Stichting Nivoz logo
Sterkt leraren, schoolleiders en betrokkenen bij de uitvoering van hun pedagogische opdracht

Nivoz platform hetkind

‘Wat ik geleerd heb in het onderwijs: als je vertrouwen geeft, komt het met rente terug’

18 januari 2023

De onderwijspraktijk van natuurkundeleraar en filosoof Dick van der Wateren was er een van vragen stellen. Van een grondhouding van verwondering en nieuwsgierigheid aannemen, zeker ook als leraar. Op de NJPV-conferentie gaf Dick een druk bezochte workshop over hoe je komt tot een ‘denkende klas’: ‘Als je niet anders uit je onderwijs komt dan je erin bent gegaan, wat heb ik als leraar dan toegevoegd aan jouw leven en leren?’ Geert Bors sprak met hem.

Zwartsluis, 13 juni 2022. Om de hoek van een loods verschijnt Dick van der Wateren, hand in de lucht: ‘Goed je te zien!’ De koffiepauze van het werfpersoneel is net afgelopen. Terwijl Dick de weg wijst onder de romp van twee schepen door, komt een rij mannen in overall van een aluminiumtrap en hervat het werk. Met anderhalve zin – voor een leek amper te volgen vaktermen – heeft Dick uitgewisseld wat de prognose is van de klus waarvoor zijn schip hier voor een paar weken op het droge ligt. ‘Er wordt een boegschroef geïnstalleerd’, vertelt hij als we verder lopen. ‘Dat is een schroef die door een buis dwars door de voorkant van het schip loopt. Langzaam worden we wat ouder en met zo’n schroef kun je het schip gemakkelijk naar links of rechts sturen. Handig bij het aanmeren.’

Het is vreemd om de leraar en filosoof in de context van een werf aan het Overijsselse Zwarte Water te treffen, maar hij en zijn vrouw zíjn gewoon thuis: al 22 jaar vormt dit schip, dat meestal aan een kade in Amsterdam IJburg ligt, hun woning. Het dagelijks leven vindt voorin plaats. In het achteronder houdt Dick kantoor. Hier schrijft hij. Hier is zijn filosofische praktijk ‘De verwondering’. ‘Filosofie is het gesprek van de ziel met zichzelf’, citeert Dick Plato op zijn site, ‘en in mijn spreekkamer begeleid ik je bij dat gesprek.’ ‘Wat ik doe als filosofisch practicus, is vragen verhelderen, onderliggende aannames boven brengen, samen kijken wat de vraag onder de vraag is.’ Precies dat – een praktijk van goede vragen leren stellen aan jezelf en de wereld – open, creatief, helder, kritisch – vormde jarenlang de kern van zijn werk als leraar aardrijkskunde en natuurkunde. Hij schreef er de boeken Verwondering (2016) en De denkende klas (2020) over.

‘Weet je wat de vraag is die het meest gesteld wordt op de stoel waar jij nu in zit: wie ben ik? In de Griekse Oudheid stond al op de tempel van Delphi ‘Ken uzelf’. Het is de vraag die van wezenlijk belang is, voor een onderwijzer, maar ook voor een arts, een verpleegkundige of een ambachtsman. Meteen daarbij komt: hóe ben ik, wat wil ik?’ Zelf heeft Van der Wateren een boeiend carrièrepad gelopen: hij begon als leraar aardrijkskunde, maar vroeg na een paar jaar aan zijn rector of hij niet naar het vak natuurkunde mocht switchen. Ook werkte hij een tijd als meubelmaker en timmerman (‘bij het ambachtelijke van zo’n werf voel ik me thuis’). Na zijn eerste periode in het onderwijs werd hij onderzoeker en wetenschapsredacteur, om na twintig jaar weer terug te keren in het middelbaar onderwijs: van 2003 tot zijn pensionering in 2018 gaf hij natuurkunde aan het Eerste Christelijk Lyceum in Haarlem. ‘Maar ook nu nog kan ik het niet laten af en toe een tijdje voor de klas te staan. En daarnaast voer ik gesprekken met leerlingen die hun motivatie voor school kwijt zijn.’

