanig te zijn en een wereld te ontmoeten die in haar zijnsvorm dubbelzinnig is’ (Vermeer, 1968, p.31).

Naast Vermeer (een leerling van pedagoof Martinus J. Langeveld) namen ook andere pedagogen onder invloed van de existentiefilosofie en de fenomenologische zienswijze afstand van de heersende dualismen, zoals de hoogleraren Wilhelmina Bladergroen in Groningen en Carl Christian Friedrich Gordijn in Amsterdam. Bladergroen maakte zich niet alleen sterk voor de erkenning van kinderen met dyslexie (zoals we het later noemden), maar pleitte met sprekende voorbeelden voor erkenning van de kwetsbaarheid van het zelfbeeld van kinderen met leerproblemen. Gordijn, grondlegger van de bewegingswetenschappen, introduceerde de existentiële fenomenologie in het bewegingsonderwijs in Nederland en presenteerde bewegen als ervaring van in-de-wereld-zijn, daarmee ook het lichaam–geest dualisme passerend.

Wat Gert Biesta nu als de ‘hoe’ vraag formuleert, hoe, op welke wijze, sta je in de wereld in plaats van ‘wie ben ik’, wat is mijn identiteit, was toen al actualiteit in het pedagogisch denken.

Een bron die nu nauwelijks nog wordt betreden is de pedagogische antropologie: het denken over het wezen van het kind, respectievelijk over de kinderlijke bestaanswijze vanuit de notie dat een mens opgevoed moet worden, maar ook opvoedbaar is. Een van zijn vertegenwoordigers, Andreas Flitner, lijkt ons een omvattende legitimering van ons programma Spelen, leren, maken te bieden wanneer hij schrijft over spel en ernst.

‘Mit dieser Gegenübersetzung von Spiel und Ernst, Spiel und Lernen, Spiel und Arbeit hat man sich lange beholfen und das Kindes- und Jugendalter als den Stufenweisen Übergang vom einen zum anderen angesehen. Phänomenologische Analysen haben von diesen simpelen Alternatieven hinweggeführt und haben dann schier unendlichen Reichtum der Spielphenomene sichtbar gemacht. Momente des Spiels begleiten den Menschen durch sein ganzes Leben und bleiben auch im Arbeiten, Lernen, in ernster Lebensführung präsent. Das Spielen scheint tief im Menschen verankert zu sein und kann in alle Regionen menschlichen Seins sich erstrecken. Es reicht vom Selbstspiel mit den Fingern bis zum Spielen eines schweren Instruments, vom Illusions-zum Gemeinschaftsspiel, vom Liebesspiel bis zu spielerischen Momenten, wie sie jechliche Kultur enthält. Das Speil scheint eine ‘primäre Lebenskategorie’ zu sein, ein ‘Urphänomen’ das uns in allen Erscheinnungen des Lebens begegnen kann.

Das Spiel ist also nicht die vorläufige Betätigung des Kindes, das es noch nicht besser weiss, sondern vielmehr ein ursprüngliches und hoch kultivierbares Verhalten, das sich in der Kindheit unter günstigen Bedingungen entfaltet und das dem Menschen bis in seine späte Leistungen hinein erhalten bleibt.

Wir wissen (…), dass es die meditativen, ästhetischen und symbolischen Fähigkeiten des Menschen ebenso berührt und einübt wie die Technik, Erfindungsgabe und Phantasie’ (Flitner, p. 242).

Vrij vertaald:

‘Door spel te zien als tegengesteld aan iets wat serieus is, als tegengesteld aan leren en werk, hebben we ons lange tijd moeten behelpen, en hebben we de jonge kindjaren afgedaan als een structureel andere fase dan de oudere jaren. Fenomenologische analyses hebben ons echter weggevoerd van deze te simpele kijk op spel en hebben de vrijwel onbegrensde rijkdom van dit fenomeen duidelijk gemaakt. Spelmomenten begeleiden de mens in zijn hele leven en blijven dat doen in werk, leren, en dus in zijn hele leven. 

Spel lijkt zeer diep in ons verankerd te zijn en kan in ieder gebied van ons menszijn manifest zijn. Van spelend tokkelen met je vingers tot een moeilijk instrument bespelen, van spelen met illusie tot gezelschapsspelen, van liefdesspel tot speelse momenten omvat het elke cultuur. Spel is daarmee een ‘primaire levenscategorie’, een ‘oerfenomeen’ dat we op ieder moment van het leven tegen kunnen komen. 

Spel is dus niet de tijdelijke activiteit van een kind dat nog niet beter weet, maar eerder een oorspronkelijk en zeer goed cultureel ontwikkelbaar gedrag, dat zich in de kindertijd onder gunstige omstandigheden ontvouwt en dan tot zijn late verrichtingen intact blijft voor de mens.

We weten (…) dat het net zo goed de meditatieve, esthetische en symbolische vermogens van de mens raakt als de technologie, vindingrijkheid en verbeeldingskracht.’

Luc Stevens is emeritus hoogleraar orthopedagogiek en oprichter van Stichting NIVOZ.

Literatuur

  • Flitner, A. (1963). Die pädagogische Anthropologie inmitten der Wissenschaften vom Menschen. In A. Flitner (Hrsg.), Wege Zur Pädagogischen Anthropologie. Heidelberg: Quelle & Meyer.
  • Gardner, H., Csikszentmyhalyi, M. & Damon, W. (2001). Good Work. New York: Basic Books.
  • Vermeer, E.A.A. (1968). Spel en spelpedagogische problemen. Utrecht: Bijleveld.

 

 

Reacties

0
Login of vul uw e-mailadres in om op de hoogte te blijven van reacties op uw reactie


Er zijn nog geen reacties
Delen:
Op de hoogte blijven?
Schrijf je in voor de nieuwsbrief