Stichting Nivoz logo
Sterkt leraren, schoolleiders en betrokkenen bij de uitvoering van hun pedagogische opdracht

Nivoz platform hetkind

"Over de toekomst van onze onderwijsinstellingen" van Friedrich Nietzsche - boekbespreking

5 januari 2026

"Alle vorming begint met precies het tegendeel van wat men tegenwoordig als academische vrijheid looft, met gehoorzaamheid, met onderdanigheid, met tucht en met dienstbaarheid." Dat stelt Friedrich Nietzsche in de onlangs verschenen vertaling van vijf lezingen over onderwijs, Over de toekomst van onze onderwijsinstellingen, waarin hij er flink op loshakt: niets of niemand komt ongeschonden uit de strijd: het onderwijssysteem en zijn afzonderlijke onderdelen niet, de leraren die er lesgeven niet en de leerlingen en studenten die de instituties bevolken al evenmin. Joop Berding las het boek en reflecteert op Nietzsches gedachtegoed.

Friedrich Nietzsche, dat is toch de ‘filosoof met de hamer’, de man die met een hamer, of misschien beter, met een bijl de fundamenten van de westerse filosofie onderuit haalde? De filosoof voor wie alle waarden op hun kop moesten, die afrekende met zowel verlichting als romantiek en die het aanzien van de filosofie blijvend zou veranderen? Die Nietzsche inderdaad, geboren in 1844, brak in 1872 in Bazel in een serie van vijf lezingen de staf over het Duitse onderwijsstelsel naar vorm en inhoud, met name het gymnasium en in het verlengde daarvan ook de universiteit. In deze lezingen, in boekvorm uitgegeven, hamert en hakt Nietzsche er flink op los en niets of niemand komt ongeschonden uit de strijd: het onderwijssysteem en zijn afzonderlijke onderdelen niet, de leraren die er lesgeven niet, de leerlingen en studenten die de instituties bevolken al evenmin, om nog maar te zwijgen over de filologen (taalkundigen, zoals Nietzsche er overigens zelf een was) en filosofen. Het gehele Duitse onderwijs, naar zijn innerlijke en uiterlijke vorm en vooral naar zijn in Nietzsches ogen totaal gecorrumpeerde inhoud, zou volledig op de schop moeten om te kunnen beantwoorden aan dé Grote Opdracht: de vorming van de Duitse elite in de sfeer van die van de Griekse en Romeinse oudheid als kerntaak van het voortgezet en universitair onderwijs, met een leidende rol voor het al evenzeer uit de culturele elite gerekruteerde leraren- en hooglerarencorps.

De lezingen
De vijf lezingen, Nietzsche had er nog twee gepland maar nooit uitgesproken, dienen maar één doel: de genoemde opdracht erin te hameren, niets en niemand ontziend. Dat gebeurt dan ook, van het eerste tot het laatste woord, van de eerste tot de laatste bladzijde. Maar Nietzsche hoedt zich er hierbij voor in de ik-vorm zijn filippica’s uit te spreken. Een van de grote retorische trucs van deze lezingen is dat hij enkele hoofdfiguren opvoert en hen het werk laat doen. Er is weliswaar een ik-figuur, maar die moeten we, als ‘ik’, met een korreltje zout nemen. Deze student en zijn vriend hebben weliswaar iets te vieren en trekken er daarom samen op uit, naar een hoge heuvel boven de Rijn, maar raken al snel verwikkeld in het echte verhaal. Dat wordt gevormd door het gesprek – maar misschien is het beter ‘gesprek’ te schrijven, want in feite is het meer een monoloog – tussen een oude wijze filosoof en diens jonge metgezel die aan het wandelen zijn, in de buurt van waar de twee studenten net zijn gaan zitten. Deze laatsten kunnen niet anders dan het gesprek tussen filosoof en gezel beluisteren en hiermee opent Nietzsche zijn eerste lezing.

