Stichting Nivoz logo
Sterkt leraren, schoolleiders en betrokkenen bij de uitvoering van hun pedagogische opdracht

Nivoz platform hetkind

ZOMERLEESTIP: Een boek om lesideeën aan te ontlenen, terwijl je je open vakantiegeest vasthoudt

22 augustus 2018

Een bespreking van ‘Het onwijs grote filosofiedoeboek’ zou kunnen bestaan uit een blik op structuur, stijl, referenties. Maar NIVOZ-redacteur Geert Bors stopte het boek ongelezen tussen de lees- en speelgoedstapel van zijn kinderen, en wachtte af. Op een Deense camping haalde zijn oudste het tevoorschijn. Een collectieve gezinsrecensie: ‘Oké mama, tijd voor filosofie', begint zoonlief aan de ontbijttafel: 'Waar was je voor je geboorte?'

Het onwijs grote filosofiedoeboek’ heet het. En daarmee springt een prettig zelf-ondergravende humor je meteen tegemoet: ‘onwijs’ is toch alweer eeuwen uit als hippe uitdrukking, maar een wijsgerig boek dat on-wijs zegt te zijn, daagt meteen uit tot bladeren. En: een doe-boek? Ook al zo’n fijn dynamietstaafje onder de vastgeroeste aanname dat denkers geen doeners kunnen zijn en andersom. Dan sla ik de zelfhulpfrase ‘Zo word je geniaal!’ nog over.

Begin deze zomer kwamen de makers van Filosofie Magazine met dit fraai en lichtvoetig vormgegeven boek. Voor de teksten tekende Sabine Wassenberg, die als filosoof vaak socratische gesprekken voert in (grootstedelijke) klassen, waarover ze het boek Kinderlogica schreef, en artikelen op NIVOZ/hetkind, zoals dit en dit.

Iedere ouder of leraar weet dat kinderen onvermoed diepe vragen kunnen stellen – over dood en leven, over wat kan en wat mag, over wie je bent en waar je vandaan komt. En dan zijn er die geweldige vragencascades naar het ‘waarom’ achter jouw antwoord op de vorige waarom-vraag. Ik heb ze gekregen, toen mijn oudste een dood vogeltje bij de achterdeur vond; ik krijg ze vanaf de achterbank, als ik net in een ingewikkelde verkeerssituatie zit. Dit filosofieboek – hoe prettig ontregelend ook – geeft je de gelegenheid die vragen op een kalmer moment te berde te brengen: op je campingstoel, bij een bergmeertje, langs het zwembad. Of gewoon thuis en in de klas (succes met de start deze week, zuiderlingen!) 

Recept voor Socrates’ gifbeker, met banaan!

Hoe dit boek te bespreken? Ik zou kunnen beginnen bij de prikkelende vragen op de achterkant: heeft een vlieg gevoelens? Moet je altijd eerlijk zijn? Kun je verliefd worden op een robot? Ik zou kunnen verwijzen naar de leeftijdsindicatie ‘8-88 jaar’, die een breintje met zweetband op een sportschoolapparaat uitspreekt.

Ik zou kunnen zeggen dat het een boek in tien hoofdstukken is, dat de lezer allereerst uitdaagt met een startvraag over ‘zeker weten’ (waarbij Socrates zijn horzelige ‘o ja, hoe weet je dat dan?’-vragen blijft stellen, totdat je hem zélf de gifbeker zou willen geven – waarvoor trouwens ook een recept uitgeschreven staat: veel groen van spinazie, komkommer en appel, met een lekker zoet banaantje).

Ik zou kunnen vertellen dat het boek klassieke thema’s als tijd, de werkelijkheid en de geest afwisselt met meer eigentijdse dilemma’s over robots, vakantie en dieren. En hoe er aan het eind van ieder hoofdstuk verwezen wordt naar relevante jeugdfilms en kinderboeken.

Maar dat is hoe een volwassene een boek benadert. In plaats daarvan legde ik het een maand geleden op de stapel spelletjes en boeken, die mijn oudste kinderen in hun vakantietas wilden stoppen. Benieuwd of het gepakt zou worden, nieuwsgierig hoe het gebruikt ging worden.

Openingsvraag aan de campingtafel: bestaat de tijd?

