Stichting Nivoz logo
Sterkt leraren, schoolleiders en betrokkenen bij de uitvoering van hun pedagogische opdracht

Nivoz platform hetkind

Kunstdocente Ellen pareert seksisme onder leerlingen met een expositie

10 oktober 2019

‘Als ik leerlingen samen zie lachen bij een mobiele telefoon, dan is het vaak zo dat er óf een meme van een docent is rondgestuurd óf dat ze porno aan het kijken zijn.’ Kunstdocente Ellen Schreven pareert dat soort momenten soms met humor, dan weer gaat ze in gesprek tijdens een tekenles. Maar ze wijdde er óók haar afstudeerwerk op ArtEZ aan: rap-citaten, emancipatieleuzen, geslachtsdelen uitgevoerd in textiel, brengen de kijker bij andere ervaringen. Over je lijfelijk. Over ons samenleven. Op school en daarbuiten. Ook haar eigen leerlingen kwamen kijken.

Deze bespiegeling van redacteur Geert Bors is onderdeel van een podcastgesprek op Kennisnet met Wouter Pols en Remco Pijpers, over de betekenis van het werk van Max van Manen (‘Weten wat te doen wanneer je niet weet wat te doen’) in digitale tijden.

‘Als ik een groepje leerlingen – van een jaar of 14, 15 – op het schoolplein zie, gebogen over een telefoon, en ze staan te lachen, dan weet ik inmiddels bijna zeker dat er óf net een meme van een docent is rondgestuurd óf dat ze porno aan het kijken zijn.’ 

Dat pleintafereel werd mij geschetst door Ellen Schreven, docente Beeldende Vorming op een Achterhoekse middelbare school, bij de presentatie van haar afstudeerwerk op kunstacademie ArtEZ. In mijn eigen middelbare schooltijd was het internet, laat staan mobiele telefonie en social media, er nog niet. Mijn oudste is een groep-8’er en in ons gezin doen wij niet aan mobiele telefoons op de basisschool. Opvoeding in digitale tijden is dus nog tamelijk onontgonnen terrein: hoe het digitale leven van mijn kinderen straks samenvalt met de meest intense jaren van hun identiteitsontwikkeling – het is voor het eerst een veld waarin ik niet kan terugvallen op mijn eigen ervaring. 

Dus schrok ik van Ellens anekdote. Al helemaal omdat ze het me vertelde, terwijl ik midden in haar nogal expliciete tentoonstelling stond. Ze legde uit dat ze haar afstudeerproject begonnen was vanuit twee noties: ‘Daar vind ik iets van’ en ‘Niet geraakt is niet gemaakt’. Ze kwam tot die eerste notie, omdat ze merkte dat haar leerlingen in toenemende mate seksistisch zijn ten opzichte van vrouwen en meisjes. Dat gold niet alleen voor de jongens, maar ook voor de meiden, die zichzelf geselen met betrekking tot hun verschijning en hun zelfbeeld. Dat seksisme en anti-feminisme werd voor een groot deel ingegeven door het internet, door het kijken naar porno. Ellen was van plan geweest om die tendens te beantwoorden met een stil protest, maar dat schuurde met haar andere wens: werk te maken dat raakt. Gaandeweg ontwikkelde ze de behoefte zich openlijker, confronterender, moreler, pedagogischer ook, te uiten. 

Confrontatie in textiel
De kunstdocente hield veel gesprekken met haar leerlingen, vroeg hun naar welke rappers en welke video’s ze keken, en was die vervolgens zelf gaan bekijken: ‘Drie dagen lang, tot ik er groen van zag.’ Van TV verzamelde ze citaten die vrouwonvriendelijk waren en die een meisjesbeeld neerzette dat uit de porno afkomstig was. Haar beeldend werk ontwikkelde zich van lieverlee tot expliciete geslachtsdelen, maar gemaakt van zachte, lieve materialen als textiel. Sommige bedrukte ze met emanciperende leuzen, andere juist met seksistische uitspraken – geweren en piemels gingen in elkaar over, al dan niet met stof met daarop aardbeitjes gedrukt. Om een videoloop die ook draaide in haar twee kleine expositieruimtes goed te kunnen zien, moest je je tegen de wand opstellen, waardoor je met je hoofd leunde tegen een grote vagina of juist een stoffen penis je het zicht benam – al met al ongemakkelijk. 

Hoewel ik me realiseer dat ze er één aspect van een ongetwijfeld veel rijker schoolleven heeft uitgelicht, trof het me – te midden van al die stoffen geslachtsdelen – wat ze vertelde over hoe kinderen spreken op het schoolplein en in de klas. Ellen had voorbeelden van hoe ze dergelijke uitingen vaak in het moment zelf, met tact en humor, pareert. 

