Stichting Nivoz logo
Sterkt leraren, schoolleiders en betrokkenen bij de uitvoering van hun pedagogische opdracht

Nivoz platform hetkind

Het verslag: hoop en optimisme als tegengif voor de kwetsbaarheidscultus

20 november 2019

De titel ‘Van kwetsbaar naar hoopvol’ voor de NIVOZ-onderwijsavond op 14 november was door tijdsredenaar Micha de Winter zelf gekozen. Steunend op het werk van pedagoge Lea Dasberg bouwt hij aan hoopvolle handelingsperspectieven en oriëntaties binnen een pedagogiek van hoop en optimisme. Hij ziet het als tegengif voor de huidige kwetsbaarheidscultus rondom kinderen en de alomtegenwoordige negativity bias. Dit is een uitgebreid verslag van de avond.

Lees ook: Kinderen hebben het nodig om nodig te zijn (o.a. integrale geluidsopname, en muzikaal intro Micha)
 

De avond begint met Micha de Winter op klarinet. Hij verzorgde namelijk zijn eigen muzikale intro. Wat we horen is Klezmer-muziek, de Pools-joodse mix van stijlen, een mengsel van melancholiek en uitbundigheid. De Winter: 'Het is precies wat in mij zit - en het raakt ook aan het thema. Het gaat namelijk over hoop, over die hoop in tijden dat we dat - in een zekere periode van melancholie en ellende – ook misschien heel erg nodig hebben.’

Micha de Winter signaleert namelijk dat we in deze tijd - met alle goede bedoelingen van dien – steeds meer naar kinderen zijn gaan kijken als kwetsbare wezens. ‘Terwijl ik de laatste jaren echt geleerd heb dat er maar heel weinig kinderen zijn die het prettig vinden om kwetsbaar te zijn. Elk kind wil iets betekenen, wil iets zijn, en wil aangesproken worden op zijn of haar talenten, op de dingen die ze kunnen, op de dingen die ze willen ontwikkelen. Voor veel kinderen is het pijnlijk om, soms van jongs af aan, te horen dat er op een of andere manier iets met ze aan de hand is, dat ze achterlopen. Of dat ze een DSM-achtige stoornis hebben.’ 

Democratisch burgerschap
De Winter neemt de waartoe-vraag bij het opvoeden als uitgangspunt. Dat is een ideologische vraag. Hij vertaalt het naar een streven naar democratisch burgerschap, zijnde het opvoeden van kinderen tot humane, respectvolle burgers. ‘Maar,’ zo constateert hij, ‘humaniteit, respect voor elkaar, elkaar de ruimte te laten, bereid zijn om je in elkaar te verplaatsen - dat is in deze tijd niet meer iets vanzelfsprekends .’ Hij legt daarom de link naar het boek van Martha Nussbaum – Cultivating humanity (1998). Zij stelt: in alle vormen van onderwijs en educatie moet je ervoor zorgen dat je bij kinderen het vermogen cultiveert om zich te verplaatsen in de levenswereld van anderen. To participate in their suffering, zo schrijft ze, je verplaatsen in het lijden van de ander.

De Winter wil twee verhalen vertellen. Het eerste verhaal is het verhaal van de kwetsbaarheid. Waarom is het dat we de laatste decennia zo sterk zijn gaan focussen op individuele risico’s die kinderen lopen en op hun tekorten. Hoe komt dat eigenlijk? En wat hebben we daarmee gewonnen?

En het tweede verhaal is het verhaal van de hoop. Lea Dasberg (1930-2018) hield haar inaugurele rede in 1980 - Pedagogiek in de schaduw van het jaar 2000. Hulde aan de hoop - en merkte op dat er over kinderen – met de millenniumwisseling in aantocht - ontzettend veel ellende-verhalen werden uitgestort. Over zure regen bijvoorbeeld, waardoor gebouwen in elkaar zouden schrompelen. Over meisjes die  geen moeder meer mochten worden (dat was tegen het feminisme). En dat we geen dokter meer mochten worden (want dan waren we onderdeel van het medisch industrieel complex), etc. Dasberg maakte zich zorgen over wat dat met kinderen zou doen. De Winter: ‘Die ellende die er nu eenmaal in de wereld is, moeten we pedagogisch gaan vertalen. Naar een hoopvol handelingsperspectief, zo was haar pleidooi.’

