Stichting Nivoz logo
Sterkt leraren, schoolleiders en betrokkenen bij de uitvoering van hun pedagogische opdracht

Nivoz platform hetkind

Essay: Herdenken, vieren en opvoeden: blijven geloven dat het kan

5 juni 2019

Sommige leerkrachten wagen zich liever niet meer aan een gesprek over de Tweede Wereldoorlog of een gedachtewisseling over vrijheid en democratie. Omdat dat zo complex is geworden in deze tijd. Toch is dat hard nodig. De Poolse kinderarts, pedagoog en kinderboekenschrijver Janusz Korzack, die in 1942 in Treblinka werd vermoord, zei het al: ‘De opvoeder heeft niet de plicht de verantwoording voor een verre toekomst op zich te nemen, maar hij is wel volledig verantwoordelijk voor de huidige dag.’ Gerdien Bertram, universitair hoofddocent Levensbeschouwelijke Vorming aan de VU, schreef een prachtig essay.

Dit essay is eerder gepubliceerd is in het Friesch dagblad (weekendeditie 4/5 mei) en met toestemming van Gerdien overgenomen.

4 mei was de Nationale Herdenking. In het door het Nationaal Comité 4 en 5 mei geformuleerde memorandum dat in de loop der jaren enkele malen aangepast is, wordt benoemd wie we herdenken. Sinds 2011 luidt de formulering als volgt: ‘Tijdens de Nationale Herdenking herdenken wij de Nederlandse oorlogsslachtoffers. Allen – burgers en militairen – die in het Koninkrijk der Nederlanden of waar ook ter wereld zijn omgekomen of vermoord sinds het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog, en daarna in oorlogssituaties en bij vredesoperaties.’ Op verzoek van de Joodse gemeenschap heeft het comité in 2011 het begrip ‘vermoord’ toegevoegd om daarmee de doelbewuste vernietiging van Joden, Sinti en Roma tijdens de holocaust expliciet te benoemen.

Joodse slachtoffers van de Holocaust
De eerlijkheid gebiedt mij te bekennen dat ik bij deze toevoeging nog nooit zo stil gestaan had. Tot een paar weken geleden, tijdens een bezoek aan Yad Vashem, het holocaust monument in Israël, in het bijzijn van onder meer rabbijn Awraham Soetendorp en zijn vrouw. Beiden zijn geboren in de Tweede Wereldoorlog en hebben een groot deel van de oorlog op onderduikadressen door moeten brengen. Zij overleefden, maar zovelen anderen niet. Zes miljoen Joodse slachtoffers van de Holocaust, onder wie 1,6 miljoen kinderen aan wier leven op zo’n gruwelijke wijze veel te vroeg een einde is gekomen.

Het recente bezoek aan Yad Vashem, met de diepe emoties van de rabijn en zijn vrouw zo zichtbaar, hoorbaar en voelbaar, heeft me diep geraakt. We bezochten het kindermonument, uit een grot gehouwen. Je loopt langzaam steeds verder onder de grond, het duister in. Op de achtergrond klinken namen van vermoorde kinderen, hun leeftijd en hun land van herkomst. Boven je hoofd branden kleine lichtjes, als sterretjes, voor elk kind één. Nu en dan lichten uit de duisternis levensgrote gezichtjes op van kinderen die de Holocaust niet overleefden. Maar, zo leerde ik in Yad Vashem van Sira Soetendorp, dit is te zacht uitgedrukt. De kinderen zijn vermoord... Dat horen en zeggen we misschien liever niet, maar toch is het zo.

Hoe kun je leven in zo’n wereld?
Daar, in het kindermonument, voelde ik lijfelijk iets van het verdriet en de wanhoop. Hoe kun je verder leven in een wereld waar zulke dingen gebeuren? Waar mensen vermoord worden omdat ze... Ja, waarom eigenlijk? Omdat ze anders zijn? Anders denken? Niet passen in het ideale plaatje? Omdat ze niet bij ‘ons’ horen?

