Stichting Nivoz logo
Sterkt leraren, schoolleiders en betrokkenen bij de uitvoering van hun pedagogische opdracht

Nivoz platform hetkind

Marilse Eerkens en meritocratie: ‘Ouders en docenten uit de loopgraven en elkaar iets minder de maat nemen’

30 november 2022

Verus, NIVOZ en Sardes willen tegenwicht bieden aan het meritocratisch denken in onze maatschappij. Het is de wortel van veel ongelijkheid, stress en polarisatie. Wat betekent een en ander voor het onderwijs?  Marilse Eerkens leverde op maandag 28 november een bijdrage in een webinar met als titel: Hoe hoger, hoe beter? Ze is sociaal psycholoog, journalist en auteur van het boek ‘Als ze maar gelukkig worden’. Je kunt haar lezing – die in twee delen was geknipt - hieronder teruglezen. 'Laten we als ouders en leraren alsjeblieft uit de loopgraven komen en elkaar iets minder de maat nemen.'

Het meritocratisch maatschappijmodel gaat uit van de gedachte dat mensen hun sociaal-maatschappelijke status ‘verdienen’ door hard werken en maximale inzet van hun talenten. De keerzijde is dat wie zijn kansen niet pakt, wie de boot mist, dat aan zichzelf te danken heeft. Dit mens- en wereldbeeld heeft grote consequenties voor het zelfbeeld van mensen en voor de solidariteit in onze samenleving. Het leidt tot een samenleving met ‘winnaars en verliezers’ en de laatste groep voelt zich steeds minder gezien, gewaardeerd en verbonden met de samenleving.

De kwesties waar Marilse Eerkens op in zal gaan hebben ook een directe relatie met die schaduwzijde van de meritocratie. Ze gaan over de vraag waarom we ‘hoger op’ toch maar altijd beter vinden en wat dit doet met ouders en met kinderen. En op de vraag in wat voor samenleving we nu eigenlijk willen leven, wat we van werkelijke waarde vinden en hoe we kinderen in onderwijs en opvoeding daarover iets kunnen meegeven.

Deel 1

‘Makkelijker gezegd dan gedaan’

Toen ik gevraagd werd om een bijdrage aan het webinar te leveren, heb ik niet lang geaarzeld. De titel en de vraag ‘Hoe hoger, hoe beter?’ is natuurlijk superinteressant. Op de eerste plaats omdat we afstevenen op een arbeidsmarkt met een overschot aan theoretisch opgeleiden en, veel erger, een sterk tekort aan praktisch opgeleiden. Als wij deze vraag dus steeds met ‘ja’ blijven beantwoorden, met andere woorden: als wij ‘hoger’ inderdaad ‘beter’ vinden, zitten we straks met een groot probleem.  Want hoe moeten we het gaan rooien met z’n allen als we niet genoeg loodgieters, pedagogisch medewerkers of bakkers meer hebben?

Maar er is nog een reden waarom ik het een heel interessant onderwerp vind. En dat is omdat het schuurt. Ik denk bijvoorbeeld dat iedereen die aan dit webinar meedoet naar eer en geweten zal zeggen dat een theoretisch geschoold persoon, alias hoger opgeleide, niet ‘beter’ is dan een praktisch opgeleid persoon, in het dagelijks leven ook wel lager opgeleide genoemd. En toch denk ik dat veel van ons – onafhankelijk van ons eigen opleidingsniveau - stiekem blijer zijn met een vwo- of havo-advies dan met een vmbo-t of b advies voor onze zoon of dochter.

Dat willen we toch allemaal?
En dat is ook eigenlijk niet zo gek. Onderzoek van Maarten Wolbers, hoogleraar aan Radboud Universiteit Nijmegen, laat bijvoorbeeld zien dat mensen die aan een universiteit of hogeschool hebben gestudeerd, langer leven, langer gezond zijn, het beter doen op de huwelijksmarkt en meer geld verdienen. Dat willen we toch allemaal voor onze kinderen?

Daar kun je tegen inbrengen dat die grotere kans op financiële zekerheid in de toekomst nog maar de vraag is. Recent verschenen er bijvoorbeeld twee artikelen in de Telegraaf en in Trouw waaruit blijkt dat de kans om rijk te worden groter is als je bijvoorbeeld loodgieter wordt dan als je – ik noem maar een zijstraat – een beleidsfunctie krijgt na een studie sociale planologie. Maar die vlieger gaat toch niet helemaal op. Wolbers stelt namelijk dat iemands sociale status in Nederland uiteindelijk veel meer afhangt van de hoogte van de genoten opleiding dan van wat je verdient. En die sociale status heeft zoals gezegd toch wel erg veel voordelen.