Pedagogisch optimisme
De Winter schetst een historische ontwikkeling van een soort pedagogisch optimisme (vanaf begin negentiende eeuw) met mensen die zeiden: we geloven in de natuur van het kind (Rousseau en de filantropijnen), in de goede inborst, kinderen zijn van nature flinke, stevige, mensen waarop je verder kan bouwen – naar een periode van  goedbedoeld pessimisme, zoals hij het zelf omschrijft. Gevoed door de razendsnelle wetenschappelijke ontwikkeling. ‘ We zijn steeds meer gaan kijken naar kinderen als dragers van allerlei mogelijke risico’s en stoornissen. We zien ze als kwetsbare wezens, die door allerlei mogelijke factoren in problemen kunnen raken, kunnen ontsporen. De focus is gericht op allerlei mogelijke kwalen, afwijkingen, problemen, stoornissen.’

Goedbedoeld pessimisme
Hij komt met een aantal boeken die deze tendens onderschrijven. Peter Stearns schreef Anxious Parents (2003), waarin hij vertelt dat in een periode waarin het feitelijk gezien steeds beter ging met kinderen – de kindersterfte neemt af, bijna elk kind volgt onderwijs, de gezondheidstoestand van kinderen neemt toe – ouders steeds bezorgder zijn geworden. En Viviana Zelizer schreef Pricing the priceless child (1994). Ze stelt daarin vast dat we ons steeds meer zijn gaan streven naar, zoals ze het noemt, het perfecte kind. Een kind is immers in onze tijd zo kostbaar geworden. En het gaat over zijn toekomst, waar alles vanaf hangt. Daarbij is er natuurlijk een groeiend leger aan professionals die ons bij allerlei leerproblemen en leerstoornissen en ontwikkelingsstoornissen wil bijstaan.

En daarover schreef Nelleke Bakker, een collega van Micha de Winter, een historisch boek: Kwetsbare kinderen. En de groei van de professionele jeugdzorg (2016). Met name na de Tweede Wereldoorlog is het aantal professionals rondom kinderen met een factor vijf of zes gestegen, met alle gevolgen van dien. De Winter: ‘Je ziet dat steeds minder kinderen “normaal” worden gevonden. Die afwijking zijn we niet meer gaan beschouwen als een vorm van diversiteit – mensen zijn nu eenmaal verschillend van elkaar – nee, we zijn steeds meer afwijkingen gaan zien als een probleem. Als een ziekte, of als een stoornis. En die willen we natuurlijk het liefst voorkomen. We zijn daardoor steeds meer vanuit een preventiever perspectief naar kinderen gaan kijken, als mogelijke dragers van mogelijke afwijkingen. Kinderen worden op die manier dus steeds kwetsbaarder.’

Is dat erg, zo vraagt Micha de Winter zich hardop af.

Definitie opgerekt
Hij denkt dat er een aantal problemen zijn met dat begrip kwetsbaarheid. ’Je kunt het een beetje zien aan de uitbreiding van de definitie die de afgelopen decennia heeft plaatsgevonden,’ zo zegt hij. In 1964 werd het zogenaamde vulnerable child syndrome voor het eerst gerapporteerd door een aantal kinderartsen. Ouders van kinderen die ernstig ziek zijn geweest, blijven gedurende hun hele jeugd overbezorgd. De Winter: ‘Maar als je kijkt hoe het kwetsbare kind in 2004 – veertig jaar later - wordt beschreven. Het gaat dan ineens over kinderen die een ongewone, overdreven gevoeligheid hebben, die medisch of psychologisch, sociaal of economisch at risk zijn. En het wordt nog erger, ook kinderen die biologisch gevoelig zijn voor fysieke en mentale gezondheidsproblemen, behoren ertoe.’

Met andere woorden: als je die definitie zo breed oprekt, dan zijn er geen kinderen meer die niet kwetsbaar zijn. En dan ontstaat er een soort tegenbeweging, een beleidsmatige reactie. ‘Als het gaat over bijvoorbeeld kindermishandeling, dan zie je dat ons hele streven, met alle protocollen en meldplicht, erop gericht is om die kwetsbaarheid voor kindermishandeling te signaleren, en vervolgens in te grijpen. Want zo’n probleem als kindermishandeling dat willen we natuurlijk naar nul reduceren.’

Slachtoffer
En dan volgt er een waarschuwing. Want als je dat doet, als je door die bril kijkt, zo stelt De Winter, dan worden kinderen het slachtoffer en de ouders - eigenlijk in een beweging - ook de dader. ‘Ouders en kinderen worden op die manier tegenover elkaar geplaatst.’ Het is de boze monsterachtige ouder die zijn kinderen mishandeld, tegenover het kwetsbare kind. Het is een manier van kijken die ons handelen heel erg beperkt. ‘Want we weten dat als je kindermishandeling wilt tegengaan, dat je naar het hele systeem moet kijken. Als je goed kijkt, dan zie je vaak dat die ouders even kwetsbaar zijn. Het heeft geen zin om alleen maar het kind te willen beschermen, dan komt het probleem als een boemerang terug.’