Hoe kun je leven in zo’n wereld? En wat is je rol als mens, als ouder, als opvoeder, als leerkracht voor kinderen en jongeren?

Daar, in het kindermonument, voelde ik lijfelijk iets van het verdriet en de wanhoop

Deze vragen lieten mij en mijn reisgenoten, allen leidinggevenden in christelijk onderwijs, niet los. Zeker ook niet toen we enkele dagen later in Bethlehem waren. We verbleven bij Palestijnse gastgezinnen en hoorden over het leven daar. We liepen einden langs de twaalf meter hoge scheidingsmuur en bezochten een vluchtelingenkamp aldaar. Ook daar waren namen. Namen van kinderen die slachtoffer zijn geworden van haat. Van een denken dat geen ruimte laat voor anders-zijn. Van een haat die de ander het licht in de ogen niet gunt.

En ik? Ik voelde, wat ik verstandelijk natuurlijk al lang wist, dat het leed niet geleden is. Dat de oorlog niet voorbij is. Waarmee ik nadrukkelijk niet wil zeggen dat ik de Tweede Wereldoorlog op enige manier wil vergelijken met het Palestijns-Israelisch conflict. Dat kan niet en dat mag niet. Maar intussen was het leed er toen en is het leed er nu. En de vraag blijft hoe wij ermee omgaan, welke keuzes wij nu maken en hoe wij onze kinderen en jongeren hierin meenemen. Voor mij gaan 4 en 5 mei ook dáár over. Dat kinderen en jongeren leren over de Tweede Wereldoorlog en de verschrikkelijke dingen die toen hebben plaatsgevonden. Maar ook dat zij zich bewust zijn van het leed dat mensen elkaar, in het klein maar ook in het groot, tot op de dag van vandaag aandoen. En dat ze daarin zelf ook een rol spelen en een keuze hebben. En dat er moed voor nodig is om de juiste keuzes te maken.

Een jaarlijks Denkboek
Het Nationaal Comité 4 en 5 mei levert daar met het jaarlijkse ‘Denkboek’ voor leerlingen uit groep 7 een belangrijke bijdrage aan. Elk jaar worden zo ruim 220.000 leerlingen uitgedaagd om na te denken over de Tweede Wereldoorlog, herdenken en vieren, vrijheid en democratie. Voor de leerlingen is er een prachtig boek met teksten, afbeeldingen en opdrachten, aangevuld met beeldmateriaal en video’s op internet dat zowel op school als thuis bekeken kan worden. Het lesmateriaal sluit aan bij diverse kerndoelen van het (basis)onderwijs en beoogt zo een bijdrage te leveren aan respectvol samenleven. Prachtig in de opzet is de insteek dat kinderen het boek ook thuis gebruiken, samen met een volwassene vragen invullen en erover doorpraten. Het materiaal biedt dus volop kansen om op school en thuis met samenlevingsvraagstukken aan de slag te gaan.

De praktijk is helaas weerbarstiger. Niet in de laatste plaats vanwege de lange meivakantie die er tegenwoordig op veel scholen gehouden wordt. 4 en 5 mei vallen er nu dikwijls middenin. Dit betekent dat leerkrachten hun lessen over 4 en 5 mei al (ver) voor Koningsdag af moeten ronden. Dit jaar werden de Koningsspelen al op vrijdag 12 april gehouden omdat het de vrijdag daarop Goede Vrijdag was en voor een flink aantal Nederlande scholieren de meivakantie toen al begon. Als je dan bedenkt dat het zorgvuldig samengestelde materiaal van Nationaal Comité 4 en 5 mei op 3 april bij de deelnemende scholen bezorgd wordt, dan begrijp je dat op lang niet alle deelnemende scholen het materiaal optimaal benut zal zijn.