Boeken. Filosofische gesprekken. Training van docenten. Je workshop over ‘verwondering’ bij de NJPV-conferentie. Hoewel je hier letterlijk op het droge ligt, valt jouw filosofische en pedagogische arbeid voorlopig zeker niet stil.
‘Dat is waar. Momenteel geef ik les aan de TU Delft, aan hoogleraren en andere universitaire docenten. De rode draad door die cursus is transformatief leren. Dat heeft de bedoeling om in je eigen onderwijs meer oog te krijgen voor ‘transformatieve ervaringen’ – momenten waarop je anders naar situaties leert kijken en een ander perspectief moet innemen.’

Hoe moet ik het me voorstellen dat jij docenten bij die momenten brengt?
‘Ik werk samen met een kunstenaar en in elke sessie stellen we de docenten bloot aan vervreemdende beeldende kunst, ongemakkelijke muziek als moderne opera, experimentele jazz of atonale twintigste-eeuwse klassieke muziek. Dat levert confronterende oefeningen op. Er is bijvoorbeeld een sessie halverwege, die we ‘Me, myself and I’ hebben genoemd: iedere docent kreeg een zwarte verhuisdoos met een kijkspleetje. Een kijkdoos waar achterin bijvoorbeeld zo’n vleselijk, getordeerd menselijk portret van de Engelse schilder Francis Bacon geplakt zat. De opdracht was: kijk er een half uur naar, in het donker met een doek over je hoofd, en ga in stilte in gesprek met het kunstwerk.’

‘De grondhouding is dat je zelf verwonderd en nieuwsgierig moet zijn: ‘Jongens, dit is toch niet normaal? Hoe kán dit nou?’’

Een heel onalledaagse opdracht, zeker voor docenten aan een technische universiteit, kan ik me voorstellen.
‘Ja, ze troffen heel nieuwe gedachten en gevoelens bij zichzelf aan. We vroegen hen daarna een dubbelportret te schrijven en te schilderen over zichzelf met het kunstwerk. Iedere opdracht is een voorgehouden spiegel, waarin ze zichzelf in relatie tot de wereld waarnemen. Het brengt mensen op een plek waar ze ook anders gaan nadenken over hun lesgeven. Ze voelen zichzelf nieuwe paden inslaan en raken er bewuster van dat ze dergelijke transformatieve ervaringen ook willen geven aan de studenten in hun collegebanken en hun werkgroepen.’

Ik begrijp dat je het concept ‘transformative learning’ ontleent aan het werk van Arjen Wals, de Wageningse hoogleraar ‘Leren voor duurzaamheid’.
‘Klopt, toen ik Arjens werk leerde kennen, realiseerde ik me dat mijn onderwijs ook altijd zo ingericht was geweest. Ik heb het concept ‘transformative learning’ gebruikt in De denkende klas. Ik ben van mening dat goed onderwijs moet leiden tot transformatie. Anders hebben jij als leraar én de kinderen in je klas hun tijd verdaan.’

Een prikkelende stellingname.
‘Haha, vind je? Als je niet anders uit je onderwijs komt dan je erin bent gegaan, wat heb ik als leraar dan toegevoegd aan jouw leven en leren? Het moet ergens over gaan. Er moet iets op het spel staan. Je moet aan je leerlingen duidelijk kunnen maken dat er een dwingende noodzaak is om samen in dat lokaal te zitten. Ik maak het nog wat stelliger: als je níet in staat bent om dat over te brengen, mag je je afvragen of je wel in het onderwijs moet willen werken.’

Je staat voor een zelfbewust leraarschap.
‘Natuurlijk. Dat is toch de beroepstrots die je wilt hebben als leraar? Neem leraar Nederlands in het vmbo Henk ter Haar. Die is gaan kijken naar de eindtermen van Nederlands – dat zijn er zo’n 52 – en heeft zich afgevraagd: kan daar niet wat van af? Hij heeft de helft geschrapt, maar is zijn leerlingen wel inhoudelijk spannend, betekenisvol, urgent onderwijs blijven geven. Het is een goed idee om én je leerlingen én je einddoelen en lesinhouden te kennen. Lesgeven zonder dat je nog een boek nodig hebt, is mijn ideaal. Natuurlijk niet als je net begint, want dan word je krankzinnig. Maar op een gegeven moment moet je voldoende ervaren zijn om het boek weg te leggen en te denken: laten we gaan kijken wat hier in de klas gebeurt, wat er hier nodig is, wat ik kan brengen.’