Micha de Winter werkte de voorbije jaren met een door de overheid ingestelde commissie aan het probleem van het geweld in de jeugdzorg. Er was heel veel te doen over seksueel misbruik van kinderen in die jeugdzorg. En uit dat onderzoek bleek dat er ook heel veel kinderen fysiek en psychisch mishandeld werden. Ze werden thuis niet goed behandeld, maar kwamen in de situatie terecht waar ze eigenlijk nog onveiliger waren. ‘Het bijzondere van al die gesprekken was dat heel veel mensen zeiden ‘ja, er is heel veel gebeurd, maar noem mij geen slachtoffer. Ik zie mezelf als iemand die ellende heeft meegemaakt, maar ook als iemand die deze ellende heeft weten te overwinnen. Ik ben een overlever.’

Stigmatiserend en individualiserend
Het idee van kwetsbaarheid werkt stigmatiserend, meent De Winter. We labelen tegenwoordig steeds meer kinderen, steeds meer kinderen hebben ‘iets’. Er worden meer kinderen behandeld voor ADHD dan dat er kinderen zijn die de werkelijke diagnose hebben. En hetzelfde geldt voor dyslectie. De Winter: ‘Ik vraag me toch inmiddels af – en dat weten we natuurlijk pas over een aantal jaren – wat het nou doet met de identiteitsontwikkeling van kinderen als ze van jongs af aan te horen krijgen ‘je bent een goed kind, maar je hebt…’

Het stigmatiseert, maar het individualiseert volgens De Winter ook. ‘Dat hele fenomeen van ADHD en aanverwante etiketten dat ligt natuurlijk niet alleen maar aan die kinderen zelf, dat heeft iets te maken met de context die we voor kinderen scheppen. Als je kinderen bijvoorbeeld in een heel andere omgeving plaatst als een reguliere schoolklas, dan verandert hun gedrag natuurlijk ook.’

Het denken in termen van kwetsbaarheid, ziet De Winter, bevordert bij sommigen een slachtofferschap, een cultuur van etikettering, van labeling. Want mensen lijken zich heel erg aan dat soort labels te hechten. Dus het zorgt daarmee ook voor een enorme verandering in bijvoorbeeld de houding van ouders naar de school. ‘Ze willen een speciale behandeling voor hun kind en slaan daar soms ook met de vuist voor op tafel, vanuit dat perspectief van die kwetsbaarheid, terwijl als je met kinderen zelf praat ze eigenlijk niets liever willen dan zo gewoon mogelijk zijn. En dus niet afwijken van – zeg maar – het gemiddelde.’

Reële bedreigingen
Maar er zijn ook allerlei reële bedreigingen die over kinderen heenkomen. De wereld verandert natuurlijk heel sterk, denk aan de klimaat- en de energiecrisis, de vluchtelingenstroom. Hoe komt dit binnen bij kinderen? En hoe gaan wij daar als onderwijzers mee om? De Winter toont een foto van een jongen uit een vluchtelingenkamp uit Turkije, een dag na de terroristische aanslagen in Brussel. ‘Nou die jongen ziet op 3000 kilometer afstand, maar kennelijk maakt hij zich ontzettend bezorgd erover, hij zegt: sorry for Brussel. Deze foto stond groot in de krant.’

Hij merkt steeds vaker dat mensen in een educatieve situatie zeggen ‘ja, daar kunnen wij eigenlijk allemaal niet zoveel mee, want die sociale media zijn voor die kinderen zo invloedrijk. Dat komt zo massaal binnen. Kinderen weten ook alles en hebben ook overal een mening over.’

Opvoeders en onderwijzers denken dat hun invloed op kinderen veel kleiner is geworden. De Winter noemt het een soort Calimero-effect. Hij denkt dat als je naar dit soort voorbeelden denkt, dat eigenlijk precies het omgekeerde het geval is. Hij pleit voor een open cultuur, waarin volwassenen – opvoeders en onderwijzers – kinderen helpen om betekenis te geven aan wat er in de wereld gebeurt. ‘Er komt ontzettend veel ongefilterd, rechtstreeks die kinderbreintjes binnen en we kunnen het niet tegenhouden. Er bestaat nu nog een enorme handelingsverlegenheid en we trekken ons er vaak van terug. Dat geldt niet alleen voor terrorisme, dat gaat ook over het klimaat. Dus ik denk dat in die context het juist almaar belangrijker wordt dat wij onze pedagogische invloed laten gelden.’

