Stichting Nivoz logo
Sterkt leraren, schoolleiders en betrokkenen bij de uitvoering van hun pedagogische opdracht

Nivoz platform hetkind

Diversiteit als grondstof voor kwaliteitsvol onderwijs: over verschillen erkennen, benutten en waarderen

9 november 2022

Woensdag 2 november verzorgde professor Orhan Agirdag de NIVOZ-onderwijsavond, getiteld ‘Onderwijs in een gekleurde samenleving’ (naar zijn gelijknamige boek). Aan de hand van sprekende voorbeelden en wetenschappelijk onderzoek liet hij zien hoe deficit-denken, lage verwachtingen, vooroordelen en discriminatie in elkaar grijpen en leiden tot ongelijke kansen in ons onderwijs, terwijl het waarderen en benutten van diversiteit de kwaliteit van onderwijs juist kan versterken. Wees niet kleurenblind, waarschuwt hij: ‘We spreken heel graag van “ongeacht wie je bent…”, maar eigenlijk zouden we daar misschien van moeten maken “geacht wie je bent”.’ Leone de Voogd was erbij en schreef dit verslag.

Orhan Agirdag is de tweede spreker onder het jaarthema De betekenis van verschil. Over inclusief onderwijs en het handelen van de leraar dat NIVOZ-collega en moderator Renske Valk kort toelicht. Omgaan met diversiteit is onderdeel van het waartoe van onderwijs, stelt ze. We denken dat inclusief onderwijs goed is voor onze samenleving. ‘We willen uiteindelijk dat diversiteit uitmondt in een soort veelkleurige vrolijkheid.’ Rechtdoen aan verschillen betekent dat je niemand uitsluit, maar juist probeert verschillen te aanvaarden, waarderen en benutten. Kunnen we dat ook, vraagt Renske zich af. Op de eerste onderwijsavond liet professor Geert Kelchtermans zien hoe diversiteit tot de kern van het leraarsvak behoort. Hij stelde echter ook geen expert te zijn op het gebied van culturele diversiteit. Die hebben we nu wel, zo introduceert Renske professor Agirdag, die inzichten uit sociologie, onderwijskunde en taalwetenschappen combineert.  

Ongelijkheid is geen natuurwet
Agirdag start zijn verhaal met een cirkeldiagram met het getal 16.9%. De nieuwsgierigheid is gewekt: waar gaat dit over? Het blijkt het percentage leraren te zijn dat zegt zich toegerust te voelen om les te geven in een cultureel diverse context. Ter vergelijking: op het gebied van ICT of pedagogisch-didactische vaardigheden liggen deze percentages eerder rond de 80% of meer. Agirdag hoopt op lange termijn dat percentage te verhogen: ‘Ik ben een gelukkig man als dat 17% wordt, want iedere leraar telt.’

Voor wie zich afvraagt waarom de omgang met een cultureel diverse context ertoe doet, zet hij met verschillende grafieken de urgentie neer: de Pisa-resultaten tonen een kloof van 1,5 tot 2 leerjaren in schoolprestaties tussen eerste en tweede generatie immigranten en autochtone leerlingen. De kloof wordt - met de beste bedoelingen - vaak bekeken vanuit deficit-denken: alsof deze leerlingen achterstanden en gebreken hebben die opgelost moeten worden. Terwijl het denken in achterstanden niet helpt om ongelijkheid te verklaren, stelt Agirdag.

Er zijn landen en scholen waar geen ongelijkheid bestaat of anderstaligen zelfs beter presteren: ‘Ons pedagogisch handelen doet ertoe.’

Zo verdwijnen de verschillen niet als je corrigeert voor sociaal-economische verschillen; eerder stapelen de ongelijkheden zich op. Ook het effect van taal is niet eenduidig: thuis Nederlands spreken leidt nog niet tot gelijke resultaten. Belangrijker nog, stelt Agirdag, is dat de ongelijkheid geen natuurwet is. Er zijn landen en scholen waar geen ongelijkheid bestaat of anderstaligen zelfs beter presteren: ‘Ons pedagogisch handelen doet ertoe.’