Nadat onze oudste (9) de leestip van zijn schoolmeester uit had, kwam het Filosofiedoeboek uit zijn rugzak. Op de heetste dag die Denemarken in lange tijd meegemaakt had. Ik zag hoe hij begon met een rebus hier, een doolhof daar. En op enig moment, in de schaduw van een klein naaldboompje waar we onze stoeltjes heen verplaatst hadden voor een lunch terwijl babybroer nog sliep, kwamen de vragen, uitgesproken met een ik-ga-jullie-eens-even-iets-vragen-waarop-je-geen-antwoord-hebt-toon.

Het eerste thema op tafel: bestaat de tijd? Zijn zus – twee dagen eerder 7 geworden – volgde in haar antwoorden onbewust heel keurig een van de uitgestippelde denkpaadjes: ‘Tuurlijk, je hebt toch klokken?’ Glimlach opkrullend rond haar broers mond: ‘En als alle klokken van de wereld stilstonden, zou er dan geen tijd zijn?’ ‘Uhm… jawel’, aarzelde zuslief. Na een poos deden we allemaal mee: hun moeder suggereerde dat er andere verschijnselen zijn, die je de tijd kunnen doen meten: de zon die iedere dag opkomt en ondergaat, de seizoenen. Voor we het wisten hadden we het over hoe de tijd soms kruipt en dan weer racet: wat is dan de echte tijd? Je beleving van een lang uur wachten en een speeluur dat omvliegt. Of juist die geijkte periode waarmee de klok aangeeft dat ieder uur toch echt zestig minuten van zestig seconden omvat? 

Oké, nu deze: kun je op school vrij zijn?

Het hoofdstuk over tijd geeft bij nadere beschouwing nog meer denklijnen: een overpeinzing dat eigenlijk alleen het heden echt bestaat (en de suggestie een horloge te maken waarbij je de wijzerplaat vervangt door een sticker met daarop ‘nu!’); een breinkraker over de mogelijkheid van tijdreizen; een ethische vraag: te laat komen, #magdat? En doorleestips naar Dr ProktorKruistocht in spijkerbroek, en het magistrale Momo en de tijdspaarders.

De filosofiegesprekken van onze kinderen waren grasduinender van aard en gingen ’s avonds verder. Onze zoon koos de vraag: kun je op school vrij zijn? Ik hoorde dochterlief afwisselend geamuseerd en gefrustreerd raken van het niet-zeker-weten. Een dag later bleef ze stilstaan bij een keuzeplaat met dieren van paard tot mug, van pauw tot vlinder, van dolfijn tot spin: welk dier je zou mogen doden en opeten, als ze even lekker zouden smaken? Zoonlief werd gegrepen door het Droste-effect en oefende met potlood en papier. Ook begon hij gaandeweg een beetje door structuren heen te kijken: ‘Dit was de makkelijke openingsvraag, nu maak ik er een filosofische vraag van.’ 

Op een ochtend verscheen het boek weer aan de ontbijttafel. ‘Oké, mama’, begon zoonlief, ‘Waar was je voor je geboorte?’ Mijn vriendin: ‘Hmm, nog even geen filosofie, lieverd. Ik vind het eerst tijd voor koffie.’

Werkvormen voor een kringgesprek

Het leuke van Het onwijs grote filosofiedoeboek is dat je er alleen mee aan de slag kunt (genoeg kruiswoordraadsels en andere ‘breinbrekers’), maar er ook een groepsactiviteit van kunt maken. Voor iedereen die in zijn opleiding een inleiding filosofie heeft gevolgd, zijn veel van de beschreven filosofen en de wijsgerige dilemma’s herkenbaar, maar Wassenberg geeft haar heldere, bondige teksten genoeg sprankel en afwisseling om ook als enigszins ingewijde lezer verrast te blijven. 

De vakantie is voor sommigen al voorbij en duurt voor de rest nog heel even. Voor het vasthouden van je open vakantiegeest is dit doeboek een aanrader. Ook omdat er veel werkvormen in het boek zó omgebouwd kunnen worden tot een weekopening, een kringgesprek of een ander moment in je klas waar doen en denken, individueel mijmeren en samen praten, mogen samenvallen.

Geert Bors

Geert Bors was tot vorige week Scandi-vaarder, hobby-kippenboer en huisklusser. Nu gaat hij weer verder als redacteur bij NIVOZ/hetkind en jenaplanblad Mensenkinderen.

Het onwijs grote filosofiedoeboekSabine Wassenberg (auteur), Uitgeverij: VeenMedia, 100 pagina’s, € 12,50.

 

 

 

Reacties

0
Login of vul uw e-mailadres in om op de hoogte te blijven van reacties op uw reactie


Er zijn nog geen reacties
Delen:
Op de hoogte blijven?
Schrijf je in voor de nieuwsbrief