De Winter wijst nog eens in het bijzonder op het probleem van de armoede. In Nederland groeit tussen de 8 en 9 procent van de kinderen onder de armoedegrens op. Het boek van Robert Putnam, Our kids, the american dream in crisis (2015) laat precies zien wat de effecten zijn op de opvoeding – en dus de ontwikkeling van kinderen. ‘Het is empirisch onderzoeksmateriaal uit de VS, maar er zijn veel parallellen. De impact van armoede is enorm. Meestal groei je op in buurten die onveiliger zijn, de participatie in verenigingsleven en sport is minder, ouders hebben vaak minder tijd aan kinderen te besteden, quality time waar we het dan vaak over hebben. Ik zeg niet dat mensen die in armoede leven of schulden hebben hun kinderen slecht opvoeden, maar het veroorzaakt veel stress in je leven en dat beïnvloedt heel sterk je opvoeding.’

En tot slot polarisatie, zijnde een fenomeen van de laatste jaren. Je merkt in de samenleving dat mensen, groepen, tegenover elkaar komen te staan. De Winter: ‘En dat komt ook de school binnen. Kinderen hebben een mening over elkaar, of over elkaars godsdiensten. En dat betekent dat wij daar – in een pedagogische situatie – toch iets mee moeten doen.’

Wat stellen we tegenover die kwetsbaarheidscultus? En hoe gaan we pedagogisch om met reële dreigingen?

Het belangrijkste thema wat we tegenover die kwetsbaarheidscultus kunnen zetten, meent De Winter, is het idee van het hoopvol opvoeden. Hij spreekt van een soort tegenbeweging die is ontstaan is. En dat kun je een beetje aflezen aan het type literatuur dat verschijnt. Joris Luyendijk laat in Hoop (2019) honderd wetenschappers, kunstenaars en ondernemers aan het woord over wat hun bron van hoop is. En Rutger Bregman spreekt in De meeste mensen deugen (2019) over een negativity bias. De Winter: ‘We denken dat de werkelijkheid op ons afkomt als we naar de televisie kijken of op Facebook zitten. Maar Bregman laat zien dat er een enorme negativiteitsfilter zit: we lezen en we zien dus vooral de dingen die misgaan. De redenering van het boek is dat er natuurlijk ook ontzettend veel goed gaat.’

De Winter zegt enorm geïnspireerd te zijn door het werk in de onderzoekscommissie Geweld Jeugdzorg, de interviews die hij met al die mensen heeft afgenomen – om naar de betekenis van dat begrip hoop te kijken. ‘Je kunt je bijna niet voorstellen wat volwassen mensen kinderen aan kunnen doen, dat wil bijna niet tot je doordringen. Maar de andere kant van de medaille is dat al die gesprekken mij lieten zien dat mensen toch altijd op zoek zijn naar een sprankje hoop. Dat is wat je overeind houdt in je leven. Dat is een bron van inspiratie.’

Eigen geschiedenis
Een tweede inspiratiebron haalt Micha de Winter uit zijn eigen geschiedenis, zijn eigen biografie. Zijn ouders kwamen uit een joodse familie, ze maakten de holocaust mee, zaten in kampen, verloren hun partners. ‘En daar is nadien nooit echt over gepraat,’ zegt hij zelf. Toen ze overleden waren, moesten hij en zijn broer het huis leegruimen en toen kwamen er ineens uit alle hoeken en gaten dingen waarvan ze het bestaan niet wisten: fotoboekjes, brieven, waarin ze op zoek waren naar familie, etc… Micha: ‘En als je in al dat materiaal gaat graven, dan kan je bijna niet geloven wat er gebeurd is. Dat is eigenlijk te erg voor woorden.’

Maar de vraag was ook, zo vertelt hij, als je al dat materiaal vindt, wat ga je er dan mee doen? ‘Je kan het moeilijk verdelen, want dan is die geschiedenis uit elkaar gehaald, dus wat we gedacht hebben is: we brengen het bij elkaar in een koffer en dan laten we die koffer op reis gaan door de familie. Dan blijft de geschiedenis eigenlijk bij elkaar. Dus dan hebben we een keer per jaar in de familie een kofferbijeenkomst. En dan gaat een van de kinderen of kleinkinderen iets uit die koffer vertellen. En de volgende keer is er iemand anders aan de beurt. Dat is de koffer.’