Impliciete vooroordelen
Het denken in vermeende tekorten is niet alleen weinig behulpzaam, het heeft ook andere negatieve consequenties: ‘Het doet iets met de mindset van leraren en beleidsmakers. Het bepaalt lage verwachtingen. En dat gaat veel dieper dan onderadvisering. Nog lang voordat een advies is uitgesproken, bepalen verwachtingen de instructiekwaliteit.’ Agirdag toont vele voorbeelden van hoe ons dagdagelijkse handelen wordt gestuurd door impliciete verwachtingen. Uit klasobservaties blijkt bijvoorbeeld dat leraren leerlingen van wie zij lage verwachtingen hebben minder vaak aan het woord laten, minder tijd geven voor een antwoord, minder feedback geven en dat zij meer fysieke afstand tot deze leerlingen houden. Zo ontstaat een vicieuze cirkel.

We spreken niet altijd uit waar onze verwachtingen vandaan komen en zijn ons daar ook niet altijd van bewust. We hebben vaak impliciete en onderhuidse vooroordelen. Deze zijn wel min of meer betrouwbaar te meten, laat Agirdag zien. Hiervoor wordt de “impliciete associatietest” gebruikt, waarbij deelnemers razendsnel plaatjes of woorden moeten categoriseren. Daaruit blijkt dat het merendeel van de leraren een impliciete voorkeur heeft voor alles wat licht is. Deze impliciete voorkeur blijkt ook samen te hangen met de resultaten van leerlingen. Het gaat dus niet alleen om onschuldige gedachten, wil hij maar laten zien. Op https://implicit.harvard.edu en www.onderhuids.nl kun je deze testen zelf doen. Dat kan best confronterend en onverwacht zijn, waarschuwt Agirdag (ook leraren van kleur hebben vooroordelen over mensen van kleur), maar ‘het is niet alsof je de rest van je leven een racistisch bestaan moet leiden als je die onbewuste vooroordelen hebt.’ Bewustzijn is een eerste stap om verwachtingen te kunnen corrigeren of er anders mee om te gaan.

Sense of belonging is een fundamenteel menselijke behoefte, dus als je je er op school niet bij voelt horen, gaat die wens niet weg

Deficit-denken, lage verwachtingen en vooroordelen werken op elkaar in en versterken elkaar, laat Orhan zien met vier tandwielen; het vierde tandwiel is discriminatie. ‘Gebeurt dat echt? Ja.’ Kinderen van kleur krijgen vaker negatieve opmerkingen, wordt vaker gevraagd om stil te staan en worden vaker gestraft, ook als we rekening houden met deviant gedrag, zo laat onderzoek zien. Agirdag benadrukt dat dit zeer zelden bewust gebeurt, maar laat ook zien dat onderwijs koploper is wat betreft contexten waarin discriminatie ervaren wordt. Ook de gevolgen zijn in veel wetenschappelijke studies aangetoond: discriminatie leidt onder meer tot demotivatie, radicalisering, gezondheidsproblemen, lagere prestaties en minder “sense of belonging”. Met dat laatste wordt bedoeld of leerlingen zich thuis of ‘erbij’ voelen, of ze ervaren deel van de school te zijn. ‘Sense of belonging is een fundamenteel menselijke behoefte, dus als je je er op school niet bij voelt horen, gaat die wens niet weg.’ Dan trekt bijvoorbeeld de straat, waarover Illias El Hadioui meer kan vertellen, zo kondigt Agirdag alvast een van de volgende sprekers aan.

