Stichting Nivoz logo
Sterkt leraren, schoolleiders en betrokkenen bij de uitvoering van hun pedagogische opdracht

Nivoz platform hetkind

De pedagogiek van een kind bij zijn naam noemen: ‘Kom, hoe heet ze toch ook weer?’

30 januari 2020

In de bus ziet juf Tineke Spruytenburg een oud-leerlinge zitten. Niet uit haar eigen klas, maar ze ként haar wel. Al was het maar van die keer dat haar vader Tineke een lift gaf, toen het zo gesneeuwd had. Maar kom, hoe heet ze ook weer – ze heeft zo’n naam die heel goed bij haar past. Precies het niet kunnen noemen van de naam van het meisje, maakt dat een gesprek niet van de grond komt. Dan, als Tineke uitstapt, weet ze het weer. Een pedagogische mijmering: ‘Het doet ertoe dát we en hóe we genoemd worden.’

Ik voel hoe mijn volgepropte rugzak van links naar rechts over mijn rug springt. Ik maak me belachelijk en dat zal me worst wezen, als ik die bus maar haal! Een lichte rilling loopt over mijn rug want de chauffeur kijkt de andere kant op, en wat als ze nu de deur sluit en optrekt? Opgelucht zet ik mijn voet op de trede en houd tegelijkertijd mijn chipkaart voor de lezer. “Yes!” Onhandig stommel ik naar achteren en zak tevreden op mijn favoriete plek neer. Het liefst geef ik nu het sein ‘vertrekken’, want dit paard wil op stal. 

Mijn blik glijdt door de bus. Hé, daar is zij weer, kom hoe heet ze nou? Ze zat bij Vince in groep 3 en het jaar daarna in die speciale klas. Nu is ze een puber van… veertien? Vijftien? Vorige week stapte ze uit de bus waarin ik instapte, met de typische volle rugzak van een middelbare scholier en wekte ze mijn nieuwsgierigheid naar haar leven nu. Hè, waarom kan ik haar naam nou niet vinden? Hij past zo goed bij haar! Verdorie.

Terwijl er van binnen commentaar is op mijn geheugenzwakte, verplaatst het meisje zich na de volgende stop, naar de leeggevallen bank achter mij. Heel even heb ik de illusie dat zij mij heeft herkend, maar zij richt zich op haar oordopjes. Ik draai mijn hoofd om en spreek haar aan: “Hallo, ken je mij nog?” Ze leunt naar voren en kijkt me strak aan. “Hé, weet u mijn naam?”, vraagt ze en zonder een antwoord af te wachten: “Kent u mij dan?” 

Ik noem de naam van de school waar we elkaar hebben ontmoet. “O ja,” zegt ze, “daar ben ik in 2015 weggegaan. Maar wie bent u dan?” “Ik ben juf Tineke”. “Juf Tineke…” herhaalt ze vragend. “Ik heb jou nooit in de klas gehad, maar ik ken je wel”, licht ik toe. Het mag niet baten. Zij herkent mij niet. “Zit je nu in Gouda op school?”, probeer ik, want ik zou graag iets meer van haar huidige bestaan willen weten. “Ja”. Stilte. “Nou, nog een fijne dag.” Einde gesprek. Het is net of ik Siri van de iPhone hoor, eenzelfde correcte uitspraak, eenzelfde onpersoonlijk klinkende stem. 

Teleurgesteld stap ik 20 minuten later uit de bus en op hetzelfde moment komt haar naam naar boven! Zij heeft onderweg steeds een nieuwe openvallende plaats bemachtigd en zit nu achter de chauffeur. Ik draai me om en net voordat de deuren zich sluiten, groet ik haar: “Tot ziens, Nina.” Ze veert op en kijkt me met grote ogen aan. “Tot ziens”, echoot ze en ze draait haar hoofd nog even in mijn richting, terwijl de bus haar buiten mijn gezichtsveld brengt.

