Stichting Nivoz logo
Sterkt leraren, schoolleiders en betrokkenen bij de uitvoering van hun pedagogische opdracht

Nivoz platform hetkind

Marco Mout (WALHALLAb): ‘Als het níet iets met jezelf doet, is er geen overdracht, geen vonk, geen onderwijs’

21 september 2018

Het begon in de Zutphense Kruittoren, die Marco Mout ruim vijftien jaar geleden betrok als houtkunstatelier. Gestaag groeide dat uit tot makerspace WALHALLAb, en sinds het winnen van de Korczak-prijs in 2016 zitten Mout en team in een stroomversnelling. Op 3 oktober trapt Marco, met Rob Martens, het NIVOZ-jaarthema spelen-maken-leren af. Redacteur Geert Bors zocht hem vast op. Mout: ‘In essentie biedt onderwijs: uitdaging, bemoediging, grenzenstelling en interactie. Complexer hoeft het niet te worden.’

Je hebt met het WALHALLAb een plek gecreëerd waar spelen-maken-leren eigenlijk één werkwoord is geworden: iedere jongere die hier binnenkomt, wordt aan een klus gezet en dan begint het. Waar begon het voor jou? 

“Mijn vader had een groot bedrijf in scheepsbouw in Rotterdam. Voor mij als kind was dat rondlopen in een Fundgrube. Zo had ik thuis een soort kapla, maar dan in het heel groot. Het waren speelblokken van mahoniehout: de kompassen van zeeschepen werden gemaakt in een mahoniehouten behuizing en de zagerij had altijd stukken over. Die kwamen dan bij ons thuis. Ik had er wel duizend. En weet je wat het mooie was? Op zaterdagavond bouwden mijn ouders dan vaak een groot bouwwerk, dat ik dan op zondagochtend – als ik als eerste wakker was – beneden aantrof.”

Het ‘spelen en maken’ leefden je ouders dus voor?

“Ja. Ik heb nog steeds dikke pillen van boeken in huis, die mijn moeder voor me bijgehouden heeft. Een vriendin bladerde er ooit doorheen en constateerde dat er iets heel ongewoons mee aan de hand was: er zijn meer ouders die een dagboek bijhouden voor hun kinderen, maar mijn moeder had voorvallen, gedachten, activiteiten beschreven vanuit míjn perspectief. Er staat niet: ‘Marco was bij het zwembad.’ Maar er staat hoe het was om naar het zwembad te gaan. De leraar met de haak. Het omkleden tussen stampende machines – dat was horror – en ze heeft het tot in de finesses beschreven. Als ik het teruglees, lees ik wat ik zelf vond. Ik vóel het terug. En ze schreef iedere twee weken wel iets. De enige keer dat ze mij gevraagd heeft te schrijven, was toen ik een keer weggelopen was van huis. Ik had een standje gekregen, ik had ongelijk en ik deed wat kinderen dan doen: weglopen. Met drie gulden en een koffertje stoof ik het huis uit. En daar dacht ik: oké, en nu? Op de hoek van de straat draalde ik tien minuten en ging weer terug. Toen had mijn moeder mijn perspectief niet en heeft ze me gevraagd op te schrijven wat ik van die dag gevonden had.”

Om door te gaan op dat speelse inleven: wat me opvalt, is de heel specifieke humor van deze plek. Jij zet die in op heel precaire momenten: wanneer iemand er voor de eerste keer is, begint meteen het uit de tent lokken. Een grap op het randje is een vrolijke ondermijning en tegelijkertijd zit het verklonken aan hoe serieus een kind hier genomen wordt. 

“Ja, het gaat erom op je gemak te mogen zijn. Je thuis te voelen. Een sense of belonging te krijgen. Dat is heel belangrijk voor leeromgevingen. Ik zie niet hoe mensen zouden kunnen leren op een plek waar je het niet naar je zin hebt. Ik heb het zelf meegemaakt dat ik niks overhield aan momenten in mijn leven waar ik niet het gevoel had dat ik er paste. En het gaat niet eens om het welkom. Het gaat om: kan ik hier zijn wie ik wil zijn, en ben ik daardoor open genoeg om kennis op te doen, om mezelf nieuwe dingen te leren of een paar nieuwe uitdagingen te stellen? Dat is voor mij de essentie.”

En dat begint op dat allereerste moment?

“Ik zal je het voorbeeld geven van een leraar bij wie het eerste moment allesbepalend was. Vroeger werd al tegen mij gezegd: ‘Je bent een typische leraar’. Maar de leraren die ik had vond ik absoluut niet inspirerend. Toen kwam Meneer van Roon: ik was 14-15, zat op de havo en na de zomer zouden wij een nieuwe geschiedenisleraar krijgen – een heel bijzondere, die veel wist en er heel goed kon vertellen, was ons gezegd. Nu liepen er op onze school veel van die strakke leraren rond, die je in de jaren ’80 nog had. Ook de conrector – strakke knevel, stijfjes door de school – was er zo één. En hij had ons gezegd: ‘Ik wéiger veranderingen in de opstelling van de klas te zien.’ Met hem klooide je niet, en dus zaten we na de vakantie allemaal precies op dezelfde plek als ervoor. 