Jammerklacht
De eerste tot en met de vierde lezing zijn gewijd aan de genoemde vernietigende kritiek van de filosoof aan het adres van het Duitse onderwijs. De jonge gezel fungeert als diens ‘aangever’, in een rol die in sommige opzichten doet denken aan hoe het er in een dialoog van Socrates aan toe gaat. Anders dan bij Socrates echter kent de filosoof van Nietzsche geen enkele twijfel aan de juistheid van zijn stellingen: vragen stellen, toch het ‘handwerk’ van de filosoof, is aan hem verloren gegaan. Eerder maakt hij zich druk om de totale onwetendheid en onnozelheid van anderen – zijn metgezel en uiteindelijk ook de twee studenten die in het gesprek worden betrokken – waar het de staat van het Duitse onderwijs betreft. De lezingen bestaan eigenlijk uit één doorlopende jammerklacht over de teloorgang daarvan en hoe verschrikkelijk het toch is dat zowel het Duitse als het Griekse en Romeinse ‘genie’ (deze worden in één adem genoemd) niet meer worden erkend in wat ze werkelijk zijn: de grondslag van de beschaving zoals die (in het Duitse gebied) zijn belichaming kreeg in Lessing, Schiller en Goethe.

Onderwijs is voor hem in de eerste plaats het onderrichten van een onwetende door een wetende ( een ‘sturende hand’) waarbij de opdracht van de eerste vooral is: luisteren

Vorming
De vijfde en laatste lezing vormt een breuk met de eerste vier. Het blijkt dat de filosoof had afgesproken met een oude vriend; anders dan aanvankelijk lijkt, komt deze toch niet opdagen. Mede daardoor gaat deze lezing en het boek als geheel als een nachtkaars uit. Het gesprek wordt wel voortgezet, met als focus de zelfstandigheid van studenten. De twee aanwezige studenten loven dit zelf denken, maar het vervult de filosoof met afgrijzen. Onderwijs is voor hem in de eerste plaats het onderrichten van een onwetende door een wetende ( een ‘sturende hand’) waarbij de opdracht van de eerste vooral is: luisteren. Wie dat verzaakt, mist de kern: vormend onderwijs. Vorming is de kern van alles en is scherp te onderscheiden van (economische) nuttigheid. De massificering van het hoger onderwijs staat de juiste vorming in de weg. Het Duitse onderwijs zou moeten worden omgevormd tot kleine, kleinschalige academies voor de zielselite.

Wat er nodig is
Als geheel leest het boek vlot dankzij de soepele vertaling. Maar als lezer moest ik me wel voortdurend schrap zetten waar het de inhoud van al die monologen aangaat (en soms ook bij de inbreng van de gesprekspartners van de oude filosoof). Nietzsche spreekt en schrijft in een voortdurend polemiserende taal die zich van conventies en ‘vanzelfsprekendheden’ (een kernwoord in deze lezingen) niets aantrekt. En dan krijg je uitspraken als:

‘Een werkelijke vernieuwing en reiniging [ook een kernwoord] van het gymnasium zal alleen voortkomen uit een diepgaande en krachtige vernieuwing en reiniging van de Duitse geest. Het is een zeer mysterieuze en moeilijk te vatten band die werkelijk het diepste van het Duitse wezen en het Griekse genie met elkaar verbindt’ (p. 67).

Van de filosofie en de filologie is volgens de oude filosoof niets meer over, het is allemaal journalistiek geworden (journalisten zijn wel de meest aangevallen beroepsgroep in deze lezingen). Wat studenten in de academische wereld niet kunnen leren? – ‘[D]at er grote leiders nodig zijn en dat alle vorming begint met gehoorzaamheid’ (p. 128).

Valse geleerdheid
Het is duidelijk: zo denken we vandaag de dag niet meer over onderwijs, met ‘leiders’, ‘gehoorzaamheid’ en luisteren als belangrijkste opdracht voor leerlingen en studenten en zeker niet om deel te kunnen uitmaken van een ‘reine’, van antieke (én Duitse) cultuur doordesemde elite. En toch. In plaats van er smalend afstand van te nemen, zouden we er denk ik goed aan doen enkele kwesties ‘achter’ de bezweringsformules serieus te nemen. Ik bespreek er vier. Om te beginnen zien we dankzij Nietzsche nu (nog) scherper dat ons onderwijs een behoorlijk activistische onderneming is, met weinig tijd en gelegenheid voor reflectie en voor wat Peter Petersen (van het jenaplanonderwijs) ‘verinnerlijking’ noemt. Dan krijg je inderdaad de valse ‘geleerdheid’ waar de oude filosoof namens Nietzsche zo tegen ageert. Deze bevindt zich daarbij overigens in het goede gezelschap van onze Nederlandse filosoof en leraar Cornelis Verhoeven (1928-2001) die zijn eigen filippica houdt tegen het onderwijs als ‘producent van schijn’.[1] Voor zowel Verhoeven als Nietzsche wordt deze schijnbare geleerdheid veroorzaakt door haast. Niet voor niets schrijft Nietzsche in zijn Voorwoord tot de lezingen:

‘Dit boek is bestemd voor rustige lezers, voor mensen die nog niet zijn meegesleurd in de duizelingwekkende haast van onze voortdenderende tijd en die er geen idolaat plezier aan beleven om in zijn raderen te worden vermalen ..’, om daar overigens omineus aan toe te voegen: ‘dat wil zeggen voor slechts weinig mensen!’ (p. 22)

In het eerste deel van deze zin kan je zonder moeite de hedendaagse socioloog Hartmut Rosa beluisteren, de denker van de ‘resonantie’ tussen mens en wereld. Deze afstemming stond dus al in Nietzsches tijd zwaar onder druk. En in onze tijd? Is het niet zo dat de maatschappelijke onrust en haast en gebrek aan vita contemplativa langzamerhand in onze scholen zijn doorgedrongen en van het onderwijs een opgefokte sector hebben gemaakt? Met als gevolg een slecht imago van het leraarschap, uitval van zowel leerlingen als leraren en het voortdurend terneerdrukkende idee dat je het nooit goed kunt doen?

Dat er in het onderwijs zo weinig verhalen worden verteld en dat het zo moeizaam is mensen daarnaar te laten luisteren, zegt iets over de erosie van gezag

Luisteren
Dat luisteren, als tweede, dat Nietzsche in de persoon van de oude filosoof als belangrijkste opdracht voor de leerling ziet, is wel intrigerend. Zijn we het luisteren, werkelijk luisteren, verleerd? Zijn we, zoals Miriam Rasch stelt, zo gefocust op spreken en op de ‘status’ daarvan, dat het luisteren erbij inschiet?[2] Wat is er eigenlijk mis mee dat we leerlingen vragen naar ons te luisteren, naar het verhaal dat we graag willen vertellen, omdat we, zoals Verhoeven raak zegt, ook inderdaad wat te vertellen hebben? Het is duidelijk, voor mij in elk geval, dat dit alles te maken heeft met opvoedersgezag, want iemand luistert alleen als hij zich iets wil laten gezeggen. Dat er in het onderwijs zo weinig verhalen worden verteld en dat het zo moeizaam is mensen daarnaar te laten luisteren, zegt iets over de erosie van gezag. Voor Nietzsche was gezag (nog) onbedisputeerbaar, op de gezagsrelatie tussen leraar en leerling/student berustte het hele onderwijs – en overigens niet alleen het gezag van personen maar ook van teksten en van kunst en cultuur(objecten). Dit ‘absolute’ gezag hebben we gelukkig achter ons gelaten, maar wat is er voor in de plaats gekomen? De vraag is (nog steeds): waar loopt het onderwijs op uit als het ‘t zonder een gezagsrelatie moet stellen, wanneer niemand zich door niemand of niets nog iets laat gezeggen?[3]

Massificering van het onderwijs
Een derde punt is de massificering van het (hoger) onderwijs waar Nietzsche op wijst. Profetische woorden, want deze heeft zich inderdaad vanaf de jaren 60 doorgezet, met steeds ‘hogere’ aspiraties, maar ook met steeds meer gedwongen en vaak foutief uitpakkende keuzes, studiestress en uitval. De uitbouw van de in die tijd ingezette schaalvergroting op hogescholen en universiteiten in de jaren 80 bracht vervreemding met zich mee en zoals dat dan gaat werd na verloop van tijd getracht weer in kleinere eenheden te denken en te werken. Maar het model dat Nietzsche voor ogen stond, academies met niet meer dan honderd à tweehonderd studenten, zoals bij de academie van Aristoteles het geval was, is vermoedelijk in onze tijd een onbetaalbare zaak – behalve wellicht voor de door diezelfde Nietzsche zo gewilde elite die het kan betalen...