Onwillekeurig gaan mijn gedachten terug naar de tijd dat we onze dagen op dezelfde school doorbrachten, de contactmomenten op het plein en die keer dat haar vader me een lift gaf toen hevige sneeuwval het openbaar vervoer platlegde. Tot een jaar of twee geleden kwam ik haar weleens tegen in haar woonplaats en herkende ze mij als “jij bent toch ook van onze school?” Ik herinner me dat ik het toen pijnlijk vond dat ze me niet meer bij naam kende, omdat het contact daardoor oppervlakkiger aanvoelde. Hoe was dat nu voor haar dat ik haar naam niet kon vinden? Wat ging er in haar om op het moment dat ik haar naam noemde bij het verlaten van de bus? 

In het hoofdstuk ‘Pedagogisch contact’ in zijn boek Weten wat te doen wanneer je niet weet wat te doen, schrijft de Nederlands-Canadese pedagoog Max van Manen:

Het noemen van een naam, de manier waarop we namen onthouden en ze uitspreken, of de manier waarop we een leerling aanspreken kunnen zeker vormend zijn voor het scheppen van betekenisvol contact. En andersom: een slordige manier van met iemands naam omgaan kan het ook onwaarschijnlijk maken dat er nog respectvol contact zal ontstaan. (p.113)

Van Manen beschrijft een anekdote van het Chinees meisje Huixia, dat nieuw is in de klas en dat ziet hoe haar leraar met zijn enthousiasme de hele klas meekrijgt in groepsgesprekken en hoe hij binnen de kortste keren ieders naam weet. Behalve de hare. Hij ontwijkt het noemen ervan. Beweegt er altijd omheen. Misschien is hij bang het niet goed uit te spreken, misschien lukt het hem niet goed de naam te onthouden. Maar door het niet krijgen van een naam voelt het meisje zich ongezien – als persoon met een Chinese culturele achtergrond én als individu.

Als leerkracht frustreert het me erg dat het lang duurt voordat ik de namen van de kinderen ken en dat ik sommige namen blijf verwarren. De kinderen die niet bij (de juiste) naam genoemd worden, reageren er altijd op en soms heftig. Twan (7 jaar) die ik heel vaak aansprak als Stan, verbeterde me altijd maar nadat ik me ervoor had geëxcuseerd en hij besefte dat ik echt mijn best deed, glimlachte hij erbij. Kai (9 jaar) die me sinds een halfuur kende, stond briesend van woede voor me met zijn handen tot vuisten gebald en schreeuwde: “Ik heet Káí en ik zit in groep 5/6! Ik vermoed dat hij te welopgevoed was om te schelden maar dat het pijn deed om verkeerd te worden aangesproken, was heel duidelijk.

Uit mijn eigen lagere schooltijd herinner ik me hoe pijnlijk het was om in de hoogste groepen bij mijn achternaam te worden aangesproken, te meer daar de intonatie, voor mijn gevoel altijd, iets negatiefs bevatte over het gezin waarin ik opgroeide. In de familie is de gewoonte ingesleten om me met de naam van mijn zusje aan te spreken, terwijl we – tot voor een paar jaar – niet bepaald op elkaar leken. Ik merk het altijd op wanneer mensen me bij mijn voornaam noemen als ze me groeten, bedanken en zelfs als ze me appen. Het voelt als een bevestiging dat ze mij zien en horen en ik denk dat dat ook voor onze leerlingen van groot belang is. Het doet ertoe dat we en hoe we genoemd worden. Zoiets liet Nina me weer eens zien, al gebeurde dat toen de busdeuren zich sloten.

Tineke Spruytenburg

Tineke Spruytenburg is met vroegpensioen, maar valt nog regelmatig in als leerkracht in het basisonderwijs. Ze is verder onder andere actief in de tiny house movement. Deze anekdote schreef Tineke voor een NIVOZ-workshop fenomenologisch schrijven en pedagogische tact.

 

Reacties

0
Login of vul uw e-mailadres in om op de hoogte te blijven van reacties op uw reactie


Er zijn nog geen reacties
Delen:
Op de hoogte blijven?
Schrijf je in voor de nieuwsbrief