Die leraar komt binnen, een jonge vent, een dertiger. ‘Hoi jongens!’ Dat vonden we al heel wat: niet zo’n stijve hark. Hij zet zijn tas op de lessenaar en zegt: ‘Waarom zou ik niet naast m’n tas gaan zitten?’ en klimt op de tafel. Dat is al iets waarvan je als klas denkt: wauw, wat een kwiebus! ‘Marco’, zegt hij en hij wijst mij aan: ‘Wat weet jij over Adolf Hitler?’ Nou, de Tweede Wereldoorlog is mijn grote passie, dus ik steek van wal. ‘Oké, genoeg”, zegt hij na een poos. Hij wees naar de volgende: “Simon, wat weet jij van de Spaanse burgeroorlog?’ 

Hij kende jullie dus al.

“Ja, hij wist je naam, hij wist wie je was. We hadden die man nog nooit ontmoet. Je wist alleen dat hij Nico van Roon heette. Hij bleef op die tafel zitten en vertelde levendig waarom hij zo’n passie had voor geschiedenis. ‘Ik geloof in de kracht van het verhaal’, zei hij, ‘Je moet je verhaal kennen om te weten wie je nu bent.’ Dat vergeet ik nooit meer: het was iets dat ik ook wist, maar nog geen woorden had kunnen geven. 

Dan gaat de bel, 50 minuten zijn voorbij, en hij zegt: ‘Kan iemand mij even helpen om van de tafel af te komen?’ Da’s een beetje awkward voor een klas vol vijftienjarigen. ‘Want ik weet niet hoe diep het hier is’, gaat hij verder. Die man was blind! Vanaf zijn geboorte. Daar had ik nog geen enkele indicatie voor gezien. De hele klas – en al die andere zeven klassen – had hij uit zijn hoofd geleerd en de conrector had in the game gezeten. Nico van Roon – dat is misschien wel de mens die de grootste invloed op mijn leven heeft gehad in de zin van moed. Het was de leraar van wie we het meest van geleerd hebben. Niet vanwege geschiedenis, maar omdat ik zag dat hij in staat was je aan te spreken op dat metaniveau van cognitie.”

Hier raken ernstige moed en speelse humor elkaar ook. Ligt daar een essentie van wat jullie doen?

“Toen een jaar of zeven geleden Kees Beekman over mij schreef in De Groene Amsterdammer ‘Marco is een soort dogwhisperer’, vond ik dat aan de ene kant leuk: ‘Hij is extreem duidelijk’, stelde hij, ‘Je weet snel wat kan en wat niet kan. Binnen weidse grenzen is enorm veel vrijheid. Maar kom je daarbuiten in de stront, dan trekt hij je ook met je neus door de poep heen. Omdat je dan heel snel weet dat poep niet lekker ruikt. Dat je daar niet moet wezen.’

Ik heb best veel last gehad van die omschrijving, toen de Volkskrant daarna met de ‘puberfluisteraar’ kwam. Ik snap zo’n titel van een koppenmaker wel, maar het punt is: iedereen komt door zo’n titel op het idee dat ik ‘iets speciaals met jongeren doe’ Heel veel mensen kunnen en doen dit. Alleen we zijn het vergeten – we zijn de essentie van kennisoverdracht te theoretisch gaan benaderen. Terwijl de essentie schuilt in wat veel mensen, die op bezoek komen, zeggen: ‘Het is zo verschrikkelijk simpel wat jullie doen.’ Precies, maar eenvoudig is juist zo moeilijk. 

If it looks good, it flies good, zeggen ze in het Engels over vliegtuigen: als het er mooi uitziet, weet je dat het goed zal vliegen. Dan moet je er niet te veel meer aan toevoegen. Dan moet je het niet complexer maken. En wat ik veel zie en lees in de discussies die ik volg, is complex-makerij. Jongens, ga nou terug naar de essentie van goed onderwijs.”

Wat is die essentie volgens jou?

“Ik kom uit op vier dingen: in essentie biedt goed onderwijs: uitdaging, bemoediging, grenzenstelling en interactie. Andere dingen kan ik niet bedenken. Ik heb me suf gepeinsd de afgelopen jaren, want ik denk natuurlijk na over de pedagogische opbouw van deze plek. We zijn de afgelopen twee jaar flink gegroeid, en ik zie al die nieuwe mensen precies zo handelen. Van de week vertelde Jos – een politieagent – wat een geweldig gesprek hij gehad had met een jongen van 23, die het moeilijk had. Hij zei: ‘Marco, ik heb nog nooit zulke dingen meegemaakt. Ik zit daar met die knul in de tuin een gesprek van een kwartier te voeren, en ik zie dat hij opleeft.’ Het moet iets met jezelf doen – als het níet iets met jezelf doet, is er geen overdracht, geen vonk, geen onderwijs.”

