Stichting Nivoz logo
Sterkt leraren, schoolleiders en betrokkenen bij de uitvoering van hun pedagogische opdracht

Nivoz platform hetkind

Zijn wij een goed gezel-schap? Binnen onze organisatie, de school, als docententeam?

28 januari 2021

Een goed gezelschap. Wat is dat? Zijn wíj een goed gezel-schap? Binnen onze organisatie, als school, ons docententeam? Of als klas met leerlingen? En hoe word je dat dan? Het waren vragen die NIVOZ-collega Rob van der Poel zichzelf stelde na het lezen van onderstaand essay van Harry Kunneman.

In de HKU-werkplaats Muzisch Onderzoek cirkelde ik met 18 andere professionals – uit voornamelijk onderwijs, zorg en de kunsten - een ochtend met Kunneman om diens tekstbijdrage. Diens artikel gaat over waardenwerk, gezelschappelijkheid en ‘knetteren’ , maar vooral ook over de uitnodiging om samen -  spelenderwijs langs muzische vormen - nieuwe 'professionele' gezichten, verbindingen en 'normatieve' betekenissen te ontdekken. Zoals gezellen dat met elkaar doen.

Onderstaand artikel van Harry Kunneman maakt onderdeel uit van het boek In goed gezelschap en komt voort uit een samenwerkingsverband tussen een aantal (oud-)lectoren, die betrokken zijn bij de theorie en de praktijk van normatieve professionalisering. Het is een uitgave van SWP i.s.m. stichting Waardenwerk. Luister ook de NIVOZ-podcast met Bart van Rosmalen.


Het is donderdag in de namiddag. Onze groep is bij elkaar gekomen in een gebouw van de Hogeschool voor de Kunsten in Utrecht, in de buurt van het Centraal Station. Sinds ik in 2018 afscheid heb genomen als hoogleraar bij de Universiteit voor Humanistiek, verleent Bart van Rosmalen ons hier gastvrijheid. Bart is enkele jaren geleden bij mij gepromoveerd op een inspirerend boek over ‘muzische professionalisering’ en werkt als lector bij de HKU.

We zitten in een vergaderzaal waar normaal het bestuur en het managementteam vergaderen, rond een grote ovalen tafel van donker hardhout, en we zijn intensief aan het werk. Onze groep bestaat uit zo’n vijftien lectoren die betrokken zijn bij de theorie en de praktijk van normatieve professionalisering, het thema dat mij al dertig jaar fascineert en voortstuwt. De laatste tijd is er een belangrijke verschuiving opgetreden in onze werkwijze. Waar we voorheen vooral eigen teksten inbrachten en over de inhoud daarvan discussieerden, proberen we de laatste jaren gebruik te maken van de ‘muzische’ werkvormen die Bart samen met de leden van zijn lectoraatskring ontwikkelt en in praktijk brengt. Zo ook nu.

Ieder van ons schrijft een korte brief aan een van de leden van de groep, wiens bijdrage aan het rondje waarmee we begonnen zijn een eigen snaar heeft geraakt. Daar nemen we ruim de tijd voor. Vervolgens lezen we om de beurt aan elkaar voor wat we opgeschreven hebben, gevolgd door enkele spontane reacties.

Nu ik hier verslag van doe, realiseer ik me hoe belangrijk de stilte is die met het schrijven van onze brieven gepaard gaat. Die stilte nodigt uit om te vertragen, om te heroverwegen en om al schrijvend te laten verschijnen wat er echt toe doet. De ervaring dat we allemaal in stille concentratie aan het schrijven zijn, helpt om het dikke-ik en het angstige zelf tot bedaren te brengen en versterkt het verlangen om iets bij te dragen dat het leerproces van de groep verder helpt. De schrijfoefening doet een appel op ons vermogen om elkaar te vergezellen in een zoektocht waar geen van ons bij voorbaat de uitkomst van weet. Een zoektocht waar geen van ons de controle over heeft of neemt, maar waar we allemaal actief bijdragen.

De ervaring dat we allemaal in stille concentratie aan het schrijven zijn, helpt om het dikke-ik en het angstige zelf tot bedaren te brengen en versterkt het verlangen om iets bij te dragen dat het leerproces van de groep verder helpt.''

De ervaring van een open verbondenheid die we samen oproepen, wordt versterkt door enkele improvisaties van Bart op zijn cello, een prachtig instrument dat hij altijd bij zich heeft. Met de intensiteit van zijn improvisaties voegt Bart een emotionele betekenislaag toe aan het thema dat we aan het verkennen zijn. Daarmee doet hij ook een soort losheid voor die ons helpt om zelf losser te worden.

Zo ook vandaag. Sommigen van ons bewegen net als ik een beetje mee met zijn muziek. Op een gegeven moment begin ik zachtjes mee te trommelen met het ritme van zijn muziek op de houten tafel. Thuis heb ik lange tijd een elektronisch drumstel gehad waarop ik vooral spanningen weg drumde, maar soms ook ontspannend meegenomen werd door een intensief ritme. Een paar jaar geleden heb ik dat ingeruild voor bongo’s, waarop ik ritmes verken die me intrigeren. Anders dan Bart, die ook in technisch opzicht virtuoos musiceert, is mijn techniek zeer matig, maar dat doet er deze middag niet toe. Als ik wat enthousiaster begin mee te trommelen loopt Bart al doorspelend op zijn cello naar me toe en versterkt hij het ritme dat ons meeneemt. We brengen dat tot een climax, en als we stoppen valt er een stilte in het zaaltje die we samen in laten dalen.

Normatieve professionalisering

Zo’n tien jaar geleden heb ik een aantal lectoren aan Nederlandse Hogescholen uitgenodigd om een aantal keren per jaar samen te komen op de Universiteit voor Humanistiek, om samen na te denken over normatieve vragen in ons eigen onderwijs en onderzoek. Mijn uitnodiging had verschillende achtergronden.

Het hart van normatieve professionalisering is voor mij het bevorderen en voeden van reflexieve praktijken met betrekking tot de normatieve inhoud van professioneel handelen. (1) Deze koppeling tussen de begrippen ‘normatief’ en ‘professioneel’, staat haaks op de nog steeds dominante opvatting dat het handelen van professionals gebaseerd moet zijn op bewezen kennis en op technische competenties. Professionals dienen zich in dit dominante perspectief strikt te onthouden van normatieve ‘stellingnames’. Daarmee worden echter de verschillende vormen van normativiteit die feitelijk in professioneel handelen met elkaar verstrengeld zijn aan het oog onttrokken. Ik noem er drie.