De reden waarom De Winter het vertelt is dat uit deze geschiedenis blijkt – en dat is dan net als met die interviews met die mensen die mishandeld zijn in hun jeugd - dat mensen in staat zijn om na al die ellende, toch op een of andere manier de draad weer op te pakken. Hoop op een betere toekomst, misschien wel een betere toekomst van je kinderen, kan een enorme drijvende kracht zijn. De Winter: ‘Na de oorlog hebben mijn ouders, met alles wat er achter ze lag, ontzettend veel energie gestopt in een nieuw leven, in kinderen opvoeden en zorgen dat het met die kinderen een beetje goed ging en daar veel waarde aan hechten.’

Lea Dasberg: hoop is de motor van ontwikkeling
Het is opmerkelijk dat we dat begrip hoop eigenlijk helemaal uit onze vingers hebben laten glippen, zegt De Winter. Temeer daar Lea Dasberg dus al in 1980 in haar oratie over schreef. ‘Maar haar essay is ondergesneeuwd geraakt, het was de tijd van de natuurwetenschappelijke revolutie in de pedagogiek, dus het ging alleen nog maar over meten is weten.’ Zelf bracht hij haar werk weer onder de aandacht in 2017, tijdens zijn eigen afscheidsrede als Faculteitshoogleraar Maatschappelijke Opvoedingsvraagstukken van de UU.

Dasberg stelde vast: hoop is de motor van ontwikkeling. Als je het gevoel hebt dat je ertoe doet, dat je erbij hoort, dat de wereld op je zit te wachten, dan heeft het ook zin om je in te spannen, om wat van je leven proberen te maken, en samen met anderen dingen te bereiken. ‘Kinderen hebben het nodig om nodig te zijn,’ zo vertaalt De Winter het in zijn eigen woorden. ‘Als je met dat gevoel opgroeit, dan krijgt je leven zin, dan krijgt je leven betekenis. Omgekeerd, als je opgroeit met het idee ‘de wereld zit rot in elkaar, de boel gaat misschien wel naar de Filistijnen, gaat gebukt onder zure regen en allerlei andere hedendaagse kwalen, dan denken kinderen langzamerhand van ‘ja, wat heeft het dan voor zin dat ik me inspan. Waarom zou ik me druk maken?’

Vergeten boodschap
Jonge mensen hebben hoop en perspectief nodig, optimisme en levenslust, was Dasbergs credo. Het is een enorm belangrijke, maar toch ook vergeten pedagogische boodschap:

  • De manier waarop kinderen de wereld leren zien, hangt ontzettend af van de manier waarop opvoeders de wereld aan die kinderen presenteren.
  • Lange tijd hebben we geprobeerd - en dat was haar bekendste boekje ‘Grootbrengen door kleinhouden’ - kinderen af te schermen van de boze buitenwereld. Maar we moeten de sociale en politieke problemen van onze tijd niet verdoezelen voor kinderen. We moeten ze pedagogisch voor ze gaan vertalen.
  • We moeten de presentatie van leed en onrecht gepaard laten gaan met presentatie van hoop en mogelijkheden tot verbetering.

En dat laatste is wat De Winter betreft de kern. Dat is waar het om gaat: ‘We kunnen kinderen niet behoeden voor wat er in die wereld allemaal gebeurt, maar we moeten actief daarin optreden, we moeten ze helpen om er betekenis aan te geven.’

Kinderen als rolmodel
Dat zien we gelukkig ook kinderen doen. We kennen allemaal Gretha Thunberg, het Zweedse meisje dat zo’n beetje in haar eentje een soort wereldbeweging voor klimaatstakingen en klimaatactivisme is begonnen (filmpje). En hetzelfde geldt voor Boyan Slat (filmpje), de jongen die initiatieven ontplooit om de plastic soep uit de oceanen te verwijderen. Rondom beiden is veel discussie ontstaan. ‘Maar ik denk als je naar kinderen luistert, die vinden dit geweldig. Jonge mensen die iets proberen, dat zijn fantastische rolmodellen.’

En Lea Dasberg – inmiddels overleden - heeft intussen postuum gelijk gekregen, in dit geval van de keiharde ontwikkelingspsychologische wetenschappen. De Winter komt met een boek van Martin Seligman, stichter van de Positive psychology. In The Optimistic Child (2018) laat hij met heel veel wetenschappelijk bewijs zien dat als je kinderen met een zeker gevoel van optimisme, verwachtingsvol opvoedt en onderwijst, dat een enorme impact heeft op hun mentale toestand. ‘Kinderen gaan daarvan beter in hun vel zitten. Hun geestelijke gezondheid is beter, ze leren beter op school. Als je die optimistische levenshouding weet bij te brengen, dan heb je dus al ontzettend veel gewonnen.’