Hoe zag dat er in jouw natuurkundelessen uit? Wat doe jij om een klas te brengen bij dergelijke mogelijkheden tot transformatie?
‘Eigenlijk weet ik niet precies wat ik doe in mijn lesgeven. Ik praat veel over van alles met mijn leerlingen – over natuurkunde, maar ook over jongens en meiden, over het leven, over mode, over wat er in het nieuws speelt. Ik noem het wel eens ‘slap ouwehoeren’. Waar het om gaat is om samen in een veld van verwondering te komen, net als het Jenaplan voorstaat. In mijn gesprekken met leerlingen ben ik voortdurend bezig om verwondering te wekken. En raak je verwonderd, dan is niets meer gewoon en vanzelfsprekend.’

Het middelbareschoolvak natuurkunde is toch ook bij uitstek dat vak van wetten en formules, die fenomenen in de werkelijkheid juist voorspelbaar maken?
‘Als je het alleen zo ziet, wordt het een vak van apenkunsten. Van trainen voor het eindexamen. Dat kan ik ook, hoor, en dat lukte ook altijd wel. Maar dan heb je niets geleerd. De grondhouding is dat je zelf verwonderd en nieuwsgierig moet zijn: ‘Jongens, dit is toch niet normaal? Hoe kán dit nou?’ Neem een fenomeen als zwaartekracht: waarom vallen dingen niet omhoog of zijwaarts, op een snel draaiende bol als de aarde? Newton kon wel wetmatigheden vinden en tot voorspellingen komen over een vallend voorwerp, maar zelfs hij wist niet wat zwaartekracht ten diepste ís: ‘Laat ik dit fenomeen maar gravity noemen’. Voor degene die kan verklaren wat zwaartekracht precies is, ligt er een Nobelprijs in het verschiet.’

Met een dergelijke verwondering komt het hele curriculum op losse schroeven te staan: ik kan me voorstellen dat jouw onderwijs daarmee voor jou en de klas een ontdekkingsreis werd.
‘Dat is wat het is. De antropoloog Gregory Bateson heeft mij ervan bewust gemaakt dat we veel begrippen gebruiken die ons in wezen niet dichter bij het begrijpen ervan brengen. Zwaartekracht is er een. Maar ook ‘instinct’ is zo’n begrip: ‘Waarom is mijn paard zo schrikachtig, als hij langs een struik met witte bloemen komt?’ Antwoord: instinct. Bateson noemt dat ‘explanatory principles’, ‘verklaringsbegrippen’ – begrippen om even te zeggen: ‘We weten het niet echt, maar we noemen het even zo en voorlopig is dat bruikbaar.’ Daar zit het onderwijs vol mee. Hele verzamelingen dooddoeners. Kinderen die meer dan normaal nieuwsgierig zijn, nemen daar geen genoegen mee. Maar ja, veel leraren horen de klok tikken: ga je te lang stilstaan en je dingen afvragen, dan krijg je het boek niet uit. Ik ben wel gaan stilstaan, met een 3 gymnasiumklas. Vragen stellen, steeds maar weer verwonderd zijn. En de leerlingen in dat veld van vragen, ontdekken, zelf nadenken brengen. Ook de alfa’s begonnen het leuk te vinden om zelf redenerend en proefondervindelijk tot verbanden tussen natuurkundige fenomenen komen.’

Dat had voor mij het afstandelijke, het abstracte, weg kunnen nemen. Heb je een voorbeeld?
‘Ik had een groep examenleerlingen die nog wat herhaling wilde. Ze wilden weten hoe het ook weer zat met die Wet van Ohm – de wet die beschrijft hoe een bepaald materiaal elektrische stroom kan geleiden. Het gaat over de relatie tussen drie dingen: spanning, weerstand en stroomsterkte, maar ja, hoe zat het ook weer? ‘Oké, jongens, weg met jullie boek’, zei ik. ‘Stel je hebt een zwik batterijen, een koperdraad en een paar lampjes. Dus een stroombron, een geleider en een weerstand. In de tweede klas hebben jullie daar al mee gewerkt.’ Ze herinnerden het zich: alle batterijen achter elkaar, aansluiten aan het lampje en pats! Daar knalde het lampje. Ik spoorde hen aan: ‘Probeer nou eens eerst zelf daarvoor een formule te verzinnen – eerst gewoon in woorden. Zo mijmerend leer je de formule zelf vinden – bij een hogere spanning, maar met dezelfde weerstand, gaat er meer stroom lopen en brandt het lampje door. Zo kwamen ze tot de formule, die je dan óf niet meer vergeet óf altijd met diezelfde manier van denken weer kunt reconstrueren. Leerlingen die zelf met vragen gaan stoeien en zich gaan verwonderen, komen ook met nieuwe vragen. Het leukst zijn de vragen waar ik ook niet meteen een antwoord op heb.’