Verstilling, vertraging, uitvergroting
Maar wat vooral opviel was dat haar tentoonstelling een soort fenomenologie bedreef, zoals Max van Manen dat doet in een boek als Weten wat te doen, wanneer je niet weet wat te doen: fenomenologie is de methode die de directe, geleefde ervaring op de staart wil trappen en wil laten spreken. Een methode die de nadruk legt op singuliere onherhaalbare momenten, die in hun particulariteit juist ook een universele zeggingskracht hebben. Van Manen merkt op dat sommige ervaringen een andere uiting dan rechtstreekse taal nodig hebben om een geleefde ervaring aansprekend en evocatief weer te geven. 

En dat gebeurde hier. Hoewel ze vaak snel en snedig is in haar contact aan leerlingen, en andere keren de stille concentratie van een tekenopdracht aangrijpt voor een mooi, open gesprek, waaraan de biologieleraar noch de maatschappijleraar aan toe komen, kwam ze in deze tentoonstelling tot een ervaringstaal die een prachtige uitvergroting, verstilling, vertraging, verbeelding van haar waarnemingen, haar gevoelde boosheid, haar ervaren ongemak is. Die vertraging en uitvergrotingen maakten dat er opeens ruimte ontstond voor analyse, voor terugkijken, voor gesprek, voor het letterlijk zoekend, cirkelend benaderen van deze ervaringen. 

Ook een groep van haar leerlingen was geweest. Ze begrepen volledig wat hun docente gedaan had. Ze herkenden hun eigen taal. Ze herkenden hoe de omgang met deze digitale media enerzijds een spel, een verkennende zelfontdekking, de zoektocht naar ‘extremen’ (spanning, gevaar, grenzen) was, en anderzijds – vanaf een afstandje – er ook radicaal en onbegrijpelijk uitzag, en hoe wezensvreemd het lichamelijke erin af- en aanwezig was. Wat vertelden hun keuzes, hun muzieksmaak, hun scrollgedrag over hoe ze zichzelf en de ander ervaren?
 

Emancipatie ten opzichte van digitale middelen
Wat betekent dat voor de fenomenologie en pedagogische tact in het gedigitaliseerde onderwijs? Ellen Schrevens afstudeerproject – juist haar werk bevindt zich op het snijvlak van onderwijs en kunst – is ook een pleidooi voor het de-digitaliseren van het jongerenleven, door de intimiteit van het gesprek, van het elkaar aankijken, in de klas te gebruiken om jongeren terug te brengen bij hun zijn in de groep, bij hun (ongemakkelijk hormonale) lijfelijkheid, bij hun zelfbewustzijn, hun identiteitsontwikkeling.

Het is misschien een boeiende ingang om het over de geneugten en gevaren, het nieuwe en het oude in het digitale domein te hebben – nieuw en oud, in de zin van: nieuwe mediale vormen; oude, vertrouwde patronen van jeugdige ontwikkeling. Misschien dat gesprekken hierover op nieuwe manieren verbondenheid brengt en ons wijst op dat wat van onszelf is en moet blijven, en op de manieren waarop wij onszelf en de leerlingen zichzelf moeten leren verhouden en emanciperen ten opzichte van een medium dat – anders dan de hamer van een timmerman – ook een eigen (commerciële, psychologisch-manipulerende) agenda ten opzichte van ons heeft. 

Ik heb vertrouwen in de neiging tot lijfsbehoud van kinderen; in het niet in zeven sloten tegelijk lopen en in hun intentie een ander niet te beschadigen. Ik heb vertrouwen in hun sociale zoektocht naar gemeenschap en naar eigen identiteit. Ik heb vertrouwen in de vergevingsgezindheid van de volwassenen en leeftijdsgenoten, wanneer ze de misstap van een kind oneindig uitvergroot zien worden in de megafoon en het spiegelpaleis van internet. Ik wil het recht behouden om kinderen hun private ruimte te blijven gunnen, al bevindt die zich nu op andere plekken dan toen Martinus Langeveld schreef over de verborgen plaats in het leven van een kind. En, waar nodig, vind ik dat kinderen en volwassenen, leerlingen en kinderen, samen uit hebben te kijken om zich op een goede manier te verhouden tot media die in hun wezen amoreel zijn en niet noodzakelijkerwijs het beste met ons voor hebben. Op dat punt blijft voor altijd de grote taak staan, voor ons als opvoeders, om de wereld van kinderen, van volwassenen en van beiden – ook met zijn nieuwe communicatiemiddelen – blijvend te humaniseren. 

Geert Bors

Beluister hier het hele podcastgesprek dat Kennisnet-presentator Remco Pijpers had met Geert en Wouter Pols.

 

Reacties

0
Er zijn nog geen reacties
Delen:
Op de hoogte blijven?
Schrijf je in voor de nieuwsbrief