Hoe zie jij jouw verhaal in relatie tot Rob Martens, jouw co-spreker op 3 oktober?

“Ik ben heel benieuwd naar zijn verhaal. Dat evolutionair-psychologische perspectief op spel is interessant. Ik ben ook benieuwd naar de rol van motivatie. Tijdens de fietstocht rond de wereld, die ik twintig jaar geleden maakte, kwam ik terecht op een Maorischool in Nieuw-Zeeland, waar in de klas alle leeftijden door elkaar zaten. Ik had me keurig voorbereid – wat ga ik een 10-jarige vertellen, wat een 16-jarige? En toen zaten ze er dus allemáál. Ik ervoer hoe de interactie in zo’n heterogene groep meteen al corrigerend, motiverend is. 

Na afloop zei de principal: ‘Wat we hier niet hebben is nagging, pesten. Omdat die leeftijden door elkaar zitten.’ Ik begreep de klas opeens beter. Het was geen droomschool omdat ze op een afgelegen bergtop zaten. Nee, die motivatie, zo samen leren kan overal. Mensen zijn overal hetzelfde: we willen gelukkig zijn, we willen gezien worden, we willen aandacht, we willen laten zien dat we wat kunnen.”

Spelen-maken-leren: is dat een goede volgorde? Zijn ze überhaupt verklonken?

“Dat vind ik heel moeilijk om te zeggen, want als ik kijk hoe we het onderwijs nu inrichten – met ‘maakonderwijs’ als hype, en iedereen een ‘maker’ – dan zie ik heel vaak dat het de kern niet raakt. Het zijn vaak lesjes dingen aan elkaar sluiten met readymade pakketten: vier klikjes en het lampje brandt. Dat doodt elke creativiteit.”

Geen goede ontwikkeling, dus?

“Aandacht voor maken, voor met je hoofd in combinatie met je handen bezig zijn, voor motoriek – tuurlijk. Maar als je spelenderwijs wilt gaan leren met je kinderen, vind ik dat je ook wel verdomd interessante uitdagingen moet durven bespreken. Gisteren hebben we over het duurzaam maken van de snelweg A1 gesproken met drie jongens van 10 jaar. Dat was een feest, omdat je ze verder en verder zag denken, omdat je zag hoe medewerkers ook geëngageerd raakten. Dan kun je maken, spelen en leren in een verbinding zien.

Waarom zeggen we als scholen niet: we flikkeren alle flauwekul eruit en we slepen een paar pallets, houtblokken en buizen naar binnen en dan gaan we wat doen. Niet iets dat morgen klaar moet zijn; maken is een proces. Dat durven we niet, want we willen onze lessen context kunnen geven: het moet een functie hebben, het moet ergens naartoe gaan. Ik zeg: het moet helemaal nog geen functie hebben. Ga eerst maar eens proberen het denken op gang te brengen en dat denken te relateren aan je handelen, aan je letterlijke motoriek. Kijk maar waar je uitkomt.”

En met dat spelenderwijs leren en maken ontvouwt zich dan vanzelf een doel?

Ja, ik hecht aan het principe dat ik vanaf het begin met de Kruittoren had (de Zutphense middeleeuwse toren waar Marco zijn kunstwerkplaats vestigde zo’n 15 jaar geleden, GB): daar was tien jaar geleden Hannah Wiggins, een meisje van 18, die met het idee kwam een totempaal te maken. Het werd een ding van 3,5 meter, dat nog in het Museum voor Volkenkunde heeft gestaan. 

Ze had nog nooit zoiets gedaan, maar de uitdaging is: je gaat jezelf serieus nemen. Goed, ik ga een totem maken zoals de West-Canadese Indianen dat doen. Dan moet het er ook wel echt cool uit komen te zien. Dan moet je ook wel toestemming vragen van die indianen of je hun beeldtaal mag gebruiken. Dan moet je gaan mailen, dan moet je met respect voor materiaal en traditie aan het werk, dan moet je gaan durven. In onze huidige maatschappij, met alle systemen die we hebben opgebouwd, vindt moed niet altijd een plek. Bij ons laten we – spelend, lerend, makend – zien wat het is om aan de slag te gaan met het materiaal, met jezelf, met je ideeën voor de toekomst. Wil je dat allemaal aangaan, dan heb je moed nodig.”

Interview: Geert Bors

Geert Bors is redacteur bij het NIVOZ en woont in WALHALLAb-thuishaven Zutphen. In het kielzog van zijn oudste zoon, maakte hij vorig jaar deze reportage op het WALHALLAb. 

Meer informatie over het WALHALLAb - ook de landelijk opkomende nieuwe afdelingen in o.a. Groningen en Arnhem, vind je via de site: walhallab.nl en via de heel actieve twitteraccount @WALHALLAb_NL.

 

 

Delen:
0

Reacties

0
Je moet inloggen om te kunnen reageren
Er zijn nog geen reacties
Op de hoogte blijven?
Schrijf je in voor de nieuwsbrief