In de eerste plaats de invloed die de persoonlijke achtergrond en biografie van professionals uitoefenen op hun werk, in het bijzonder de doorwerking van hun impliciete normatieve overtuigingen op de inhoud en relationele kwaliteit van de relaties die zij aangaan met degenen voor wie zij werken. Een simpel voorbeeld daarvan uit mijn eigen professionele praktijk als beginnend docent aan de Centrale Interfaculteit in Amsterdam medio jaren zeventig. Er was toen nauwelijks aandacht voor de didactiek van het universitair onderwijs.

Ik werd als beginnend docent min of meer in het diepe gegooid, vanuit het idee dat onderwijs vooral uit het overdragen van inhoudelijke kennis bestond. Hoe te beoordelen en hoe dat goed te doen, moest ik zelf uitvinden. Dat ging niet zo goed. De eerste jaren had ik de neiging om mijn studenten allemaal een hoog cijfer te geven. Terugkijkend denk ik dat ik hen de teleurstelling van een lager cijfer wilde besparen, vanuit mijn eigen behoefte aan erkenning als een ‘fijne’ docent. Door ze een hoog cijfer te geven, vermeed ik de lastige confrontatie met hun teleurstelling en incasseerde ik hun dankbaarheid. Het heeft me een aantal jaren gekost om tot me door te laten dringen dat ik hen daarmee een belangrijk element van hun leerproces onthield: een eerlijk en onomwonden oordeel over hun eigen vorderingen en lacunes.

De eerste jaren had ik de neiging om mijn studenten allemaal een hoog cijfer te geven vanuit mijn eigen behoefte aan erkenning als een ‘fijne’ docent. Daarmee vermeed ik de lastige confrontatie met hun teleurstelling en incasseerde ik hun dankbaarheid.''

Deze eerste, persoonsgebonden vorm van normativiteit in professioneel handelend is verstrengeld met een tweede vorm, die verbonden is met de macht die professionals op microniveau uitoefenen over het denken en handelen van studenten, patiënten, cliënten, klanten en burgers. Die macht treedt aan het licht in alle vormen van classificeren, normeren, categoriseren, beoordelen en beslissen die met name in mensgerichte beroepen een centrale rol spelen. Hij is verstrengeld met de kennis van professionals en met de professionele waarheid die zij in beheer hebben en uitoefenen. Hij is verstrengeld met hun ‘waarheidsmacht’ zoals Foucault zegt. Waar Foucault echter alle aandacht richt op de ’normaliserende’ werking van de macht die professionals uitoefenen, omvat de normativiteit van het handelen van professionals voor mij niet alleen de persoonlijke ‘ruis’ die ze inbrengen en de macht die ze uitoefenen.

De persoonsgebonden macht treedt aan het licht in alle vormen van classificeren, normeren, categoriseren, beoordelen en beslissen die met name in mensgerichte beroepen een centrale rol spelen.''

Even belangrijk voor de normatieve inhoud van professioneel handelen is de eigen verhouding van professionals tot de morele en politieke vragen die expliciet en impliciet verbonden zijn met hun werk. Zowel de morele en politieke vragen die verbonden zijn met de specifieke inzet van hun beroep, als de vragen die verbonden zijn met de ‘missie’ van de instituties en organisaties waarbinnen zij werken.

De eigen verhouding van professionals tot die vragen, is de derde gedaante van normativiteit in professioneel handelen. In zijn invloedrijke proefschrift over normatieve professionalisering bij de Nederlandse politie, vat Jan Nap deze morele en politieke vragen samen in het intrigerende begrip ‘macht ten goede’. Professionals oefenen hoe dan ook macht uit. De vraag of die macht ten goede werkt of niet, kunnen zij tot op zekere hoogte ‘uitbesteden’ aan hun beroepsvereniging, aan hun leidinggevenden of aan het management. Maar in hun dagelijkse werk komen zij ook in situaties terecht waarin zij die vraag zelf moeten beantwoorden: kunnen zij de normen voor ‘goed werk’ die in hun beroepsgroep gelden en de koers die ‘hun’ organisatie volgt in moreel opzicht onderschrijven en probleemloos toepassen, of zou in deze specifieke situatie het klakkeloos toepassen daarvan niet goed zijn?

Professionals oefenen hoe dan ook macht uit. De vraag of die macht ten goede werkt of niet, kunnen zij tot op zekere hoogte ‘uitbesteden’. Maar in hun dagelijkse werk komen zij ook in situaties terecht waarin zij die vraag zelf moeten beantwoorden.''

Jan Nap geeft het voorbeeld van een wijkagent die in de achtertuin van een werkloze jongere in zijn wijk, die al eerder met justitie in aanraking is geweest, een splinternieuwe scooter ziet staan. Die constatering biedt hem volgens geldende normen voor goed politiewerk een reden om nader onderzoek te doen en de jongen in kwestie eventueel aan te houden op verdenking van diefstal. De wijkagent in kwestie heeft het sterke vermoeden dat die verdenking bij nader onderzoek gegrond zal blijken te zijn en is bang dat die jongen definitief op het criminele pad zal belanden wanneer hij veroordeeld gaat worden. Hij besluit eerst met diens moeder te overleggen die toevallig thuis is, en kiest dan voor een andere koers: hij duwt de scooter naar een nabijgelegen plantsoen en belt vervolgens zijn collega’s dat hij een vermoedelijk gestolen scooter onbeheerd heeft aangetroffen. Onzichtbaar voor de politieleiding oefent hij zo zijn professionele macht naar eigen oordeel ‘ten goede’ uit, tegen de morele horizon van de politieorganisatie: het bevorderen van een veilige en rechtvaardige samenleving.

Ik denk dat de morele en politieke vragen die door dit voorbeeld gelustreerd worden, in een breed scala van beroepen en organisaties aan de orde zijn, variërend van managers en financieel specialisten bij grote bedrijven, tot verzorgenden in verpleeghuizen, sociaal werkers in wijkteams, specialisten in ziekenhuizen, leraren in het onderwijs en softwareontwikkelaars in de ICT-sector.