Het denken over vorming en zelfvorming staat haaks op dat over economische nuttigheid als onderwijsdoel en de spanning tussen beide ‘belangen’ is ook in het hedendaagse onderwijs nog altijd voelbaar

Het ‘nut’ van onderwijs
Een vierde en laatste behoorlijk actueel punt, door Nietzsche opgeworpen, betreft het ‘nut’, en met name het economisch nut van het onderwijs. De oude filosoof keert zich hier diametraal tegen: in elk geval het gymnasium en de universiteit zijn in de eerste plaats vormingsinstellingen (de Bildungs-Anstalten uit de Duitse titel), geen leveranciers van maatschappelijk-economisch nuttige arbeiders.[4] De lezingen als geheel zijn te beschouwen als één groot pleidooi voor vorming als doel van het (hoger) onderwijs, maar, zoals vertaler Thomas Heij terecht opmerkt, de vertaling van het Duitse Bildung, bijvoorbeeld naar ‘vorming’, stuit op tal van problemen. Om er een te noemen: aan de Bildung die Nietzsche voor ogen staat, levert de ‘gebildete’ leerling zelf eigenlijk nauwelijks enige bijdrage, anders dan de eerder als kenmerkend voor de positie van de leerling centraal geachte activiteit van het  luisteren. Wanneer we in het Nederlands over vorming spreken, denken we daarover toch inclusief de leerling, sterker nog: is uiteindelijk niet alle vorming zelfvorming?[5] Het denken over vorming en zelfvorming staat haaks op dat over economische nuttigheid als onderwijsdoel en de spanning tussen beide ‘belangen’ is ook in het hedendaagse onderwijs nog altijd voelbaar.

Het nawoord van Thomas Heij geeft relevante en interessante informatie over de (biografische) achtergronden van deze lezingen. Wie zin heeft in een boek dat waarschijnlijk de meeste in onderwijs geïnteresseerde lezers van nu regelrecht tegen de haren in strijkt: neem het ter hand en dwaal er een aantal uren in. Bedenk daarna maar eens waarom je het er zo hartgrondig mee oneens bent... of eens, dat kan natuurlijk ook. Maar misschien veel belangrijker: ben je net zo gepassioneerd over onderwijs als Nietzsche?

Joop Berding is  voormalig (hbo-)docent, pedagoog, auteur en lid van de RvT van Stichting NIVOZ.

Over de toekomst van onze onderwijsinstellingen, van Friedrich Nietzsche, vertaling Thomas Heij, 2025, ISVW, 164 pp, €19,95, ISBN 978-90-832122-0-3

Voetnoten

[1] Verhoeven, C. (2024). Tractaat over het spieken. Het onderwijs als producent van schijn. Culemborg: Telos. (Or. 1980; bezorgd en ingeleid door Joop Berding)

[2] Rasch, M. (2024). Luisteroefeningen. Over aandacht en ontvankelijkheid. Amsterdam: De Bezige Bij.

[3] Dit thema roeren Wouter Pols en ik aan in het hoofdstuk ‘“Wie denk jij wel dat je bent?” Arendt en het verdwijnen van het gezag van leraren,’ in Berding, J. (red.) (2018). Aan het werk met Hannah Arendt. Professionals in onderwijs, zorg en sociaal werk (pp. 49-66). Leusden: ISVW Uitgevers. Ons betoog mondt uit in een pleidooi voor ‘dialogisch gezag’. 

[4] Opnieuw een kernpunt bij Verhoeven die zijn afgrijzen uitspreekt over het conventionalisme dat ‘nuttigheid’ als onderwijsdoel met zich meebrengt.

[5] Verhoeven maakt een scherp onderscheid tussen opleiding (inclusief curriculum, didactiek, werkvormen enz., alles heel planbaar) en vorming die niet afdwingbaar, voorspelbaar en controleerbaar is en waaraan de leerling vooral zelf vorm en inhoud zal moeten geven.

Reacties

0
Er zijn nog geen reacties
Delen:
Op de hoogte blijven?
Schrijf je in voor de nieuwsbrief