‘Verwondering is geen extra module, geen lesje. Je moet het in jezelf kunnen aanspreken en het verlangen hebben om diep en zelfstandig te denken.’

Ons vorige themanummer ging over de filosoof Cornelis Verhoeven en zijn benadering van ‘verwondering’, waarbij Joop Berding het duidde als iets wat je overvalt, iets wat aan het denken, het handelen en de nieuwsgierigheid voorafgaat. Hoor ik bij jou ‘verwondering’ en ‘nieuwsgierigheid’ meer samenvallen?
‘Ik heb daar wel discussies met Joop en met Thomas More-lector Hester IJsseling over. Ik begrijp waar zij vandaan komen. Ze vinden mij dan te activistisch, te snel gaan naar het denken en handelen. Als Aristoteles en Plato het hebben over ‘verwondering’ als het begin van de filosofie, gaat dat wat mij betreft over stilstaan bij dingen. Maar snel daarna voel je de vragen opkomen. De drang om erover na te denken. Niks hoogdravends. Je moet vaststellen dat normaal ontwikkelde kinderen een natuurlijke nieuwsgierigheid hebben. Ze kunnen opeens ergens bij stilstaan, er met aandacht naar kijken en dan denken: hè?’

Niet hoogdravend, maar toch genoeg om er twee boeken over te schrijven.
‘Dat is zo. Verwondering introduceren tot de praktijk van het onderwijs is geen kunstje, geen extra module, geen lesje. Je moet een gevoel van verwondering in jezelf kunnen aanspreken en ook de wil, het verlangen, hebben om diep en zelfstandig te denken. Om je oren, je ogen, je neus, je tong open te stellen en toe te laten dat er zich dingen gaan voordoen, waarbij de situatie niet blijft zoals het altijd was. Dat je niet alleen maar kunt blijven doen wat je altijd al deed.’

Verwondering wordt dan een weg om leraren uit te nodigen om op een diepe manier de verbinding tot hun klas aan te gaan – je komt dichterbij motivatie, nieuwsgierigheid, zin in leren.
‘Ja. Die cursus in Delft is ooit bedacht door een Braziliaanse professor, die ontdekte dat zijn technische studenten lieve schatten waren die enorm goed waren in het laboratorium en heel goed formules konden bedenken, maar nooit naar een concert gingen of in een museum kwamen. Ze waren alleen bezig met hun studie en dat vernauwt je blik ook. Je zou denken dat de universiteit een plek is waar het grote zelfstandige denken gedaan wordt. Maar het is vooral ook een wereld van stress en van productie draaien. Tegen die studenten en docenten zeggen wij: ‘Ga eens in een kring zitten. We pakken een probleem bij de kladden. Wat denken jullie ervan? Denk eens verder waar jouw kringgenoot net gebleven is. Waar komen we samen op uit?’ Ik ben ervan overtuigd dat er veel stress en werkdruk wegvalt – ook in het basis- en middelbaar onderwijs – als we jonge mensen uitnodigen zorgvuldig na te denken over een vraagstuk – niet alleen bij een vak als natuurkunde, maar ook bij Nederlands: kies een mooi boek dat kinderen interessant vinden en laat het op hen inwerken. Dan wordt het van het kind of de jongere zelf. En laat ze dan het resultaat van hun denkwerk zichtbaar maken. Dan is er geen controlerende toets meer nodig.’

En dat begint bij leraren, stamgroepleiders, die bereid zijn verwondering toe te laten.
‘Ja, en juist niet alleen omdat je met je leerlingen betere cijfers wilt halen, maar om de bevrediging die het volgen van verwondering en nieuwsgierigheid je geeft. Ik kom wel eens op scholen waar ‘verwondering’ ferm op de site en de schoolgids staat. Maar vraag ik dan in een groepsgesprek ‘wat is verwondering?’, dan blijft het stil. En op een gegeven moment komen er dan aarzelend een paar eerste probeersels van antwoorden. Dat vind ik interessant, want het vertelt me dat in die school ‘verwondering’ net als ‘instinct’ of ‘zwaartekracht’ ook een verklaringsbegrip geworden is – een woord zonder wezenlijke inhoud. Het werkt alleen als iedereen echt de drang, de behoefte, heeft om te starten vanuit een gemoedstoestand van verwondering. Zover krijg je een team niet met één cursusmiddag. Maar ik zag bijvoorbeeld bij mijn collega’s van de sectie natuurkunde dat ze steeds meer lieten gebeuren in hun lessen – die nieuwsgierigheid toelieten en het pad van die nieuwsgierigheid durfden te volgen met hun klas.’