Kwaliteitsvol onderwijs op twee dimensies
‘Ik heb het gevoel dat ik het heel donker maak voor zo’n gezellige avond. Ik beloof dat het steeds gezelliger wordt,’ spreekt Agirdag schuldbewust. Renske had immers aangekondigd dat de onderwijsavonden bedoeld zijn om te bemoedigen. Dus wat kunnen we eraan doen? ‘Heel veel scholen en leraren doen het hier en nu al, dat bewijst dat het wel degelijk mogelijk is.’ Agirdag toont twee dimensies die van belang zijn voor kwaliteitsvol onderwijs. De eerste is goed onderwijs, ‘dat is eigenlijk voor iedereen hetzelfde.’ Ingrediënten zijn wat hem betreft voldoende leraren, goede instructies en een goed schoolklimaat, waarin discipline samengaat met warmte en responsiviteit. De andere dimensie is hoe je omgaat met verschillen; dit noemt hij ‘gelijkekansenonderwijs’. Dat kan heel specifiek zijn van school tot school: ‘Alleen een combinatie van goed onderwijs en gelijkekansenonderwijs brengt kwaliteit.’

Wat houdt dat dan in, gelijkekansenonderwijs? In reactie op diversiteit, spelen twee belangrijke vragen, stelt Agirdag, zowel in beleid als in de persoonlijke interactie. Enerzijds “Wat denken we over diversiteit?” (visie), anderzijds “Hoe gaan we om met diversiteit?”. Wie diversiteit ziet als bron van problemen (deficit-denken), komt uit bij assimilatie. Als je diversiteit ziet als neutraal gegeven, waar je verder niets mee hoeft, volgt eerder kleurenblindbeleid. Wie diversiteit als meerwaarde ziet, waar je iets mee kunt in je praktijk, komt uit bij een aanpak van multiculturalisme. Hoewel Argidag duidelijk pleitbezorger is van de laatste aanpak, geeft hij ook aan dat een goede school alledrie de aanpakken wel eens nodig heeft. Soms is enige reductie van diversiteit nodig en wanneer het irrelevant is, kun je het ook negeren.

In de praktijk van het Vlaamse onderwijs is er een sterke neiging tot assimilatie, vooral op het gebeid van taal. Agirdag toont verschillende voorbeelden van ‘passief-agressieve’ posters, waarin met rode smileys of uitroeptekens “Hier spreekt met enkel Nederlands” staat. ‘Dat is niet – of niet enkel – vanuit een nationalistische reflex, maar in het belang van het kind gedacht.’ In de praktijk leidt het bijvoorbeeld tot situaties waarin een leerling strafwerk krijgt vanwege het enkele feit Turks te spreken in de klas.

Wie kleurenblind is, ziet het kind niet
De weg naar de hel is geplaveid met goede bedoelingen, kun je als luisteraar wel concluderen. Want in het belang van het kind blijkt deze assimilatieaanpak dus niet. Wie denkt dat Nederland het beter doet, omdat dit hier minder speelt, komt bedrogen uit. Hier speelt – ook weer vanuit goede bedoelingen – kleurenblindheid enorm, ziet Agirdag. ‘Ach ja, er zijn verschillen, doe gewoon’ is typisch Nederlands. Aan de hand van Teacher Tapp laat hij zien dat dit denken (bijvoorbeeld: “Op onze school doet de etnisch-culturele achtergrond van leerlingen/studenten/cursisten er niet toe”) zeer dominant is.

‘Hoe mooi kleurenblindheid ook mag klinken, in de realiteit is het anders,’ waarschuwt Agirdag. Kinderen en volwassenen zien namelijk wel kleur, al vanaf zeer jonge leeftijd. Hij toont een fragment uit de documentaire Wit is ook een kleur van Sunny Bergman, waarin kinderen vragen beantwoorden over een witte en een gekleurde pop en al duidelijke voorkeuren laten zien. ‘Als je denkt dat dit een montage is van antwoorden; wetenschappelijk onderzoek vindt exact hetzelfde. Kinderen categoriseren correct en hebben maatschappelijke stereotypen al overgenomen.’