En dan gaat het niet over een kunstmatig roze bril. Want zo zou je het kunnen uitleggen, zegt De Winter. Zelf luistert en kijkt hij regelmatig naar Hans Rosling, die er zijn levenswerk van heeft gemaakt om met behulp van big data te kijken naar allerlei grote problemen in de wereld. Vaak rondom kinderen. De Winter: ‘En dan gaat het bijvoorbeeld over geweld. En dan denkt 70 procent van de mensen in de zaal dat het geweld is toegenomen. Want dat is de negativity bias. Maar als je dan vervolgens zoals Rosling naar de gegevens kijkt, zeker als je het over langere tijd bekijkt, dan neemt het geweld spectaculair af.’

Reden voor optimisme
Er zijn – als je volgens De Winter goed kijkt – ontzettend veel redenen om optimistisch te zijn. Hij is ook dol op Steven Pinker, een Amerikaanse psycholoog en historicus en die laat bijvoorbeeld zien dat in de westerse wereld, als je in de middeleeuwen als man leefde, dan was de kans dat je voor je veertigste werd vermoord 60 procent. Als je goed naar de gegevens kijkt hoe het eraan toe gaat, dan zie je dat er heel veel dingen beter gaan.

Dus als we het willen zien, en als we kinderen leren het te zien, dat er ook een heleboel reden is om optimistisch te zijn. En hetzelfde geldt voor dat begrip hoop. Uit het Handbook of Hope (2000), gevuld met materiaal uit de psychotherapeutisch wereld, blijkt dat als je erin slaagt om mensen weer een perspectief te leren zien en verwachtingsvol in de toekomst te leren kijken, dat dat enorm helpt enorm in hun geestelijk herstel. ‘En er is zelfs een boek verschenen over optimisme vanuit biologisch perspectief, The Biology of Hope. Dat gaat over hoe ons lichamelijke systeem, ons hormonale systeem, beïnvloedt kan worden door hoop.’

De vraag is waar haal je dat vandaan, die hoop? Veel mensen ontlenen hoop uit de religie, maar er zijn ook andere bronnen. John Dewey, die ontleende hoop uit de mogelijkheden die kinderen hebben vanuit samenwerking. Als je kinderen met elkaar dingen laat analyseren en uitvinden, dat stemt hem hoopvol. Dus de bron van hoop ligt daar in het menselijk handelen zelf. Wij kunnen met elkaar gewoon ontzettend veel. En we zijn tot heel veel in staat.’

Where hope is lacking the soul dries up and withers.  Gabriel Marcel

De Winter heeft geprobeerd het begrip hoop handen en voeten te geven, te operationaliseren, zodanig dat mensen het ook kunnen onthouden. Hoe doen we dat nou? Hij onderscheidt vier domeinen.

  1. Handelingsperspectieven cultiveren;
  2. Onderbreken van impulsieve oordelen;
  3. Optimisme voorleven;
  4. Participatie bevorderen.

Handelingsperspectieven cultiveren
Het is hoopgevend voor kinderen is als je het idee ontwikkelt en je oefent in wat heet agency, dat je zelf aan touwtjes in je leven kan trekken. Als je ze van jongs af aan leert dat je met elkaar – bijvoorbeeld in de omgeving van school  - dingen kunt bereiken door je in te spannen, dan is dat is een enorme bron van hoop. Dat is een beetje Dewiaans, learning by doing.

De Winter komt met het fenomeen pesten. Dat kun je heel goed samen met kinderen aanpakken. Je kan beginnen daar met kinderen onderzoek over te doen. Waarom pesten mensen elkaar? En wat is pesten eigenlijk? Waarom doen mensen dat eigenlijk? Daar is heel veel op internet over te vinden en daar kun je kinderen interviews over laten afnemen. En je kunt kinderen laten inventariseren wat er allemaal voor oplossingen zouden kunnen bestaan. Dan leer je kinderen niet alleen dat pestprobleem op te lossen, maar je leert ze ook impliciet dat er problemen zijn in de wereld, en dat je daar zelf, met elkaar, ook iets in kan doen. Maar let op, dit gaat dus niet over het afschuiven van de verantwoordelijkheid voor kinderen. Nee, wij moeten daar natuurlijk bij zijn, wij moeten daar betekenis aan proberen te geven.