Wanneer normatieve professionaliteit langs deze lijnen begrepen wordt als aanduiding van de feitelijke verstrengeling van professionaliteit en normativiteit in verschillende gedaantes, dan is meteen duidelijk hoe belangrijk normatieve leerprocessen zijn aan de kant van professionals. De kernvraag vanuit ‘het NP-perspectief’, is dan hoe normatieve professionalisering vorm te geven, als voortgaand kritisch en reflexief leerproces ten aanzien van de normatieve inhoud van professionele kennis en professioneel handelen, met het oog op goed werk, in de dubbele zin van werk dat deugt en deugd doet.

Twee ontwikkelingen

De leden van onze groep waren allemaal vertrouwd met de hoofdlijnen van dit gedachtengoed en hadden daar zelf via eigen publicaties aan bijgedragen. Desalniettemin waren we er niet goed op voorbereid dat we onderling zouden stuiten op een variant van de problematiek die ons bij elkaar had gebracht. Achteraf gezien gingen we er stilzwijgend vanuit dat we voldoende toegerust waren om samen een goed leerproces gestalte te geven, op grond van de aanzienlijke inhoudelijke deskundigheid die in de groep beschikbaar was en op basis van onze gedeelde betrokkenheid op het praktisch vormgeven aan normatieve professionalisering in onze eigen beroepspraktijk. Maar dat bleek niet het geval te zijn.

Om elkaar deelgenoot te maken van onze achtergronden en van elkaars inzichten te kunnen leren, hadden we besloten om tijdens onze periodieke bijeenkomsten lectorale redes en exemplarische artikelen van de deelnemers te gaan bespreken, volgens het klassieke recept van een inleiding door de betrokkene, gevolgd door een of twee korte co-referaten en een open discussie. Dat was meestal interessant, maar het schoot niet echt op. Er waren gemiddeld zo’n vijftien deelnemers, allemaal deskundig en eigenwijs. Vaak belandden we in een discussie in plaats van samen een echt gesprek te voeren. Ook al waren we allemaal op conceptueel niveau vertrouwd met het onderscheid van Donald Schön tussen vragen op de hoge grond en onzeker makende vragen in de moerassige laaglanden, toch bleven we doorgaans op de veilige hoge grond van onze overtuigingen en opinies en wisselden we die uit, met meer of minder herkenning en erkenning. Waar we onzeker werden of in de buurt kwamen van ‘plekken der moeite’ in onze eigen persoon of van onze kompanen daar haakten we af, daar gingen we onszelf herhalen, of op onze strepen staan, of trokken we ons terug in afwezige aanwezigheid.

Waar we onzeker werden of in de buurt kwamen van ‘plekken der moeite’ in onze eigen persoon of van onze kompanen daar haakten we af, daar gingen we onszelf herhalen, of op onze strepen staan, of trokken we ons terug in afwezige aanwezigheid.''

Terugkijkend op de afgelopen jaren, stelden twee in elkaar hakende ontwikkelingen ons in staat om daar verandering in te brengen. De eerste betrof de verrijking van het NP- perspectief met de begrippen ‘waardenwerk’ en ‘gezelschapsvorming’. De tweede kwam voort uit de verandering die Bart van Rosmalen spelenderwijs opriep in de werkwijze van onze groep met behulp van zijn cello en zijn muzische kundigheid. Het boek ‘In goed gezelschap’ – een uitgave van SWP, zie tekst onder dit artikel - is voortgekomen uit de nieuwe energie die tussen ons ontstond vanuit het samenkomen van deze twee ontwikkelingen. In het vervolg van dit artikel geef ik een korte schets van beide ontwikkelingen, mede om eigen recente gedachten daarover te ordenen, gevolgd door een blik op de verschillende bijdragen aan dit boek.

Normatieve professionalisering en waardenwerk

Toen de Universiteit voor Humanistiek in 2012 besloot om haar steun aan het Tijdschrift voor Humanistiek stop te zetten, heb ik samen met een aantal kompanen besloten om dit tijdschrift, dat ons na aan het hart lag, zelfstandig voort te zetten. (2) In datzelfde jaar hadden wij op de Universiteit voor Humansitiek een conferentie georganiseerd over het boek The Craftsman van Richard Sennett en was het proefschrift van Jan Nap over ‘goed politiewerk’ verschenen. (3) Beide boeken hielpen ons om de relatie tussen normatieve professionalisering en de concrete inhoud van werk, de ‘materialiteit’ ervan zoals Sennett zegt, meer op de voorgrond te plaatsen en beter te doordenken.

Tegen die achtergrond kozen wij tenslotte voor ‘Waardenwerk’ als nieuwe naam voor het tijdschrift. In een Redactioneel uit 2016 omschrijf ik de strekking van dat begrip als volgt. “In algemene zin begrijpen wij waardenwerk als het praktisch gestalte geven aan waardevol werk (professioneel en vrijwillig) in een concreet maatschappelijk domein, tegen de morele en politieke horizon van een rechtvaardiger en duurzamer samenleving. Gezien in het licht van de maatschappelijke druk om resultaatgericht en efficiënt te werken, zonder lastige vragen te stellen over de waarden die daarmee gediend worden of daardoor ondermijnd worden, is waardenwerk intern verbonden met normatieve professionalisering. Dat wil zeggen: met het steeds weer aan de orde stellen en dialogisch onderzoeken van de vraag naar goed werk, werk dat deugd en deugd doet.

Waardenwerk steunt echter niet alleen op kritische reflectie en dialoog, maar is ook gericht op en afhankelijk van ‘gezelschapsvorming’. Daaronder verstaan wij het actief bijdragen aan het floreren van gezelschappen waarin op basis van ambachtelijkheid, leerzame wrijving en zorgzame betrokkenheid werk gestalte krijgt dat deugd en deugd doet. Waardenwerk heeft zogezien twee onderling verbonden en van elkaar afhankelijke gedaantes: enerzijds een reflexieve en dialogisch-argumentatieve gedaante, anderzijds een werkgerichte, ambachtelijke gedaante die bijdraagt aan gezelschapsvorming en daar op zijn beurt door gevoed wordt.” (4)

Verrijking

In deze omschrijving van waardenwerk komt de verrijking van het normatieve professionaliserings-perspectief die dit begrip met zich meebrengt duidelijk naar voren. In het NP-perspectief ligt de nadruk op het bevorderen en voeden van reflexieve praktijken met betrekking tot de normatieve inhoud van professioneel handelen. Die reflectie betreft de ethische, morele en politieke vragen die op verschillende niveaus verbonden zijn met de normatieve inhoud van professioneel handelen. Om die vragen stem te geven en daar passende antwoorden op te vinden, zijn conceptuele en narratieve hulpbronnen onontbeerlijk, in het bijzonder ook ervaringsverhalen van de betrokkenen zelf waarin datgene wat in hun werk op het spel staat oplicht. Via het begrip waardenwerk wordt die reflexieve verhouding tot de normatieve inhoud van professioneel handelen verrijkt met het ‘relatie-stichtende vermogen’ van goed, ambachtelijk werken. Dat vermogen speelde ook in het NP-perspectief een rol, maar komt nu expliciet op de voorgrond te staan in de gedaante van de gezelschapsvorming die door ambachtelijk werk opgeroepen en gevoed wordt.