En dus roepen steeds meer mensen – de ministers van onderwijs voorop – op om dat status denken overboord te gooien. Hoewel ik dat een sympathieke oproep vind, vind ik de manier waarop dit soort oproepen worden gedaan nogal eens simplistisch en vaak onnodig polariserend. Als worstelende ouder wiens kind niet meteen door alle hoepeltjes springt op de basisschool, word je namelijk al vrij snel in de hoek geduwd van de status beluste push-ouder die neerkijkt op de lager opgeleiden.

Als worstelende ouder wiens kind niet meteen door alle hoepeltjes springt op de basisschool, word je namelijk al vrij snel in de hoek geduwd van de status beluste push-ouder die neerkijkt op de lager opgeleiden.''

Status beluste ouders
Een mooi voorbeeld is het hoofdredactioneel commentaar van de NRC. De krant schrijft: ‘Laat het zelfbeeld en de eigen status toch in de kast. De samenleving is gebaat bij een minder krampachtig klasse-denken van ouders en een vrijere opleidings- en beroepskeuze voor de schoolverlaters van nu’ Dit soort verhalen over status beluste ouders gaan er bij velen in als koek – ik denk dat iedereen wel eens zo’n schoolpleingesprekje heeft gevoerd waarin werd gegniffeld om de moeder van Pietje die denkt dat haar zoon een hoogbegaafde onderpresteerder is.

Maar zoals gezegd denk ik dat het niet verstandig is om ouders zo de maat te nemen. Het ligt vaak een stuk genuanceerder. We kennen allemaal de verhalen van de migrantenkinderen of kinderen van praktisch opgeleide ouders die, vanwege hun afkomst, vaker een schooladvies krijgen dat geen recht doet aan hun intellectuele vermogens.

En dan zijn er nog de laatbloeiers, de dromers, de traag-lezers, de speelse kinderen die intellectueel misschien wel veel in hun mars hebben, maar op school niet uit de verf komen. Moeten we die al meteen op hun twaalfde op een traject zetten waarin je nog maar moeilijk kunt schakelen naar een meer theoretisch niveau als je dat later zou willen? Hebben die geen recht op bredere vorming waarin er wat vaker een beroep wordt gedaan op hun analytisch denkvermogen? Waarom moeten zij al op hun zestiende, als hun hersenen nog lang niet uitgerijpt zijn, al kiezen voor een vak?

Makkelijker gezegd dan gedaan
‘Kinderen moeten een eigen keuze gegund worden, passend bij hún talenten en ambities,’ schrijft NRC in het eerdergenoemde hoofdredactioneel commentaar. Dat klinkt zo logisch. Maar waar zij aan voorbijgaan is dat die talenten en ambities bij sommige kinderen nog helemaal niet zo zichtbaar zijn op 12-jarige leeftijd. Inzetten op praktisch niveau – vmbo-t of b dus – kan bij deze kinderen ten koste gaan van hun intellectuele ontwikkeling. Meerdere onderzoeken laten zien dat als je kinderen met een vergelijkbare intellectuele bagage in groep acht naar twee verschillende schoolniveaus stuurt, het kind dat intellectueel het meest wordt uitgedaagd uiteindelijk beter af is. In die zin is het dus helemaal niet zo gek om de lat iets hoger te leggen.

Maar los van dit soort inhoudelijke argumenten denk ik dat dit soort harde uitspraken over de statusbelustheid van ouders ze alleen maar verder de loopgraven induwt en uiteindelijk averechts uitpakt. Het gaat voorbij aan het feit dat kinderen opvoeden een hele emotionele aangelegenheid is. Tegen ouders zeggen dat ze niet zoveel waarde moeten hechten aan de status van een bepaald opleidingsniveau is net zoiets als tegen een iemand met obesitas zeggen dat hij minder moet eten. Dat is zoveel makkelijker gezegd dan gedaan. Want zoals de lekkerbek op iedere straathoek wordt blootgesteld aan snacks en andere lekkernijen, worden wij als ouders voortdurend omringd door signalen uit onze omgeving die laten zien dat mensen die minder lang hebben doorgeleerd, minder gewaardeerd worden.