De school waar verschillen er niet toe doen, bestaat niet

Uit onderzoek blijkt dat juist bij “kleurenblind” beleid de kloof in prestaties en sense of belonging groter is. Wie kleurenblind is, gaat niet responsief om met verschillen en het is moeilijk je erbij te voelen horen als minderheid als gezegd wordt dat het er niet toe doet dat je verschilt van de meerderheid. ‘De school waar verschillen er niet toe doen, bestaat niet, I’m afraid.’ Ook de pedagogiek heeft een neiging tot kleurenblindheid en kan wat Agirdag betreft nog wel wat leren van sociologische inzichten. ‘We spreken heel graag van “ongeacht achtergrond…”. Misschien moet het zijn “geacht wie je bent”.’

Voorkennis benutten
Wie oog heeft voor verschil, kan zien dat diversiteit misschien ook grondstof biedt om leerstof te verrijken en onderwijs te versterken, stelt Agirdag. ‘Niet vanuit politieke correctheid of “wokeness”. Het heeft gewoon te maken met kwaliteit van onderwijs.’ Multiculturalistische klaspraktijken gaan samen met een reductie van ongelijkheid, tonen bijna alles studies hiernaar aan. Aandacht besteden aan identiteit en talige en religieuze verschillen is een manier om kloven voor een groot deel te dichten, zonder dat dit ten koste gaat van de prestaties van autochtone leerlingen.

Je doet niets speciaals of extra’s, benadrukt Agirdag, en dat herhaalt hij nogmaals wanneer in het nagesprek de werkdruk voor leraren ter sprake komt. ‘Wat je spontaan doet voor de meerderheidsgroepen, breid je uit naar alle groepen in de samenleving. Iedere pedagoog, constructivist of niet, weet dat ervaring en voorkennis enorm belangrijk zijn. Wat leerlingen weten, is cultureel bepaald, dus als ik die achtergrond ken en kan gebruiken, kan ik beter realiseren wat ik wil.’

Hoe doe je dat dan? Agirdag toont enkele voorbeelden hoe je de diversiteit in taal, maar ook in religie en cultuur kunt bespreken en benutten, waarvan er in zijn boek nog veel meer te vinden zijn. Denk aan het mogen gebruiken van de eigen taal om opdrachten te maken of andere leerlingen iets uit te leggen, maar ook aan een leraar die zegt dat elke taal die je kent een voordeel is. ‘Wat maakt het mij nou uit in welke taal iemand leert hoe een standaarddeviatie werkt?’ Het is ook belangrijk om diversiteit juist bij reguliere lessen en dagelijkse onderwerpen naar voren te laten komen, waar men doorgaans minder aan minderheden denkt, zoals bij technologie, gezondheid, wetenschap of kunsten. Het zijn kleine dingen, zoals tijdens een rekenles duidelijk maken dat de cijfers die we gebruiken Arabisch zijn: ‘Dat doet iets met leerlingen.’ Ook wíe er voor de klas staat, doet ertoe. ‘You can’t be what you can’t see’, citeert Agirdag Marian Wright Edelman. In Nederland is slechts 3,7% van de leraren van kleur: ‘Gegeven de demografische ontwikkelingen is dat bitter weinig, dat moet beter’, stelt hij.

Wat maakt het mij nou uit in welke taal iemand leert hoe een standaarddeviatie werkt?