Voortbouwend op de inspirerende analyses van Richard Sennett (5), onderscheid ik binnen dit relatie-stichtende vermogen twee samenhangende componenten die elkaar (als het goed gaat) versterken (6). De eerste component betreft de dialogische relatie met het ‘materiaal’ of vraagstuk dat in bewerking genomen wordt, of het nu gaat om goed meubel-maken, goed cellospelen, goed programmeren of goed lesgeven. In Sennett’s analyse van deze relatie treft mij met name de luisterende, ‘vernemende’ kant die ambachtelijk werk altijd ook kenmerkt. Dat ‘vernemend leren’ is in mijn ervaring bepalend voor de fascinatie die met ambachtelijk werk verbonden is en voor de bescheidenheid die met de ontwikkeling van ambachtelijkheid gepaard gaat, het besef dat je niet alleen iets maakt, maar in dat maken vooral ook ontvangt. Een sprekend voorbeeld daarvan vond ik in het prachtige boek Zin in werk van Peter Steenhuis en Marcel Prins.

Dit boek is gebaseerd op de gelijknamige serie artikelen in het dagblad Trouw en laat volgens de auteurs zien “dat er poëzie schuilt in de meest uiteenlopende beroepen, ook in werkzaamheden die doorgaans niet als poëtisch te boek staan”. (7) In deze omschrijving klinkt voor de oorspronkelijke Griekse betekenis van ‘poiesis’ door: maken, tot stand brengen. Om de vernemende en ontvangende kant van ambachtelijke maakprocessen te verhelderen en het belang van geduld daarvoor toe te lichten, kies ik uit de grote rijkdom aan bondige interviews die dit boek te bieden heeft, een fragment uit het gesprek met de vertaalster Boukje Verheij.

“Ik vind het vreselijk als ik geen vertaling onder handen heb. Dat gebeurt bijna nooit, ik val van het ene boek in het andere. Het is heerlijk om te weten dat er op mijn werkkamer woorden op mij liggen te wachten. Nu werk ik aan Mrs Dalloway van Virgina Woolf, een roman uit 1925 over een dag in het leven van Clarisssa Dalloway, in het Londen van even na de eerste wereldoorlog. Ik blijf maar worstelen met twee zinnen van drie woorden: “What a lark! What a plunge!”...

Er zit iets avontuurlijks in dat woord ‘lark’. In plat Nederlands zou je zeggen ’Lachen man’, of letterlijk vertaald: ‘Wat een giller!”. Maar dat past niet bij Mrs Dalloway, en ook niet in het ritme van de zin. Omdat ‘plunge’ duik is, zoek ik voor ‘lark’ ook een kort woordje. ‘Lark’ – een heerlijk woord! En ik kan er niets voor vinden in het Nederlands.’

Na deze prachtige beschrijving van haar fascinatie voor haar vak, besluit zij het gesprek met drie zinnen die voor mij precies formuleren wat ik bedoel met het vernemende en ontvangende karakter van ambachtelijk werken en met het vertrouwensvolle geduld dat daarvoor nodig is, de bereidheid om vertraagd te worden.

“Ik blijf erover nadenken” zegt Boukje Verheij. “: als ik onder de douche sta, op de fiets zit, met mijn man aan de afwas over dit vertaalprobleem spreek. Totdat ik het ineens weet.” (8)

Inderdaad, zo gaat het! Ik herken deze ervaring vanuit mijn eigen voortgaande zoektochten. Die ervaring is voor mij intern verbonden met een vorm van bescheidenheid die mij op mijn beste momenten bevangt. Hoe meer ik van mijn vak denk te weten en te begrijpen, hoe meer ik dan besef wat ik nog niet weet en wat ik nog allemaal zou kunnen vernemen en lerend ontvangen. Vanuit mijn huidige zoektocht rond duurzaam werken en samenwerken, fantaseer ik soms over een tweede leven waarin ik mij als student en onderzoeker grondig zou kunnen verdiepen in de levenswetenschappen en van dichtbij en langdurig kennis kan maken met de bestaanswijze van andere levensvormen, om van daaruit alle filosofische theorieën en perspectieven waarmee ik als filosoof en socioloog in dit leven vertrouwd ben geraakt opnieuw te doordenken en verder te brengen. Ik weet dat dat niet gaat gebeuren, maar de fantasie zelf is al fijn.

Daarmee kom ik bij de tweede component van het relatie-stichtende vermogen van ambachtelijk werken. Die blijft in het boek van Peter Steenhuis en Marcel Prins op de achtergrond, maar is in mijn ogen minstens zo belangrijk voor het begrijpen en doen van waardenwerk. Het gaat hier om het aanleren, overdragen en samen verder brengen van een vak. Om je een ambacht eigen te kunnen maken, is het noodzakelijk om de beginselen en de kneepjes daarvan te vernemen van ‘gezellen’ die dit vak al verstaan. Gezellen die niet alleen de techniek beheersen, maar ook de zoekende, vernemende en vertragende relatie met het materiaal of het vraagstuk in kwestie vóór kunnen doen, en die in staat zijn om de eigen fascinatie met het vak over te dragen. Een aansprekend voorbeeld daarvan biedt het ‘Tristan-moment’ dat Bart van Rosmalen in zijn proefschrift beschrijft: het moment waarop een van zijn docenten tijdens een examen over een complex muziekstuk, de boeken en partituren van tafel veegt en de compositie in kwestie op de piano voluit gaat spelen, begeleid door luide commentaren en uitroepen.

Om je een ambacht eigen te kunnen maken, is het noodzakelijk om de beginselen en de kneepjes daarvan te vernemen van ‘gezellen’ die dit vak al verstaan. Gezellen die niet alleen de techniek beheersen, maar ook de zoekende, vernemende en vertragende relatie met het materiaal of het vraagstuk in kwestie vóór kunnen doen.''