Zoals de lekkerbek op iedere straathoek wordt blootgesteld aan snacks en andere lekkernijen, worden wij als ouders voortdurend omringd door signalen uit onze omgeving die laten zien dat mensen die minder lang hebben doorgeleerd, minder gewaardeerd worden.''

Bubbels
Wie zelf in een bubbel van hoog opgeleiden verkeert, weet hoe intelligentie wordt geroemd en hoe er – onbewust en onschuldig – toch grapjes worden gemaakt over ‘domme’ – lees laaggeschoolde – mensen alias wappies en tokkies etc. En dat geldt ook voor de mensen waarvan je denkt dat ze het beste met iedereen voor hebben – aan Hillary Clinton die, toen ze dacht dat de camera’s uitstonden, het over a basket of deplorables’ had. Ik denk dat de opkomst van populistische partijen – zowel bij ons als in veel andere landen – rechtstreeks het gevolg is van het dedain van veel hoogopgeleiden voor de problemen en de vooroordelen waar je tegenaan loopt als je minder hoog opgeleid bent.

Als ouder moet je wel heel sterk in je schoenen staan om je hier helemaal aan te onttrekken. Mij lukte het niet meteen. Toen na twee makkelijk lerende zoons mijn derde jongen extreem wisselend presteerde op de basisschool dacht ik niet ‘prima, dan wordt het toch vmbo?’ Anders dan zijn juf wilde ik weten waarom hij bijvoorbeeld een hele grote woordenschat had en extreem slecht spelde. En dus deed ik wat al die hoogopgeleide ouders doen: ik schakelde zo’n onderwijspsycholoog in. En natuurlijk kreeg ik de modieuze stempeltjes mee voor mijn kind: dyslexie en matige concentratie, lees add-achtige symptomen. De juf vond dat hij naar het vmbo-t moest, want als hij de havo niet zou halen zou onze basisschool het verwijt krijgen dat ze te hoog adviseerden. De psycholoog zei op basis van een IQ-test dat havo een betere keuze was. Ik ging voor het laatste. De juf vond mij een verschrikkelijke push-ouder. Het werd ook geen vrolijk afscheid.

Worsteling
Toen mijn zoon naar de havo ging, dacht ik nog dat hij daarna vwo zou gaan doen. Maar al snel maakte hij mij duidelijk dat hij daar heel anders over dacht. School was een worsteling voor hem. Ieder jaar had ik in mei de mentor aan de lijn. Als er niet flink wat gebeurde zou hij niet over gaan en moest hij misschien wel van school af, kreeg ik steeds te horen. Ieder jaar ging hij toch weer over – zonder bijles, dat dan weer wel. Maar ik wond me steeds minder op over die telefoontjes. Ik zag namelijk dat het heel goed met hem ging. Zijn leerhouding en inzet voor school bleven weliswaar erg matig, maar ik zag hem op allerlei ander vlakken enorm opbloeien. Hij werd zeilinstructeur, ijshockeytrainer en welpenleider. Hij zat uren op het dakje van de schuur naar de hemel te staren en via de radio te luisteren naar een of andere raketlancering die hem mateloos boeide. Hij smeedde koksmessen, tekenende cartoons en had een vast groepje jongens om zich heen die ook graag vuurtjes stookten en Minecraft speelden.

Toen hij zakte voor zijn eindexamen, heb ik maar kort getreurd – ik wist dat hij niet de standaard weg zou bewandelen. Wat daarbij enorm hielp was de afscheidstoespraak die de natuurkundeleraar voor hem had geschreven bij de diploma-uitreiking (waar hij dus geen diploma kreeg). Hij beschreef mijn zoon als een kleine ramp; een jongen met een grote grijns die regelmatig zonder boeken etui en of pen in de les zat. Maar hij prees ook zijn enthousiasme en nieuwgierigheid en had alle vertrouwen in deze ‘prachtvent’, zoals hij hem noemde. Dat ontroerde me meer dan ik dacht. Ik had veel getobd over mijn jongen. Mijn vertrouwen dat het allemaal wel goed zou komen was weliswaar gegroeid, maar zo’n bevestiging van een door de wol geverfde leraar die aangaf dat hij mijn zoon echt had ‘gezien’ sterkte mij enorm.

Mijn vertrouwen dat het allemaal wel goed zou komen was weliswaar gegroeid, maar zo’n bevestiging van een door de wol geverfde leraar die aangaf dat hij mijn zoon echt had ‘gezien’ sterkte mij enorm.''

