Stichting Nivoz logo
Sterkt leraren, schoolleiders en betrokkenen bij de uitvoering van hun pedagogische opdracht

Nivoz platform hetkind

Een geschiedenis van het onderwijs in Nederland: 'Verwachten we te veel van het onderwijs?'

21 december 2018

Geschiedkundige Piet de Rooy ziet dat veel problemen voortkomen uit de overvraging van de school en zoekt in zijn boek Een geschiedenis van het onderwijs in Nederland antwoorden op de vragen die hij zich daarover stelt. ‘Dat is moeilijk, want ‘wie Google de zoekterm ‘education’ opgeeft, krijgt bijna drie miljard hits, wie ‘God’ intikt moet het moet het doen met nog geen 2 miljard’. Rikie van Blijswijk las het boek en geeft een samenvatting.

‘Wat is dat toch met het onderwijs in Nederland? De ene vernieuwing is nog niet in gang gezet of de volgende komt er al aan. Nu eens moeten de scholen de leerlingen vooral voorbereiden op de toekomst, dan weer opleiden tot democratische burgers en menslievende Nederlanders. Wat het onderwijs ook allemaal tot stand moet brengen, het is allemaal te weinig en niet goed genoeg.’

In de opvatting van Piet de Rooy komen vele problemen in het onderwijs voort uit de overvraging van de school. ‘En’, zo vraag hij zich af in zijn woord vooraf, ‘is dat niet het gevolg van grote verschillen van opvatting over de functie van de school en het doel van onderwijs? Moet de school kinderen in staat stellen hun individuele kwaliteiten ten volle ontplooien, in de hoop daarmee op termijn de kwaliteit van de samenleving te verhogen? Of moet het onderwijs er vooral op gericht zijn te voldoen aan de huidige en toekomstige eisen van de arbeidsmarkt, om zo het economische draagvlak van Nederland te behouden in de internationale concurrentieverhoudingen? Of van dit alles wat, maar niets ten volle?’

Hij moet door de veelheid aan informatie zijn onderzoek beperken en ‘laat vele bomen staan om het bos in het oog te houden’ en richt zich vooral op ‘de verschillende verwachtingen en teleurstellingen, de idealen en de desillusies, de slangendans tussen standsbevestiging en emancipatie’.  

Wat volgt is 349 pagina’s geschiedenis van het onderwijs, die beginnen met de opkomst van de homo sapiens, die gepaard gaat met een cognitieve revolutie en nauw verbonden is aan een grote taalvaardigheid. De Bijbel is een voorbeeld van de overgang van een rijke orale cultuur naar het vastleggen in het schrift. In de Middeleeuwen breidt zich de geletterde cultuur uit en ontstaat geleidelijk een breed en zeer gedifferentieerd aanbod van onderwijs.

Als Nederland rond 1800 een natiestaat wordt, wordt ‘nationaal onderwijs’ ingevoerd, maar ontvouwt zich ook de schoolstrijd. Eind 19e eeuw gaan vrijwel alle kinderen naar op zijn minst de lagere school. Daarop ontstaat aan het begin van de 20e eeuw kritiek als blijkt dat de ‘aansluiting’ met het voortgezet onderwijs matig is.

Na de Tweede Wereldoorlog moet een drastische vernieuwing een bijdrage leveren aan de oplossing van sociale en culturele problemen. De Mammoetwet moet een nieuwe samenhang in het onderwijsbestel brengen. In de jaren zestig van de vorige eeuw verliest het vak pedagogiek, waarin gezaghebbende uitspraken worden gedaan over kinderen en jongeren die vooral betrekking hebben op het onderwijs en noodzakelijke vernieuwingen, gezag én terrein aan de sociologie en psychologie. Onderwijskunde is het nieuwe vak.

Na de jaren zestig wordt het ideaal van gelijke kansen verbonden met het streven naar efficiëntie om het onderwijsniveau te verhogen en daarmee economische groei te bevorderen. De toegepaste onderzoeksmethodologie blijkt weerbarstig en heeft in een aantal gevallen perverse gevolgen.

