Onderwijsmanifest Schimmelscholing: ‘Als school een strategie is van de menselijke soort om zichzelf voort te zetten, hoe succesvol is ze dan?’
7 januari 2026
Wat Floor Basten opvalt in het gesprek over de staat en de toekomst van onderwijs, is dat het vaak gevoerd wordt vanuit de binnenkant, dat wil zeggen door mensen die erbij betrokken zijn. In dit onderwijsmanifest kiest ze voor een perspectief vanaf de buitenkant. Als ‘school’ een van de varianten is waarmee de menselijke soort haar intergenerationele samenwerking vormgeeft, om de soort gaande te houden, hoe succesvol is ze dan? NIVOZ-redacteur Rob van der Poel leest mee, vat samen en nodigt uit: als teken van verwantschap, gedeelde vragen en het verlangen om onderwijs opnieuw te verbinden met ‘het levende geheel’ waarvan wij zelf deel zijn.
Het onderwijsmanifest Schimmelscholing van Floor Basten – onderzoeker/docent/filosofe - is geschreven in een context die verder reikt dan het onderwijs alleen. Het ontstond als een toevoeging aan de tentoonstelling FUNGI. Anarchistische ontwerpers die nog tot 9 augustus 2026 te zien is in het Nieuwe Instituut in Rotterdam. Aan deze expositie zijn meerdere manifesten verbonden, maar geen daarvan richtte zich op onderwijs, terwijl juist onderwijs een van de meest fundamentele manieren is waarop de menselijke soort zichzelf over generaties heen organiseert en in stand houdt. Vanuit haar betrokkenheid bij Zoöp en haar rol in de Raad voor de Levenden, waarin ook niet-menselijke belangen worden vertegenwoordigd, besloot Floor daarom zelf een onderwijsmanifest te schrijven.
Juist onderwijs is een van de meest fundamentele manieren waarop de menselijke soort zichzelf over generaties heen organiseert en in stand houdt.
Wat dit manifest onderscheidt van andere – en vergeet het niet te lezen na deze korte interpretatie vanuit wie/wat ik ben – is het perspectief van waaruit het geschreven is. In plaats van het onderwijs te benaderen van binnenuit, zoals zo vaak gebeurt door leraren, pedagogen, beleidsmakers en ouders, kiest Floor nadrukkelijk voor een blik van buitenaf. Ze stelt de vraag wat school eigenlijk is als we haar niet beschouwen als vanzelfsprekend instituut, maar als één van de mogelijke vormen waarin mensen hun intergenerationele samenwerking hebben georganiseerd. Als school een strategie is van de menselijke soort om zichzelf voort te zetten, wat zien we dan? En belangrijker nog: hoe succesvol is die strategie, bezien vanuit het voortbestaan van leven als geheel?
Vanuit dat buitenperspectief verschijnt school als een krachtig maar ook eenzijdig systeem. Het is een plek waar leren structureel wordt losgekoppeld van leven, waar kinderen worden weggehaald uit hun directe leefomgeving en waar kennisoverdracht vrijwel uitsluitend is gericht op menselijke cultuur, economie en samenleving. School creëert daarmee een tussenruimte tussen jonge mensen en de wereld waarin zij leven. Die tussenruimte wordt gepresenteerd als tijdelijk en beschermend: eerst leren óver de wereld, daarna pas deelnemen eraan. In de praktijk krijgt deze tussenruimte echter een eigen zwaarte. Ze wordt steeds voller, dichter georganiseerd en langer van duur, waardoor directe betrokkenheid bij de wereld steeds verder naar de achtergrond verschuift.
Juist doordat leren zich afspeelt in deze tussenruimte, reproduceert school zichzelf. De wereld wordt iets waarover wordt gesproken, gelezen en getoetst, in plaats van iets waarin men leeft, handelt en verantwoordelijkheid draagt. Jongeren leren hoe de wereld in elkaar zit volgens modellen en abstracties, maar niet hoe zij zich bewegen binnen ecologische, sociale en politieke werkelijkheden. Zo bevestigt school steeds opnieuw haar eigen noodzaak: eerst school, dan wereld. Wat bedoeld was als voorbereiding, wordt een vervanging. En wat bedoeld was als tijdelijk, wordt structureel.
Dit mechanisme leidt tot een positieve feedbackloop die op langere termijn verarmend werkt. Elke generatie die aan school begint, doet dat met minder directe ervaringswerelden dan de vorige. Minder tijd in natuur, minder deelname aan gemeenschappen, minder betrokkenheid bij zorg, productie en besluitvorming. Dat verlies aan ervaring wordt vervolgens aangegrepen als reden voor nog meer onderwijs, nog meer afbakening en nog meer abstractie. Zo versterkt school precies dat tekort dat zij zegt te willen oplossen, terwijl de afname van wereldbetrokkenheid buiten beeld blijft.