Oprechte betrokkenheid en steun
En daar zit volgens mij precies de oplossing. In die oprechte betrokkenheid en steun dus. Als je als ouder het gevoel hebt dat je kind echt wordt gezien en, als het puntje bij het paaltje komt, niet alleen wordt beschouwd als ‘potentieel risico voor de statistiek van je school’, dan creëert dat een soort rust die je minder krampachtig maakt. Het schept ruimte je zorgen te uiten over je angst voor het te vroeg plakken van stempels – jij bent praktisch en jij bent theoretisch ingesteld - en over wat dit soort stellige uitspraken doen met het zelfbeeld van een kind. Waardoor het veel makkelijker wordt om een goed gesprek te voeren over wat je kind echt nodig heeft en wat de beste weg is om te bewandelen. Ik hoor leraren nu al denken dat ze daar helemaal geen tijd voor hebben, maar ik denk dat die betrokkenheid in principe niet veel tijd hoeft te kosten. Een kort gesprekje kan al heel veel doen. Veel zit hem al in de toon van het gesprek; die is op de ene school veel warmer dan op de andere heb ik gemerkt. En dat maakt een wereld van verschil.

Laten we als ouders en leraren dus alsjeblieft uit de loopgraven komen en elkaar iets minder de maat nemen. Zie de status beluste push-ouders meer voor wat ze zijn: bang voor wat hun kind te wachten staat in een steeds hardere maatschappij. Die moet je niet wegduwen of bespotten; daar moet je een arm omheen slaan. Dat is denk ik de weg. Want dat er iets moet veranderen in onze samenleving waardoor praktisch geschoolden de waardering gaan krijgen die ze verdienen, dat staat voor mij als een paal boven water.

 

Deel 2

‘We kunnen nog zoveel doen zónder het hele onderwijssysteem op de schop te nemen’

We hebben het net gehad over de vraag ‘hoe hoger, hoe beter’. En over de angst waar deze bewuste of onbewuste manier van denken eigenlijk uit voortkomt. In dit tweede blokje wil ik het hebben over de negatieve gevolgen die deze manier van denken heeft voor de samenleving en over wat we volgens mij zouden kunnen doen om dit enigszins in te perken.

Daarvoor wil ik om te beginnen eerst even een beetje uitzoomen en kijken naar de kenmerken van een individualistische samenleving zoals de onze – wij schijnen een van de meest individualistische landen van de wereld te zijn. Een van de dingen die dan opvalt, is dat we heel veel waarde hechten aan dingen die meetbaar zijn. We zijn dol op ranglijstjes en bijbehorende kwalificaties ‘top’, ‘excellent’ et cetera. En, omgekeerd, strooien we ook graag met diskwalificaties zoals ‘super dom’ en ‘looser’. Dat we dit doen is niet verwonderlijk. Anders dan in een collectivistische samenleving waar je zelfbeeld veel meer afhangt van de het succes van de familie waar je uit voortkomt of de groep waar je bij hoort, halen we in een (hyper) individualistische samenleving onze zelfwaardering voornamelijk uit onze individuele prestaties. Omdat de concurrentie tussen al die individuen groot is, is het zaak om te claimen wat jou toekomt. En dat claimen lukt natuurlijk het beste als je kan schermen met harde cijfers en kwalificaties die het succes van jouw prestatie uitdrukken.

Voor- en nadelen
Dat wij zoveel waarde hechten aan dit soort harde maten heeft voor- en nadelen. Een mooi voorbeeld van een voordeel is het kind van de buschauffeur dat vroeger geen kans kreeg om naar de havo of het vwo te gaan, omdat de leerkracht op basis van zijn achtergrond niet verwachtte dat hij dat niveau aan zou kunnen. Dit kind is met de komst van een ietwat objectievere beoordeling zoals de cito-toets waarschijnlijk beter af.

Maar die focus op deze cijfers en kwalificaties – hoog, laag – brengt ook een risico met zich mee. Door hier zoveel mee bezig te zijn, zijn we ook steeds minder tijd gaan besteden aan zaken die niet meetbaar zijn, maar minstens zo waardevol. Denk aan aardig zijn, zorgen voor een ander, je inzetten voor de maatschappij, praten over hoe te leven of samen genieten van muziek, literatuur, kunst et cetera. Als je waarde hecht aan deze niet-meetbare zaken zal je hier meer dan vroeger actief over moeten nadenken. De plaatsen waar dit soort thema’s van oudsher aan bod komen - denk aan kerken maar ook aan politiek georiënteerde verenigingen – spelen een steeds minder grote rol in het leven van de meesten van ons. We worden dus ook niet meer zo vaak geconfronteerd met de vraag ‘hoe te leven?’