Dit voorbeeld illustreert dat de niet-eindigende ontwikkeling van ambachtelijk werk enerzijds gedragen wordt door horizontale, ‘gezelschappelijke’ relaties tussen mensen, maar anderzijds dergelijke relaties ook oproept en bekrachtigt. Zogezien berust het relatie- stichtende vermogen van ambachtelijk werken op een kringloop, een positieve feedback lus.

In de Nederlandse taal komt die terugkoppelingslus tot uitdrukking in de verbindingen tussen het begrip ‘gezel’ - in de zin van iemand die een vak verstaat - aan de ene kant en de begrippen ‘vergezellen’ en gezelschap’ aan de andere kant. Hetzelfde geldt voor de Engelse begrippen ‘fellow’ en ‘fellowship’. In beide talen verwijst ‘goed gezelschap’ naar beide componenten van het relatie-stichtend vermogen van ambachtelijk werken en brengt het de kringloop daartussen tot uitdrukking.

‘Goed gezelschap’ heeft zowel betrekking de dialogische en vernemende verhouding tot het materiaal of vraagstuk in kwestie als op de horizontale, ‘gezelschappelijke’ relatie tussen degenen die samen werk proberen te doen dat deugt en deugd doet. Goed gezelschap in deze dubbele, ‘terugkoppelende’ zin is de voedingsbodem voor het vormen van gezelschappen bestaande uit op elkaar betrokken gezellen (en aanstaande gezellen), die elkaar vertrouwen en zorgzaamheid betonen, maar ook leerzame wrijving aan durven te gaan, die anders gezegd goed durven en kunnen ‘knetteren’ met elkaar als dat nodig is voor het samen tot stand brengen van werk dat deugt en deugd doet.(9)

Goed gezelschap is de voedingsbodem voor het vormen van gezelschappen bestaande uit op elkaar betrokken gezellen (en aanstaande gezellen), die goed durven en kunnen ‘knetteren’ met elkaar als dat nodig is voor het samen tot stand brengen van werk dat deugt en deugd doet.''

Dat knetteren is in meerdere opzichten van groot belang. Aan het slot van de vorige paragraaf heb ik gesteld dat waardenwerk twee onderling verbonden en van elkaar afhankelijke gedaantes kent: enerzijds een reflexieve en dialogisch-argumentatieve gedaante, anderzijds een werkgerichte, ambachtelijke gedaante die bijdraagt aan gezelschapsvorming en daar op zijn beurt door gevoed wordt. Op basis van het voorafgaande, kan ik hier nu aan toevoegen dat deze twee gedaantes elkaar ook ‘op spanning’ houden. Gezelschappen van goed samenwerkende gezellen kunnen ook zelfgenoegzaam worden, zich naar binnen keren en naar ‘buiten’ toe vooral op het behartigen van het eigen beroep en de eigen kunde gericht raken. Dan doet het vak vooral het gezelschap zelf deugt en raken wijdere maatschappelijke vragen rond rechtvaardigheid en duurzaamheid op de achtergrond of spelen zelfs nauwelijks een rol meer.

Vanuit de ethisch-reflexieve gedaante van waardenwerk kan dat ‘naar binnen keren’ worden tegengegaan, door steeds weer de wijdere, ethische, morele en politieke vragen aan de orde te stellen die met de normatieve inhoud van professioneel handelen verbonden zijn en kunnen inhoudelijke hulpbronnen in het spel gebracht worden die helpen om daar in leerzame onderlinge wrijving passende antwoorden op te vinden. Omgekeerd houdt de gezelschapsvormende gedaante van waardenwerk de ethisch-reflexieve gedaante onder spanning, door de abstraherende en generaliserende dynamiek van concepten en argumentatielijnen steeds weer terug te buigen naar de concrete materialiteit van het werk en naar de relaties tussen degenen die samen werk proberen te doen dat deugd en deugt doet.

Muzische verbinding

Tegen deze achtergrond kan ik nu proberen aan te geven wat in mijn beleving de betekenis is geweest van de muzische werkvormen die Bart van Rosmalen heeft ingebracht voor de geleidelijke ontwikkeling van onze groep tot een gezelschap. Uitgedrukt in termen van de spanning tussen de twee verschillende gedaantes van waardenwerk – kortweg kritische reflexiviteit en gezelschapsvorming - hielp het muzisch werken ons om die twee gedaantes intern met elkaar te verbinden. Doordat we samen aan het werk gingen, samen dingen gingen doen, zoals een brief aan elkaar schrijven, of intensief naar Bart’s improvisaties luisteren of zelf daaraan meedoen, konden we de zuigkracht van abstraherende, primair conceptuele en ‘discussie-oproepende’ vormen van reflectie weerstaan en in het hier-en-nu van het maakproces komen. Daarmee kregen we ook beter toegang tot een ervaringsregister dat in redeneringen en discussies doorgaans op de achtergrond blijft, namelijk geraakt worden door schoonheid: door de klank van de cello, door een bijzonder akkoord, door de intensiteit die Bart in zijn spel legt, door een treffende of troostrijke formulering in een van onze brieven, of door de emoties in het gezicht van een lid van ons gezelschap wanneer die woorden kon geven aan iets dat haar diep raakte.

Daarmee kregen we ook beter toegang tot een ervaringsregister dat in redeneringen en discussies doorgaans op de achtergrond blijft, namelijk geraakt worden door schoonheid.''

Wanneer we er in slaagden om samen aan te raken wat ons diep aanging en daar samen door geraakt te worden, dan kregen onze reflecties en ons gesprek daarover ook meer diepgang. Dan luisterden we beter naar elkaar, kwamen er verrassende gedachten naar boven en naar voren, kon er af en toe een stilte vallen en konden we ook meer ruimte maken voor wat we allemaal niet zo goed begrepen, wat ons wel raakte, maar wat we niet doorgrondden. Een zekere ruimte ook voor pijn, verdriet en onmacht, voor het waar kunnen hebben van existentiële moerassigheid in ons aller leven. En tenslotte, in nauwe en verrassende verbinding met die moerassigheid: ruimte voor humor, voor echt lachen samen, om onszelf, om elkaar en om het leven.