Het onderbreken van impulsieve oordelen.
We leven in een tijd van impulsiviteit. Veel mensen hebben een mening over allerlei zaken klaar. En die impulsiviteit zit ook in kinderen. Dat maakt de communicatie en de samenwerking ingewikkeld. Phillip Meirieu schreef Pedagogiek: de plicht om weerstand te bieden (2016). Dat idee is een beetje in de vergetelheid geraakt. We zijn op een of ander manier bang geraakt om grenzen te stellen. Meirieu zegt: ‘Dat tegengas bieden, dat hoort erbij. Dat is een van de essenties van de opvoeding. Zo breng je kinderen verder.’

De Winter roept zelf al jaren: opvoeden is per definitie een strijdtoneel. Opvoeden wordt gekenmerkt door conflict en door wrijving. Je kunt niet altijd meegaand, lief en aardig zijn. Kinderen willen snel, die willen hier en nu dingen voor elkaar krijgen. Dat blijkt ook uit hersenonderzoek. Daar kunnen ze niets aan doen, want hun prefrontale cortex is nog niet doorontwikkeld, dus ze zijn impulsief. Onze taken, als opvoeders, is het natuurlijk om voor de lange termijn te zorgen. Om kinderen te bewegen om dingen te doen die voor later van belang zijn. Het is zo’n ingebakken pedagogisch dilemma. De hele opvoeding hangt daarvan aan elkaar.

Zijn voorbeeld: in een schoolklas hebben we te maken met allerlei verschillende meningen van kinderen en dat gaat er soms keihard aan toe. Want kinderen worden ondersteund in hun meningen via sociale media. De vraag is: hoe leiden we dat dan in goede banen? Kinderen hebben het recht op hun eigen oordelen, dat moeten we respecteren, maar in een democratie moeten we ook vragen aan elkaar stellen. Daar is een mooie methode voor, Deep Democracy. Dat gaat dan over hoe je in een schoolklas met dit soort diversiteit aan meningen omgaat. De Winter komt met een stappenplan: verzamel alle invalshoeken van kinderen, zoek actief naar afwijkende meningen (democratie is uitgevonden om min of meer afwijkende meningen een kans te geven), zoek ondersteuning voor afwijkende meningen, en neem vervolgens een besluit.  De Winter: ‘Het gaat erover dat je de wijsheid van de minderheid toevoegt aan het meerderheidsbesluit. En vervolgens ontstaan daar natuurlijk allerlei emoties over en dan moet je het met de kinderen over hebben.’

Optimisme voorleven
De Winter meent dat we de negativity bias met kinderen moeten leren te doorgronden. Dat het nieuws dat op ons afkomt, niet zomaar nieuws is, maar dat dat gefilterd is, via internet, via social media, via de kranten. Je kunt kinderen heel mooi allerlei tegenstellingen laten zien. Het aantal vliegtuigongelukken neemt af. Maar je hebt hele tv-programma’s die zoomen heel specifiek uit op die ongelukken, dat wordt enorm uitvergroot. De ongerustheid neemt daardoor toe. Dus we moeten met kinderen onderzoek doen naar feitelijkheden. We moeten ze ook met een optimistische blik leren kijken.

Participatie bevorderen.
In het Internationale Verdrag voor de Rechten van het kind staat dat kinderen recht hebben op drie p’s, op bescherming (protection), op goede voorzieningen, onderwijs, gezondheidszorg etc (provisions) en recht op participatie. Dus kinderen hebben recht om betrokken te worden bij allerlei besluiten die in hun eigen leven van belang zijn.
Nog belangrijker is dat we uit ontwikkelingspsychologische literatuur weten dat als kinderen een stem hebben (of dat nu thuis is, op school of in de wijk), als ze het gevoel hebben dat ze meetellen, dat er ook naar jou wordt geluisterd  - zonder altijd precies te willen doen wat die kinderen zeggen - dan blijkt dat enorm bij te dragen aan hun gevoel van welbevinden, hun wil om zich te ontwikkelen, etcetra. Het is wat De Winter ook in het onderzoek Geweld in de jeugdzorg heeft gemerkt. Heel veel kinderen die in de jeugdzorg zitten zeggen: er is eigenlijk al die tijd nooit iemand geweest die aan ons gevraagd heeft ‘hoe gaat het nu eigenlijk met jou? In dit pleeggezin of in deze instelling? Er is altijd gekeken naar problemen, naar risico’s, naar ontsporingen.’