We worden ook niet meer zo vaak geconfronteerd met de vraag ‘hoe te leven?''

Tegenwicht
In mijn boek Als ze maar gelukkig worden’ probeer ik een beetje tegenwicht te geven aan deze trend. Los van de oproep aan ouders en beleidsmakers om meer na te denken over de vraag tot wat wij onze kinderen opvoeden, doe ik ook een voorzet voor een mogelijk antwoord op deze belangrijke vraag. Ik kom dan tot een lijst van vijf niet-meetbare vaardigheden die kinderen niet alleen helpen om zelf goed uit de verf te komen, maar hen ook beter in staat zullen stellen om op een vreedzame manier met elkaar te kunnen samenleven in onze steeds complexere maatschappij. Vaardigheden die hen hopelijk behoeden te verworden tot doorgedraaide individualisten die elkaar de tent uit concurreren – met alle ellende van dien.

Empathisch vermogen
Het eerste punt op mijn lijstje is een goed ontwikkeld empathisch vermogen. Ik beschouw dat echt als de basis van ons morele handelen. Daarnaast is het belangrijk om kritisch te kunnen nadenken. Als je je alleen door je gevoel laat leiden, kan het zomaar gebeuren dat je de mensen uit je eigen groep veel beter behandeld dan mensen daarbuiten, bijvoorbeeld omdat het vaak makkelijker is om je in te leven in mensen die op je lijken. Maar natuurlijk zijn er nog veel meer reden om goed en kritisch te kunnen nadenken. Al was het maar om gladde praatjes te doorzien van populisten die steeds verder oprukken.

Naast kritisch denken is het ook belangrijk om je betrokken te voelen bij ons samenleving en dat je goed weet wat er allemaal komt kijken bij een democratie en de waarden die daarbij horen – wat betekent vrijheid van meningsuiting bijvoorbeeld in de praktijk? Uit onderzoek blijkt dat dit in Nederland helemaal niet zo vanzelfsprekend is. Zeker niet bij jongeren.

Ook belangrijk om kinderen mee te geven is veerkracht en doorzettingsvermogen. De complexe vraagstukken waar we nu mee te maken hebben, vragen echt veel van onze kinderen. De Corona-pandemie is daar een voorbeeld van, maar ook de stikstofcrisis haalt veel overhoop van wat we nu nog vanzelfsprekend vinden en zal ook in de toekomst veel van ons gaan vergen.

Mijn laatste punt is de ontwikkeling van creativiteit. Ik denk dat we dat niet alleen nodig zullen hebben om oplossingen te vinden voor de eerder genoemde complexe problemen die op ons afkomen, maar ook om kinderen een extra taal te bieden om alles wat op ze afkomt te bevatten. 

Warme en hechte gezinnen
Veel van deze genoemde vaardigheden leer je thuis. Een prachtig illustratie hiervan is het indrukwekkende onderzoek dat werd uitgevoerd door het echtpaar Samuel en Pearl Oliner. Samuel – van oorsprong een joodse Pool die als enige van zijn gezin de Tweede Wereldoorlog overleefde ­–wilde graag weten wat de motieven en achtergrond waren van mensen die joden hielpen onderduiken in de Tweede Wereldoorlog. Waarin verschilden zij van mensen die joden niet hielpen? Om dat te achterhalen ondervroeg hij samen met zijn vrouw 700 mensen, met een vergelijkbare sociale positie, die de oorlog als volwassenen hadden meegemaakt. De ene helft had joden helpen onderduiken en de andere helft niet. Wat bleek? Het was vooral de opvoeding die de groepen van elkaar onderscheidde. Mensen die joden hielpen onderduiken kwamen veel vaker dan de niet-helpers uit warme en hechte gezinnen waarin hoge eisen werden gesteld aan verantwoordelijkheid en moreel gedrag. Morele waarden die passen bij een democratische leefstijl – denk aan zorgzaamheid, rechtvaardigheid en humaniteit – waren in deze gezinnen een terugkerend thema. Verder viel het de onderzoekers op dat de meeste ‘helpers’ zich van de ‘niet-helpers’ onderscheidden door hun talrijke en hechte relaties met anderen.

Onderzoekers viel het op dat de meeste ‘helpers’ zich van de ‘niet-helpers’ onderscheidden door hun talrijke en hechte relaties met anderen.''