In deze tastende formuleringen van de eigen relatie-stichtende werking van ambachtelijk werken en samenwerken, schemert een belangrijk kenmerk daarvan door dat het waard is om expliciet te benoemen. Het gaat hier om het tijdelijke, emergente karakter van de ervaring samen een goed gezelschap te vormen en daar zelf als goed gezel aan bij te dragen. Anders dan prestatienormen voor ‘goed werk’ waar je als professional aan gehouden kunt worden, gaat het bij waardenwerk en bij muzische werkvormen als ‘pokon’ daarvoor, om het emergeren van datgene waar het in de kern om gaat. Dat gebeuren laat zich niet dwingen of controleren en is juist daarom kostbaar en verrijkend.

In zijn masterthesis verheldert jazzpianist en conservatorium-docent Marc van Roon deze bijzondere ervaring aan de hand van reflecties van twee beroemde jazzpianisten op hun eigen werk: Keith Jarrett en Bill Evans. (10) Jarrett spreekt in een interview over ‘the center of the song’ als de plek en de ervaring waar hij met zijn trio al musicerend probeert te geraken: de plek waar het allemaal klopt, waar alle bijdragen elkaar versterken en ‘in elkaar vallen’ en een diepe emotionele intensiteit ontstaat, ook voor het publiek. Bill Evans en zijn drummer voegen daaraan toe dat zij dit ‘center of the song’ maar af en toe bereiken, ongeveer één op de dertig keer. Maar ze weten dat het kan, en daarom kunnen ze dit centrum samen blijven omcirkelen.

Ik vind dit ‘omcirkelen’ een heel fijne, bemoedigende metafoor, die resoneert met het actief en vertrouwensvol afwachten van Boukje Verheij totdat de vertaling voor het woord ‘lark’ haar uiteindelijk invalt. Het trio van Bill Evans kan de teleurstelling en de frustratie wanneer het minder gaat, of soms ook helemaal niet loopt, samen uithouden, omdat ze het ‘centrum van het lied’ samen beleefd hebben. Omdat zij - niet heel vaak, maar wel in een bepaald ritme - het centrum aangeraakt hebben en daar samen met hun publiek diepe verwondering, schoonheid en ‘muzische verbinding’ ervaren hebben.

Voor het waar maken van goed gezelschap is dit kunnen ‘omcirkelen’ van het centrum in mijn ervaring van groot belang. Vertrouwensvol blijven omcirkelen, ook als je op flinke afstand van het centrum van het lied bent geraakt, is iets heel anders dan permanent naar ‘excellentie’ en ‘meesterschap’ streven en alles wat daar niet bij in de buurt komt als slecht of mislukt werk te zien. Het is zonder twijfel noodzakelijk om in ambachtelijk zin naar goed gezelschap te streven, om samen met anderen af en toe ‘bij het centrum van het lied’ te kunnen geraken. Maar ambachtelijke vermogens en de voortgaande ontwikkeling daarvan zijn slechts de helft van het verhaal. De andere helft van het verhaal gaat over emergentie, over gebeuren of niet gebeuren, en brengt daarmee elementen in het spel als vertraagd worden, uithouden, vernemen, samenkomen en toevallen. (11)

Voor het waar maken van goed gezelschap is dit kunnen ‘omcirkelen’ van het centrum in mijn ervaring van groot belang. Vertrouwensvol blijven omcirkelen, ook als je op flinke afstand van het centrum van het lied bent geraakt, is iets heel anders dan permanent naar ‘excellentie’ en ‘meesterschap’ streven.''

Vanuit de omcirkelings-metafoor gezien, vraagt werk dat deugt en deugd doet dan ook om een flinke ‘bandbreedte’ waarbinnen het minder goed kan gaan, waarin het allemaal een beetje of zelfs flink tegenzit en waarin het centrum van het lied ver uit het zicht kan raken, zonder daarmee als horizon verloren te gaan.

Dat tegenzitten en uit het zicht raken kan vele oorzaken hebben. In mijn ervaring spelen ruis en gedoe op rationeel en persoonlijk niveau spelen daar vaak een belangrijke rol bij. Dat geldt ook voor ons gezelschap. Tussen sommige leden daarvan bestaat als vanzelf een klik, of is die klik in een aantal jaren van onderlinge samenwerking gegroeid en bevestigd. Tussen andere leden is sprake van een zekere afstand of zelfs van onderhuidse irritaties, die tot uitdrukking komen in schurende interacties. Wanneer het af en toe toch lukt om samen in de buurt van het centrum van het lied te komen, en onderling ervaren wordt dat iedereen zich binnen de eigen mogelijkheden oprecht ingespannen heeft en daar naar vermogen aan heeft bijgedragen, of zelfs verrassend ‘uit de hoek’ is gekomen, dan roepen (waargenomen en geprojecteerde) hebbelijkheden en uitglijders minder irritatie en teleurstelling op en ontstaat er meer ruimte om vreedzaam in plaats van bozig te begrenzen. Omgekeerd neemt daardoor de onzeker-makende prestatiedruk binnen het gezelschap af en  ontstaat er vertrouwen dat het onderling ‘wat kan lijden’. (12)

Hier ligt voor mij ook een belangrijk verschil tussen ‘deugdethiek’ als filosofische en praktische zoekrichting en ‘waardenwerk’. In veel gedaantes van deugdethiek gaat het om het bereiken van het juiste midden of om het steeds verder ontwikkelen van centrale deugden. Daartegenover biedt het streven goed gezelschap waar te maken met het oog op werk dat deugt en deugd doet, nadrukkelijk ook ruimte aan het gedoe en geklooi van mensen en tussen mensen. Niet alleen als een basso continuo van het menselijke bestaan, maar ook als een eigen toegang tot diepere verbindingen. Het werk van Jessica Benjamin heeft mij woorden gegeven voor de ervaring dat vreedzame begrenzing van mijn eigen gedoe en geklooi en het ‘binnenlaten’ van de waarheid die daarin oplicht, een eigen relatie-stichtend en relatie-versterkend vermogen hebben. Dat geldt zowel op het niveau van persoonlijke relaties als binnen gezelschappen.

Daarmee kom ik tot slot bij een belangrijke beperking van de omcirkelingsmetafoor voor het inhoud geven aan waardenwerk. Zowel voor jazzmusici die met elkaar goed gezelschap waarmaken als voor ons als ‘gezelschappelijk’ samenwerkende onderzoekers, zijn een heel scala van ‘hoge-grond-voorwaarden’ vervuld die maken dat we ons überhaupt op het emergeren van muzische verbinding kunnen richten. De moerassigheid waar wij mee vandoen hebben is primair professioneel en tot op zekere hoogte relationeel. Alleen aan de randen van onze samenwerking, worden wij geconfronteerd met existentiële moerassigheid, in de zin van lichamelijke, psychische en relationele problemen die mensen hulpeloos de diepte in dreigen te zuigen.