Bovenstaande samenvatting zou kunnen doen vermoeden dat het een saai boek is. Integendeel, de vele voorbeelden en soms komische ondertoon maken het zeer lezenswaardig. Niet in de laatste plaats omdat de gekozen invalshoek voor een deel bepaald is door de afkomst en persoonlijke ervaringen van de auteur.

‘Mijn universitaire loopbaan ving aan toen ik in 1975 kwam te werken op de afdeling historische pedagogiek aan de Universiteit van Amsterdam. In die jaren heersten hooggestemde opvattingen over het vermogen van het onderwijs om de samenleving te veranderen. Dat liep op een deceptie uit. Niet elk ideaal is echter een illusie. Het gezin waarin ik ben opgegroeid is niet denkbaar zonder de emanciperende functie van het onderwijs’. Peter de Rooij (1915-1962), vader van de auteur, kwam uit een schamele boerenfamilie en heeft zich daaraan ontworsteld met behulp van het onderwijs, met name te danken aan de kweekschool. Hij stierf als leraar pedagogiek in het harnas, in de docentenkamer van een kweekschool. Deze persoonlijke ervaringen zijn verweven met de verhaallijnen in de geschiedenis van het onderwijs in Nederland, waardoor ze voor elkaar een decor vormen.

In het laatste hoofdstuk komt de Rooy bij de beschrijving van de actuele onderwijssituatie. Daaruit haal ik een paar uitgebreide citaten aan, omdat ze de verwoorde onvrede van leraren in de laatste jaren treffend vatten, zoals de gevolgen van het wegvallen van de pedagogiek en de autonomie van leraren, de regeldruk en de taakverzwaring en de maatschappelijke status van leraren.

De school als gemeenschap
‘Dat betekent niet dat er geen verschil is in kwaliteit tussen leerkrachten en tussen scholen. Leerlingen weten het feilloos aan te geven. Desgevraagd blijkt dan echter dat het allerbelangrijkste is dat leraren vertrouwen wekken, redelijk en eerlijk zijn in straffen en belonen, bemoedigen en corrigeren. Leerkrachten worden vooral gewaardeerd als ze’ good citizenship in action’ vertonen. Dat geldt evenzo voor scholen.

Het is niet zozeer de inhoud van het onderwijs, zelfs niet de didactische visie die het allerbelangrijkst is, maar vooral het klimaat op school, de manier waarop leerlingen en leraren met elkaar omgaan, kortom, het functioneren van ‘schools as societies’. Het grotendeels ontbreken van een visie op de school als gemeenschap is misschien wel het ernstigste nadeel van het wegvallen van de pedagogiek, zoals deze lange tijd geworteld was in de schoolpraktijk van alledag.

Het vacuüm dat zo is ontstaan, is vanaf de jaren tachtig voor een deel ingevuld door de management- en efficiencycultuur van onderwijsadviesbureaus van allerlei soort, maat en snit. Een willekeurige rondgang langs een aantal websites van deze bureaus stemt niet vrolijk. Als het ritme van een dieselmotor heerst er een monotoon gedreun: continuous improvement’, verhogen van onderwijsopbrengsten’, ‘monitoren van voortgang’ en uiteraard ‘borgen van resultaten’ (pag. 262).

Professionaliteit heeft recht op autonomie
‘Leerkrachten lijken in het algemeen tevreden tot zeer tevreden met hun werk, blijkens de Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden 2016 van het TNO. Tegelijkertijd is het aantal klachten over burn-outverschijnselen in het onderwijs hoog, wellicht zelfs het hoogste van alle sectoren van de arbeidsmarkt. Dit wijst op een groeiende spanning tussen wat leerkrachten als de kern van hun werk zien en het klimaat waarin dat verricht moet worden. De omgang met kinderen, het lesgeven aan leerlingen is voor velen een dagelijkse vreugde, maar het vergt ruimte om er op een eigen manier vorm aan te geven. Dit was al een essentieel strijdpunt voor Theo Thijssen, die geen bemoeiallen met zijn onderwijs, laat staan in zijn klas duldde. Het hangt samen met beroepstrots: professionaliteit heeft recht op autonomie.