De bevindingen van Oliner en Oliner komen aardig overeen met meer recent onderzoek naar de relatie tussen opvoeding en de ontwikkeling van morele waarden die passen bij een democratische manier van leven. Wat hieruit naar voren komt, is dat deze waarden het best tot ontwikkeling komen in gezinnen waar ouders de autoritatieve opvoedstijl aanhouden en veilige gehechtheidrelaties weten op te bouwen met hun kinderen.

De school
Maar los van de opvoeding thuis, speelt natuurlijk ook de school een belangrijke rol in het ontwikkelen van de door mij genoemde vaardigheden. En zoals de leraren onder jullie waarschijnlijk wel weten, wordt er ook druk gepraat over dit thema. Op zich is dat goed. Maar waar ik zorgen over heb is de manier waarop de huidige onderwijsideologen dit voor elkaar willen krijgen.

Zoals het er nu naar uitziet wordt er in de toekomst niet meer gewerkt met concrete vakken – wiskunde, biologie, geschiedenis – maar met thema‘s: ‘mens en maatschappij’ of ‘mens en natuur’. De nadruk komt dan minder te liggen op het opdoen van kennis en meer op het opdoen van vaardigheden die kinderen bij uitstek nodig gaan hebben in de toekomst: kritisch denken, burgerschap, digitale vaardigheden en creativiteit, kortom veel van de vaardigheden die ik ook voor ogen heb.

Probleem is nu alleen dat je veel van deze vaardigheden niet geïsoleerd kunt aanleren, zoals vanuit overheidswege wordt gesuggereerd. Neem kritisch denken; dat gaat veel beter als je veel kennis hebt over een bepaald onderwerp bijvoorbeeld. En probeer maar eens een creatieve oplossing te vinden voor en probleem zonder het probleem eerst te hebben doorgrond.

En er is meer.

Voorleven
Het aanleren van deze vaardigheden staan of vallen ook bij de manier waarop het wordt voorgeleefd door ouders en docenten: zijn ze zelf creatief? Spelen ze weleens? Praten zij met respect over andere mensen of zijn ze juist heel cynisch of negatief? Nemen ze weleens een (politieke) stelling in en kunnen ze die verdedigen? Leggen ze uit waarom ze bepaald gedrag belangrijk vinden? Praten ze weleens bevlogen over een boek dat ze gelezen hebben? Of over een kunstwerk of een voorstelling? Vindt de school het écht niet erg als je een keer uit de bocht vliegt – iets dat regelmatig gebeurt bij creatieve mensen? Of word je er meteen op afgerekend en een niveau lager geplaatst?

Ook belangrijk zijn de kansen die je krijgt om te oefenen: Word je op de juiste momenten aangespoord en uitgedaagd? Denken leraren (en ouders) vaak genoeg tégen – ‘Oh ja? Is het zo logisch dat het twitter-account van een president wordt verwijderd?’. Is de sfeer in de klas vertrouwd en veilig genoeg om je mening naar voren te brengen? Kun je op school of thuis ‘ervaren’ wat democratie en vreedzaam samenleven betekent? Mag je als leerling op de basisschool bijvoorbeeld meedenken over de regels in de klas (en de handhaving daarvan) en over de manier waarop ruzies worden beslecht – iets dat gebeurt op de Vreedzame Scholen in Nederland?

Kortom: ik denk dat we nog zoveel kunnen doen zónder het hele onderwijssysteem op de schop te nemen. Met nadenken wat je wilt bereiken, het opzoeken van de informatie die je nodig hebt om dat te bereiken en een flink portie zelfreflectie kun je volgens mij echt een heel eind komen.

 Luc Stevens na webinar met Marilse over meritocratie: ‘Meegaan met spiegelen van de samenleving of verantwoordelijkheid nemen, in de klas of in professionele verbanden?’


Het webinar werd afgesloten met het filmpje ‘Er zijn kinderen’.

Eerder geschreven artikelen over meritocratie vanuit deze samenwerking tussen Sardes, Verus en NIVOZ vind je achter deze link: zie www.nivoz.nl

Wil je aangesloten blijven bij deze ‘tegenbeweging’ en komende evenementen, mail: [email protected] Heb je belangstelling voor de LinkedIn-pagina Solitair of Solidair rond dit thema, mail: [email protected]

 

Reacties

0
Login of vul uw e-mailadres in om op de hoogte te blijven van reacties op uw reactie


Er zijn nog geen reacties
Delen:
Op de hoogte blijven?
Schrijf je in voor de nieuwsbrief