In mijn eigen levensgeschiedenis heb ik dat gevoel en de daarmee verbonden donkerte en uitzichtloosheid ervaren na de zelfdoding van mijn broer, maar ook in het donkere gat dat tien jaar geleden opdoemde toen het ernaar uitzag dat ik binnen enkele jaren zou overlijden aan een uitzaaiende kanker. In de confrontatie met dergelijke acute eindigheidsvragen, maakt het ‘centrum van het lied’ plaats voor een donker gat, voor ‘het gat van de wanhoop’, van het uitzichtloze lijden en het onherstelbare verlies. Het samen omcirkelen van een kostbare, hoopgevende en diep-verbindende ervaring, maakt dan plaats voor een heel andere ervaring en voor heel andere gevoelens: voor de ervaring naar een duister gat toegezogen te worden en voor de angst daar eenzaam en alleen in weg te zinken, voor nauwelijks te dragen pijn en onherstelbaar verlies als de laatste, onwrikbare waarheid van het leven.

In de nabijheid van een dergelijke duisternis, nemen waardenwerk en goed gezelschap een andere gedaante aan.''

In de nabijheid van een dergelijke duisternis, nemen waardenwerk en goed gezelschap een andere gedaante aan. De ambachtelijke poot van goed gezelschap kan dan nog steeds van groot belang zijn, in de zin van zien en doen wat er gedaan kan worden om diepe nood te lenigen. Maar vaak genoeg valt er nog maar weinig of zelfs helemaal niets te verhelpen, omdat het verlies waar het om gaat onherstelbaar is. Dan komt een andere gedaante van goed gezelschap op de voorgrond te staan: de ander niet-alleen laten, bereid en in staat zijn om het duistere gat waar de ander in weg dreigt te zinken of zich al in bevindt zo dicht mogelijk te naderen en haar of hem niet alleen te laten in het gat van de wanhoop, maar diens pijn en de uitzichtloosheid van diens verdriet zelf waar te kunnen hebben.

Uit dat diepe aanvaarden van de waarheid van de wanhoop, kan soms een sprankje hoop oplichten: de hoop dat de wanhoop en de uitzichtloosheid niet de laatste waarheid van het leven zijn, zolang mensen elkaar daar niet alleen mee laten. Net zoals het aanraken van het centrum van het lied een emergent gebeuren is, zo is ook het oplichten van een sprankje hoop in het gat van de wanhoop een emergente gebeurtenis die radicaal aan maakbaarheid onttrokken is en mede daarom net zo kostbaar is als het raken van het centrum van het lied. (13)

Macht en rechtvaardigheid

Met deze verwijzing naar het gat van de wanhoop, verschijnen de morele en politieke vragen rond macht en onrecht die in het NP-perspectief een centrale plaats innemen opnieuw op het toneel. Zowel mondiaal als in ‘welvarende’ landen als Nederland, zijn zowel de kansen om naar het gat van de wanhoop toegezogen te worden als de hulpbronnen om die zuigkracht te weerstaan of de nabijheid daarvan uit te houden, zeer ongelijk verdeeld.

Gezelschappen van goed samenwerkende gezellen kunnen zelfgenoegzaam worden, zich naar binnen keren en naar ‘buiten’ toe vooral op het behartigen van het eigen beroep en de eigen kunde gericht raken.''

Hierboven heb ik gesteld dat gezelschappen van goed samenwerkende gezellen zelfgenoegzaam kunnen worden, zich naar binnen kunnen keren en naar ‘buiten’ toe vooral op het behartigen van het eigen beroep en de eigen kunde gericht raken. Wijdere maatschappelijke vragen rond rechtvaardigheid en duurzaamheid raken dan op de achtergrond of verdwijnen geheel uit zicht. In het NP-perspectief ligt de nadruk op de filosofische en narratieve hulpbronnen die kunnen helpen om die vragen stem te geven en het daarmee verbonden morele en politieke appel te versterken. Vanuit de verbreding van het NP-perspectief tot waardenwerk en de concretisering daarvan aan de hand van begrippen als goed gezelschap en muzische verbinding, kan aan dit ‘reflexieve tegenwicht’ een belangrijke versterking worden toegevoegd. Het gaat hier om ervaringen met het gat van de wanhoop in de eigen levensloop en die van nabije anderen en om het grote belang van goed gezelschap in het waar kunnen hebben, het uithouden en soms ook het leren van die ervaringen. (14)

Zogezien bestrijkt goed gezelschap en het waardenwerk dat vanuit en in goed gezelschap verricht kan worden het hele spectrum dat loopt van het centrum van het lied naar het gat van de wanhoop. Daarmee doemt ook een ander maatschappelijk ontwikkelingsperspectief op, dat niet meer in het teken staat van permante vooruitgang, maar gezelschappelijkheid over dit hele spectrum als morele en politieke horizon heeft. Ik denk dat deze perspectiefverschuiving kan bijdragen aan de eigentijdse gedaante van waardenwerk waar Eric van der Vet het begrip ‘ecologisch waardenwerk’ voor heeft gemunt. (15)

Gezelschappelijkheid en gezelschapsvorming verwijzen namelijk niet naar exclusief menselijke vermogens, maar hebben betrekking op vormen van relationele binding tussen levens wezens die ook bij veel andere soorten te vinden zijn. Zo gezien is een centraal onderdeel van ecologisch waardenwerk het bevorderen van gezelschapsvorming tussen mensen en andere levensvormen, mede vanuit respect en dankbaarheid voor het goede gezelschap van bomen, schimmels, insecten en vele andere levensvormen met wie wij de planeet aarde delen. Grosse modo zijn wij mensen voor veel levensvormen heel slecht gezelschap en drijven wij hen rücksichtsloos ‘het gat van de wanhoop’ in. Eigen ervaringen met de waarde van goed gezelschap tussen mensen kunnen een belangrijke voedingsbodem vormen voor ecologisch waardenwerk op persoonlijk, professioneel en organisatorisch niveau, met als horizon om als mensheid beter gezelschap te zijn voor alle levensvormen die ons op aarde vergezellen.