Bruggen slaan
Agirdag erkent dat er ook terechte redenen zijn om je zorgen te maken over de diversiteit in taal op school. Je wilt bijvoorbeeld blootstelling aan het Nederlands maximaliseren, of voorkomen dat er kliekjes ontstaan van leerlingen die een bepaalde taal spreken. Belangrijk is dan dat je er beleid op hebt, stelt hij. ‘Dus geen laissez-fairebeleid of andere talen tolereren. Je tolereert iets dat je niet leuk vindt.’ Blootstelling en spreekkansen in het Nederlands maximaliseren én meertaligheid waarderen, is zijn advies, waarbij hij benadrukt dat succesvolle taalverwerking samenhangt met hoe je je op je gemak voelt ergens en of je gezien wordt. Hij sluit af met een prachtig fragment van een Vlaamse juf die werkt met anderstalige nieuwkomers en bruggen slaat tussen de thuistaal en het Nederlands. ‘Je mag het ook in het Turks zeggen als je nog extra uitleg wilt geven’, zegt ze tegen de leerling die een verhaal in het Nederlands houdt voor zijn klasgenoten. Ze wil niet dat hij tegengehouden wordt omdat hij het Nederlands nog onvoldoende beheerst. Het doel is dat hij zich kan uiten en zelfvertrouwen opbouwt. In het fragment zie je hoe de andere leerlingen zijn toelichting vertalen, waardoor hij het toch ook in het Nederlands hoort. Deze juf heeft het in de vingers, wil Agirdag maar zeggen. ‘Dat is een wereld van verschil met een klascontext waarin je bestraft wordt omdat je iets zegt of iemand helpt in een andere taal.’

Er is behoefte aan handvatten hoe om te gaan met diversiteit en meertaligheid, blijkt wel uit de vragen uit de zaal. Hoe ga je er bijvoorbeeld mee om als leerlingen in hun thuistaal over je roddelen? ‘Uit onderzoek blijkt dat de thuistaal het meest gebruikt wordt voor “on-task behavior”’, vertelt Agirdag. ‘En ga er maar vanuit dat ze hoe dan ook over je roddelen, ook in het Nederlands….’ Soms kan het nodig zijn om een regel in te stellen over het spreken van Nederlands, vindt Agirdag ook, maar dan gaat het erom hoe je ermee omgaat als toch een andere taal wordt gesproken. Kun je die ook waarderen en bijvoorbeeld leerlingen vragen te vertalen?

Heeft Agirdag nog concrete tips waar en hoe je meer kennis kunt vergaren over andere culturele achtergronden? Dat hoeft misschien wel niet, stelt hij. ‘Vragen stellen vanuit culturele onwetendheid kan een voordeel zijn ten opzichte van de pretentie te denken dat je het weet. Niets vind ik bijvoorbeeld zo storend als iemand die ervan uitgaat dat ik vrouwen geen handen geef, omdat hij dat ergens gelezen heeft over moslims. Stel vragen vanuit nieuwsgierigheid en erken je eigen positie. Een vorm van onwetendheid is echt een voordeel, koester dat.’ 

Bekijk hier de presentatie (PDF) van Orhan Agirdag

Leone de Voogd is ontwikkelingspsychologe en politicologe en werkzaam als wetenschappelijk medewerker bij NIVOZ. Daarnaast is ze als programmaonderzoeker betrokken bij het Whole Child Development programma.

Reacties

1
Login of vul uw e-mailadres in om op de hoogte te blijven van reacties op uw reactie


Ilse van der Put
19 dagen en 20 uur geleden

Wat een prachtig en goed verhaal. Jammer dat ik het gemist heb. Het valt me op dat diversiteit en inclusie in dit stuk sterk gaat over culturele en taal verschillen. Ik zou het fijn vinden als ook diversiteit op het gebied van handicap wordt meegenomen. In Nederland en Belgiƫ is het onderwijs voor kinderen met een handicap verre van inclusief. Het is heel normaal voor hen om niet op een reguliere school te worden toegelaten ook al willen ze dat wel en zou het met wat extra inspanning ook prima kunnen. Kijk naar Portugal.

Login of vul uw e-mailadres in om op de hoogte te blijven van reacties op uw reactie


Delen:
Op de hoogte blijven?
Schrijf je in voor de nieuwsbrief