Wat mij betreft een zeer spijtige zaak waar ik, gezien het feit dat de lange meivakantie inmiddels helemaal ingeburgerd lijkt te zijn, nog niet zo snel een oplossing voor zie. Natuurlijk kan het lesmateriaal ook op een ander moment in het jaar gebruikt worden, maar de impact is aanmerkelijk groter als het leren op school samenvalt met de ervaringen en concrete activiteiten in het alledaagse leven. Learning by doing and undergoing noemde de grote pedagoog John Dewey dat.

Betrokkenheid van Nederlandse jongeren bij de sameleving
Wat mij echter nog meer zorgen baart is het feit dat het bespreekbaar maken van de Tweede Wereldoorlog en een klassengesprek voeren over vrijheid en democratie op sommige scholen zo complex is geworden dat leerkrachten zich er soms maar liever niet aan wagen. Het rapport Twee werelden, twee werkelijkheden uit 2016 van Margalith Kleijwegt laat op indringende wijze zien dat antisemitisch gedrag op sommige scholen, met name in het voortgezet onderwijs en het (middelbaar) beroepsonderwijs een terugkerend probleem is. Leerlingen die beweren dat het goed was wat Hitler deed. Of die tijdens een les over discriminatie opeens opstaan en met een denkbeeldig wapen de klas ‘rondschieten’ en roepen: ‘Als ik een kalasjnikov had, schoot ik alle joden dood.’ De situatie is er sinds 2016 helaas nog niet beter op geworden. Polarisatie in de samenleving neemt toe. Niet in de laatste plaats onder jongeren.

Onlangs werd het rapport De staat van het Onderwijs 2019, over trends en ontwikkelingen in het onderwijsstelsel, gepresenteerd. Socialisatie, in de zin van het bevorderen van betrokkenheid bij de samenleving, wordt in het rapport beschreven als een van de kerntaken van onderwijs. Tegelijkertijd wordt benadrukt dat eigenlijk niemand goed weet hoe het met de betrokkenheid van Nederlandse jongeren bij de samenleving staat. Wel weten we dat de maatschappelijke houding en burgerschapscompetenties van leerlingen uit het voortgezet onderwijs in Nederland lager zijn dan in vergelijkbare landen. Hoewel de burgerschapsvaardigheden van leerlingen uit groep 8 en leerjaar 1 van het voortgezet onderwijs wat gestegen lijken te zijn, is er alle reden om meer aandacht te besteden aan deze kerntaak van onderwijs. Positief nieuws is dat burgerschapsonderwijs echt verschil kan maken: ‘Leerlingen met lager opgeleide ouders en op lagere schoolsoorten hebben de minste burgerschapscompetenties. Op scholen die veel burgerschapsonderwijs geven, is deze achterstand beduidend minder’, zo valt in het rapport te lezen. Toch maar dapper doorgaan met die burgerschapslessen dus, hoe weerbarstig en complex de realiteit ook kan zijn!

Wie dan wel?
Yad Vashem, Bethlehem en bovenbeschreven praktijken in Nederlande scholen overziende, kan ik de vraag hoe als volwassene in deze wereld te staan en daar ook jegens de volgende generatie mijn verantwoordelijkheid in te nemen niet naast me neerleggen. Niets doen is geen optie. Paul van Vliet verwoordde dit treffend in zijn gedicht Wie dan wel?:

Als wij niet meer geloven dat het kan

Wie dan wel?

Als wij niet meer vertrouwen op houen van

Wie dan wel?

Als wij niet meer proberen

Om van fouten wat te leren

Als wij ’t getij niet keren

Wie dan wel?