Tot slot
Tot slot refereert Micha de Winter aan zijn participatie en aan het onderzoek naar de Vreedzame School. Dat begon in Utrecht, op een paar achterstandsscholen, waar docenten te maken hadden met veel gedragsproblemen. Het werken met mediators, kinderen die bemiddelden in conflicten op school, bleek een enorme positieve impact te hebben. De Winter heeft, samen met de ontwikkelaars van dat programma, geprobeerd om er een breder programma voor te maken, voor democratisch burgerschap: kinderen doen aan mediation, kinderen hebben een stem, kinderen leren omgaan met diversiteit. De Winter: ‘Een heleboel van die dingen die ik vandaag heb genoemd, die zitten ook in dat programma.’

Ook dit programma is niet zaligmakend, zo laat De Winter direct weten. Maar dit is er eentje die op veel scholen weerklank heeft gevonden. Er zijn inmiddels meer dan duizend scholen in Nederland die als Vreedzame School te boek staan. En het is uitgebreid naar wijkprogramma’s, de Vreedzame Wijk. ‘Voor mij is het werken met die Vreedzame scholen, met dat democratisch burgerschap , een enorme bron van inspiratie geweest. En ook een enorme bron van hoop. Het is fantastisch om te zien wat kinderen eigenlijk allemaal kunnen, ook in moeilijke situaties. En wat voor vitaliteit ze daarmee ontwikkelen. Het zijn kinderen met allemaal kwetsbaarheden, maar als je ziet opereren…’

Meer over deze Onderwijsavond vind je terug op de Terugblikpagina. Na de lezing van Micha de Winter volgde er nog een nagesprek met Maartje Janssens en werden er vragen gesteld vanuit het publiek (zie geluidsopname).

Over Micha de Winter

Micha de Winter (1951) is als bijzonder lector Jeugd verbonden aan de Hogeschool Utrecht. Daarnaast was hij tot 2017 als hoogleraar Maatschappelijke Opvoedingsvraagstukken verbonden aan de Universiteit Utrecht en deed hij onderzoek naar jeugdbeleid en preventie. Vanaf 2004 was hij Faculteitshoogleraar op de zgn. Langeveld-leerstoel.

In 2013 werd De Winter benoemd tot Officier in de Orde van Oranje Nassau, onder meer voor zijn wetenschappelijke bijdrage aan het maatschappelijke debat over jeugd en opvoeding. Daarnaast is hij consultant voor UNESCO en UNICEF. Tussen 2001 en 2012 was hij lid van de Raad voor Jeugdbeleid en de Raad voor de Maatschappelijke Ontwikkeling.

Micha de Winter wordt nog regelmatig geraadpleegd door de traditionele media bij actualiteiten die om duiding vragen. Hij doet met zijn promovendi en collega’s van de Hogeschool Utrecht onderzoek naar o.a. democratische burgerschapsvorming en radicalisering. Hij was voorzitter van de Commissie Geweld in de Jeugdzorg, die in opdracht van het kabinet onderzoek doet naar mogelijk geweld dat tussen 1945 en heden tegen minderjarigen is gepleegd in pleeggezinnen en jeugdzorg.

Micha de Winter stond bij NIVOZ al eens eerder op een podium. In november 2013 bij een Onderwijsavond in Driebergen, met de titel ‘Verbeter de wereld, begin bij de opvoeding’ - en in november 2014 bij het congres Stem van de Leerling in Rotterdam. Hij is een van de bronnen (zie pedagogische canon) waarop het werk van NIVOZ mede is gestoeld.
 

Reacties

2
Login of vul uw e-mailadres in om op de hoogte te blijven van reacties op uw reactie


George Lengkeek
1 jaar en 11 maanden geleden

Rob, heel veel dank voor je prachtige en uitvoerige verslag van Micha's inbreng op de onderwijsavond van 14 november j.l. !!! Hier heb ik echt iets aan! Tijdens de avond zelf heb ik alleen geboeid zitten luisteren zonder aantekeningen te maken. Het is geweldig om het nu toch terug te kunnen lezen. Micha had zich er zeer voor ingezet om een rijk betoog op te bouwen, en het is heel fijn om veel van die rijkdom nu te kunnen herlezen en hergebruiken.

Login of vul uw e-mailadres in om op de hoogte te blijven van reacties op uw reactie



Rob van der Poel
1 jaar en 11 maanden geleden

Goed te horen George, ik had Micha eerder 'verslagen' (in 2016 in Uden) en toen ook ervaarde ik eenzelfde waarde en rijkdom. Zie hier: https://nivoz.nl/nl/micha-de-winter-in-uden-goed-samenleven-wat-is-dat-leren-we-kinderen-nog-wel-hoe-je-met-spanningen-omgaat

Login of vul uw e-mailadres in om op de hoogte te blijven van reacties op uw reactie


Delen:
Op de hoogte blijven?
Schrijf je in voor de nieuwsbrief