Dat ‘durven’ is misschien wel een sleutelwoord voor een dergelijk leraarschap in deze tijd, waarin er zoveel wensen en eisen op het onderwijs geprojecteerd worden. Ik kan me voorstellen dat je iets moet loslaten.
‘We hadden het er al over dat er in onderwijs iets op het spel moet staan. Tegelijk moet je een al te grote gewichtigheid kwijtraken. Er moet ook iets te spelen zijn, inclusief af en toe op je bek gaan. Spel is ook een belangrijk woord: spelen geeft plezier, spelen is een activiteit omwille van zichzelf. Tegelijkertijd is spel ook een uiterst serieuze bezigheid: een spel zonder spelregels is niet leuk. Het is een mengsel van ernst en luim.’

Wat vraagt dat van jou als leraar?
‘Als ik iets geleerd heb in het onderwijs is het dit: als je vertrouwen geeft, komt het met rente terug. Ik heb de overtuiging dat kinderen nieuwsgierig zijn en het vertrouwen dat ze daar serieus mee aan de slag willen. Juist cijfers geven kan dat proces verstoren – dan komt er iets te staan tussen de leerling en mij. Als leraar ben ik niet overbodig, maar ik moet wel op tijd op mijn handen kunnen zitten. Ik heb geleerd wanneer ik mijn mond moet houden. Soms moet ik alleen een verdiepingsvraag stellen of instemmend brommen, als een kind iets vertelt. Dat zie ik ook in mijn filosofische praktijk: als ik een kind de ruimte geef om te vertellen over een probleem en help dat verhaal een beetje te structureren, zie je zo’n probleem soms als een wolk verdampen. Het is zo’n krachtig middel: weten wanneer je opzij moet stappen en het een kind zelf moet laten uitzoeken. Ga je op je bek, dan ben ik er om je op te rapen en je te troosten. Maar durf te gaan, durf te ontdekken, durf hoog te vliegen.’

In je boek heb je een afbeelding van Icarus, de jongeling uit de Griekse mythologie die gevangen gehouden werd in een doolhof en met zijn vader, de uitvinder Daedalus, ontsnapte op vleugels die met bijenwas vastgeplakt zaten. Icarus vloog echter te hoog in zijn enthousiasme, kwam te dicht bij de zon, de was smolt en hij stortte neer, zijn dood tegemoet. Moraal van het verhaal: hoogmoed komt voor de val. In jouw versie vliegt er echter een albatros tussen Icarus en de zon – jouw Icarus mag wél hoog vliegen.
‘Ja, ik heb die afbeelding al veertig jaar als tatoeage. Ik heb het originele verhaal altijd zo irritant moralistisch gevonden: ‘Sla je vleugels niet te ver uit, hoor!’ Nee, je moet juist wel je vleugels uitslaan, wel hoog vliegen. Het is de rol van een leraar om te zeggen: ‘Zal ik je helpen? Ik vlieg wel tussen jou en de zon, dan kom je nog wat hoger.’’

Dit artikel is overgenomen uit het decembernummer ‘Jenaplan na je twaalfde' van Mensenkinderen, met toestemming van de NJPV. 

Dick van der Wateren verzorgde een workshop tijdens de NJPV-conferentie op 31 oktober. Zijn boek ‘De denkende klas – Motiveer je leerlingen door samen met hen vragen te stellen en na te denken’ (2020) is verkrijgbaar via je (digitale) boekhandel en via Dicks site: https://deverwondering.amsterdam/voorinschrijving-de-denkende-klas/

Reacties

0
Login of vul uw e-mailadres in om op de hoogte te blijven van reacties op uw reactie


Er zijn nog geen reacties
Delen:
Op de hoogte blijven?
Schrijf je in voor de nieuwsbrief