Elke generatie die aan school begint, doet dat met minder directe ervaringswerelden dan de vorige. Minder tijd in natuur, minder deelname aan gemeenschappen, minder betrokkenheid bij zorg, productie en besluitvorming.
Tegelijkertijd wijst Schimmelscholing op een andere mogelijkheid: wanneer leren niet langer primair plaatsvindt over de wereld, maar in de wereld, kan school verschuiven van een reproductief naar een emanciperend instrument. Onderwijs wordt dan niet langer een middel om jongeren los te maken van hun natuurlijke, sociale, politieke en economische context, maar een praktijk die hen helpt deze contexten te bewonen en mede vorm te geven. Emancipatie betekent hier niet ontsnappen aan de wereld, maar bevrijd worden van de beknellingen die ontstaan wanneer relaties worden verbroken en verantwoordelijkheden worden uitbesteed aan systemen.
In dat licht zijn schimmels voor Floor geen poëtische metafoor, maar concrete leermeesters. Ze laten zien hoe leven georganiseerd kan zijn in netwerken van afhankelijkheid, samenwerking en wederzijdse zorg, zonder centrale controle en zonder strikte afscheidingen. Waar school vaak scheidt, verbinden schimmels. Waar onderwijs geneigd is tot beheersing en abstractie, werken schimmels via nabijheid, responsiviteit en situering. Vanuit dat perspectief wordt leren opnieuw zichtbaar als een relationele praktijk, ingebed in ecosystemen en gemeenschappen.
Voor pedagogiek betekent dit een fundamentele verschuiving. Niet het kind als individueel leerobject staat centraal, maar de relatie. Dat wil zeggen tussen generaties, tussen soorten en tussen mens en omgeving. Leren wordt geen overdracht van vaststaande kennis, maar een vorm van deelnemen aan levende systemen. Pedagogisch gezien vraagt dit om onderwijspraktijken die ruimte laten voor situering, belichaamde ervaring en het leren lezen van ecologische relaties. Voor beleid betekent dit dat onderwijs niet langer uitsluitend beoordeeld kan worden op opbrengsten binnen het menselijke domein, zoals prestaties of arbeidsmarktvoorbereiding, maar ook op de vraag in hoeverre het bijdraagt aan de gezondheid van de ecosystemen waarvan scholen deel uitmaken.
Pedagogisch gezien vraagt dit om onderwijspraktijken die ruimte laten voor situering, belichaamde ervaring en het leren lezen van ecologische relaties.
Deze thematiek is voor mij geen abstracte gedachte gebleven. In het najaar van 2022 bracht ik paddenstoelen mee die letterlijk door de kieren van mijn yurt, de plek waar ik woonde, groeiden. Ik nam ze mee naar de HKU-werkplaats Grensgangers, waar we er samen een onderzoek omheen bouwden met deelnemers van de Master Kunsteducatie en verwante domeinen. In die periode fungeerde de film Fantastic Fungi als een belangrijke inspiratiebron. De schimmel kwam niet alleen conceptueel, maar ook fysiek mijn leven binnen als voorbeeld van wederkerig, ecologisch en relationeel leren.
Drie maanden later zat ik bij Floor thuis, samen met collega Jelle Ris, om een podcast op te nemen over ‘posthumanisme en onderwijs’. We verkenden daarin hoe onderwijs eruit zou kunnen zien wanneer het niet langer uitsluitend vanuit het menselijke perspectief wordt gedacht. Een half jaar later ontstond de WhatsAppgroep PH-inspiratie, een ontmoetingsplek voor posthumanistische onderwijsdenkers en verkenners, waarin deze vragen verder worden gedeeld, verdiept en belichaamd. In dat licht voelt deze publicatie en Floors manifest niet als een losstaand commentaar, maar als een voortzetting van een gezamenlijk denk- en leerproces.
In dit licht voelt deze publicatie en Floors manifest niet als een losstaand commentaar, maar als een voortzetting van een gezamenlijk denk- en leerproces.
Schimmelscholing nodigt onderwijs, pedagogiek en beleid uit om zichzelf niet langer als neutrale systemen te beschouwen, maar als actieve deelnemers aan ecologische netwerken. Het manifest vraagt geen snelle oplossingen of nieuwe methodes, maar roept op tot een andere houding: het besef dat leren altijd relationeel is en dat de vraag waarvoor we opleiden niet los te zien is van de wereld die we samen mogelijk maken.
Vandaar deze bijdrage, als teken van verwantschap, gedeelde vragen en het verlangen om onderwijs opnieuw te verbinden met het levende geheel waarvan wij zelf deel zijn.
Reacties