Harry Kunneman (1948) is emeritus hoogleraar sociale en politieke theorie aan de Universiteit voor Humanistiek, waaraan hij vanaf 1990 tot 2017 verbonden is geweest. Hij is hoofdredacteur van het tijdschrift Waardenwerk en actief lid van het gelijknamige gezelschap en werkt momenteel aan het derde deel van een trilogie over kritisch humanisme. 

In goed gezelschap: bestellen?

Het  boek is voortgekomen uit een samenwerkingsverband tussen een aantal (oud-)lectoren, die betrokken zijn bij de theorie en de praktijk van normatieve professionalisering. In de afgelopen negen jaar hebben zij zich geleidelijk ontwikkeld tot een gezelschap dat voor alle betrokkenen waardevol is. In deze bundel delen ze inzichten en zoekrichtingen waarvoor hun ‘gezelschappelijke’ samenwerking een vruchtbare voedingsbodem heeft verschaft.

Wat alle hoofdstukken en auteurs verbindt, is het verlangen in goed gezelschap werk te doen dat deugt en deugd doet. Wij hopen dat onze teksten dat verlangen bij anderen kunnen voeden en hen kunnen bemoedigen om zich uit te spreken over datgene wat hen in hun werk ten diepste beweegt, juist ook wanneer het allemaal niks lijkt te worden.

Bestel hier
 

Noten

1. De afgelopen vijftien jaar zijn er een groot aantal dissertaties, boeken en artikelen verschenen waarin de theorie en de praktijk van normatieve professionalisering - kortweg het NP-perspectief - vanuit verschillende invalshoeken zijn uitgewerkt. Zie voor een actueel en tamelijk volledig overzicht, opgesteld door Pieter Edelman: www.waardenwerk.nl

2. Gelukkig was Uitgeverij SWP bereid de uitgave van het Tijdschrift voor te zetten, onder auspiciën van de nieuwe opgerichte ‘Stichting Waardenwerk’.

3. Verwijzingen Sennett, Ethics of Craftsmanschip en Nap

4. Vgl, “Van de redactie”, In : Waardenwerk, Journal of Humanistic studies”, no.. 2016, p... (laatste zin aangepast, HK)

5. Dat geldt met name voor zijn boek The Craftsmans en in mindere mate voor zijn boek Together. Belangrijk voor ons is vooral zijn uitwerking van het kernidee dat al in The Craftsmans te vinden is, namelijk het eigen ‘relatie-stichtende’ vermogen van goed werk met en voor anderen. In Together besteedt hij echter nauwelijks aandacht aan een kernthema uit het NP-perspectief: het grote belang van leerzame wrijving, vreedzame begrenzing, waardig strijden en ‘goed knetteren’. Vgl. daarvoor b.v. hfst 8, 16 en 17 uit mijn boek Amor Complexitatis, SWP, Amsterdam 2017

6. De ambachtelijke component die primaire betrekking heeft op de omgang met het materiaal of vraagstuk in kwestie, kan zich ook verzelfstandigen en een doel op zich worden. Om die reden vermijd ik ook het begrip ‘meesterschap’: er zijn in mijn ervaring veel professionals die in ambachtelijke zin meesters zijn in hun vak, maar die voor hun gezellen en leerlingen vaak slecht gezelschap zijn. De terugkoppelings-lus tussen de twee componenten is dan verbroken.

7. Vgl. Peter Steenhuis en Marcel Prins, Zin in werk, Uitg. Lemniscaat, Rotterdam 2013, p. 285
8. Ibidem, p. 124/125
9. Ik ga hier voorbij aan een tweede, minstens zo belangrijke verrijking ten opzichte van het NP-perspectief die met het begrip waardenwerk verbonden is. Het gaat hier om alle vormen van waardenwerk die niet of alleen indirect verbonden zijn met professioneel werk, maar wel een belangrijke voedingsbodem kunnen zijn voor professioneel waardenwerk. Waardenwerk kan zo gezien ook de vorm hebben van waardenvol, gezelschap-bevorderend relatie-werk, opvoedingswerk, of ecologisch werk. Ook in deze gedaantes of registers van waardenwerk is in potentie sprake van een dialogische, vernemende relatie met het vraagstuk in kwestie en van de mogelijkheid te leren van anderen die het tot stand brengen van die relatie al min of meer verstaan. Ook hier is met andere woorden sprake van goed gezelschap dat goed gezelschap oproept.

10. Verwijzing thesis Marc van Roon, evt verwijzing naar Lesi-masterclasses..

11. Het kritische complexiteitsdenken biedt een aantal begrippen die helpen om dit emergeren en geburen van

12. Hier ligt voor mij een belangrijk verschil tussen ‘deugdethiek’ en ‘waardenwerk’ als filosofische en praktische zoekrichting. In veel gedaantes van deugdethiek gaat het om het bereiken van het juiste midden of om het steeds verder ontwikkelen van cruciale deugden. Waardenwerk biedt nadrukkelijk ook ruimte aan het gedoe en geklooi tussen mensen. Het streeft niet naar een hoge grond, maar richt zich op datgene wat bijdraagt aan het emergeren van ‘terpen in het moeras’.

13. Ik ga hier verder voorbij aan de intrigerende samenhang tussen het raken van het centrum van het lied en het ervaren hebben van het gat van de wanhoop. In het leven van veel jazzmusici (maar ook componisten, schrijvers en hulpverleners), is die samenhang duidelijk te zien.

14. In zijn recente proefschrift maakt Tom Peetoom zichtbaar dat die ervaringen voor zorgverleners die door anderen als steunend ervaren worden, als ‘dragers’ van goede zorg, zoals Peetoom zegt, een centrale rol spelen in hun vermogen anderen te helpen. Vgl. Peetoom, T. Herbergzame Zorg, Delft, Eburon 2018.

15. Vgl. Vet, E. van der, Homo Ecologicus, Cahier Waardenwerk no 1, SWP, Amsterdam 2018. Zie ook zijn inleiding bij de serie Ecologisch Waardenwerk: “Ecologisch waardenwerk voor beginners”, in: Waardenwerk, Nr. 76, 2019, p. 72-80 .

Reacties

0
Login of vul uw e-mailadres in om op de hoogte te blijven van reacties op uw reactie


Er zijn nog geen reacties
Delen:
Op de hoogte blijven?
Schrijf je in voor de nieuwsbrief