Kinderen als mens zien
Maar hoe dan? In Yad Vashem bezochten we ook het monument van Janusz Korzack. Geboren in Warschau, 1878, in een welvarend gezin met ouders die liever niet wilden dat hij met straatkinderen speelde. Toch heeft juist deze Korzack zijn hele leven lang geprobeerd iets voor armen te doen. Na een studie geneeskunde werd hij kinderarts. Voor hem was dat nog niet genoeg om van betekenis te zijn voor de kinderen in zijn stad. Hij richtte een weeshuis op en ging daar zelf, als directeur, ook wonen. Zo leefde hij met de kinderen en creëerde hij een thuis voor hen. Kenmerkend van zijn aanpak was dat hij echt respect had voor de kinderen. Korzack zag kinderen werkelijk als mens, met mogelijkheden en rechten. Toen de kinderen uit het weeshuis weggevoerd werden naar Treblinka is Korzack, inmiddels op hoge leeftijd, vrijwillig met hen meegegaan. De dood tegemoet. Van deze Korzack is de uitspraak: ‘De opvoeder heeft niet de plicht de verantwoording voor een verre toekomst op zich te nemen, maar hij is wel volledig verantwoordelijk voor de huidige dag’.

Korzack zag kinderen werkelijk als mens, met mogelijkheden en rechten

Voor mij ligt hier een antwoord op de vraag hoe ik in het leven kan staan en van betekenis kan zijn voor de volgende generatie. Ouders, docenten en mede-opvoeders hoeven niet de last te dragen van een verre, onbekende toekomst maar moeten met het oog op die toekomst wel elke dag ‘proberen van fouten te leren en het getij te keren’. Daarom herdenk ik 4 mei en vier ik 5 mei. En daarom heb ik, volgens Joods gebruik, in Yad Vashem een steentje gelegd op het monument van Korzack. Als teken van het bouwen aan een nieuwe toekomst. Als teken ook dat er altijd hoop is. Hoop, die zichtbaar wordt in kleine, maar toch zo grote dingen. Moslims, joden en christenen in Israël die ondanks, of misschien wel dankzij, hun eigen lijden en verdriet en dikwijls ook haatgevoelens, toch de dialoog aangaan en elkaar in de ogen kijken. Tieners die ondanks de spanningen in hun land elkaar omarmen en zeggen: ‘Het maakt mij niet uit wat je gelooft, we zijn gewoon vrienden.’ Mensen die, ondanks alles, blijven zoeken naar vrede en blijven geloven dat het kan. Zoals ook rabbijn Lody van de Kamp (1948) en de jonge moslima Oumaima Al Abdellaoui in hun hoopvolle briefwisseling die vorige maand verscheen bij KokBoekencentrum onder de veelzeggende titel: Over muren heen.

Een land van vrijheid
Nog één keer Janusz Korczak. Als kinderen op veertienjarige leeftijd het weeshuis verlieten, gaf Korczak hun een afscheidsbrief mee. Met daarin het belangrijkste wat mee te geven is op de reis van het leven: ‘We geven jullie maar één ding: het verlangen naar een beter leven, dat nu nog niet bestaat, maar dat eenmaal zal bestaan, een leven in waarheid en gerechtigheid.’ Anno 2019 is het onverminderd van belang dat er ouders en leerkrachten zijn die kinderen en jongeren dat basisverlangen meegeven, vanuit geloof, hoop en liefde. En ze zijn er, Goddank! Mensen zoals mijn reisgenoten die, samen met zovele anderen, elke dag in het onderwijs op hun eigen plek en wijze zaadjes van hoop en verzoening willen planten.

Op 5 mei, vier ik dat we in een land leven waarin we dit in vrijheid mogen doen. Een land waarin er vrijheid is om onderwijs goed vorm te geven. Om zo, dag voor dag, verantwoordelijkheid te kunnen nemen voor de toekomst van de aan ons toevertrouwde kinderen en jongeren.

Gerdien Bertram-Troost is als Universitair Hoofddocent Levensbeschouwelijke vorming verbonden aan zowel de faculteit Religie en Theologie als de afdeling Pedagogische wetenschappen van de Vrije Universiteit Amsterdam.

Reacties

0
Er zijn nog geen reacties
Delen:
Op de hoogte blijven?
Schrijf je in voor de nieuwsbrief