Deze autonomie is in een aantal opzichten natuurlijk beperkt. Leerkrachten vervullen immers een publieke functie, ze worden betaald door de overheid en dienen te voldoen aan wet- en regelgeving. Maar ze moeten kunnen beschikken over een zekere manoeuvreerruimte om in dit kader te kunnen functioneren.

In dit opzicht komen onderwijsfuncties overeen met functies in de zorg, bij de sociale dienst of politie. Degenen die de regels moeten toepassen hebben een zekere discretionaire bevoegdheid nodig , enige ruimte om naar eigen oordeel goed en fatsoenlijk werk af te leveren: een politieagent moet kunnen besluiten een overtreding met een waarschuwing af te doen in plaats van een bekeuring, een arts moet af kunnen wijken van een voorgeschreven protocol’ (pag. 263).

Hoe meer regels en controle, hoe meer klachten
De Amerikaanse politicoloog Michael Lipsky (1940) heeft in een klassieke studie een overzicht gegeven van de methoden die de ‘streetlevel bureaucracy’, de schakel tussen overheid en burgers, gebruikt om zich een dergelijke manoeuvreerruimte te verschaffen en de gestage strijd die dit oplevert met het management, dat bovenal gericht is op eht afdwingen van regels en de getrouwe uitvoering daarvan tracht te controleren. Naarmate het beleid meer regels ontwerpt en zorgvuldig controleert, zoals de onderwijsinspectie bijvoorbeeld doet, zullen de klachten van de uitvoerder toenemen’ (pag. 264).

Taakverzwaring en maatschappelijk aanzien
‘De behoefte van de samenleving aan een stringentere vorm van socialisatie doet dan ook vooral een beroep op leerkrachten om meer pedagogisch op te treden: niet alleen mediawijsheid moet de leerlingen worden bijgebracht, maar ook moet pestgedrag worden bestreden en interculturele verdraagzaamheid bevorderd. Dat zou nog allemaal tot daaraantoe zijn, als de maatschappelijke waardering parallel liep aan deze taakverzwaring. Leerkrachten hebben echter niet het gevoel dat dit het geval is. Breed heerst in het onderwijs de gedachte dat de waardering vroeger aanzienlijk hoger was. Dit is een mythe, de sociale positie van met name onderwijzers was vooral onbepaald. Ook halverwege de twintigste eeuw wordt de status van leerkrachten door sociologen nog steeds als ‘fragiel’ gekenschetst. Als groep gaan ze zelfs enigszins terug in maatschappelijk aanzien, doordat het opleidingsniveau als geheel de afgelopen decennia fors gestegen is. Zo raken ze een relatieve voorsprong als gestudeerde professionals kwijt. Dit verklaart grotendeels dat uit enquêtes blijkt dat leerkrachten de maatschappelijke waardring voor hun beroep lager inschatten dan ze in werkelijkheid is. Deze ingewikkelde situaties verklaart zowel dat met name de leerkrachten in het basisonderwijs in het najaar van 2017 massaal in actie kwamen voor een betere honorering en een verlichting van de werkdruk, als dat hierop in de publieke opinie met veel begrip werd gereageerd’ (pag. 265).

Piet de Rooy, Een geschiedenis van het onderwijs in Nederland, Amsterdam 2018


Rikie van Blijswijk is verbonden aan NIVOZ-opleidingen. Ze is initiator en begeleider van de NIVOZ-coalitie voor opleidingsdocenten.

Meer informatie
https://podcastluisteren.nl/ep/De-Correspondent-Lex-Bohlmeijer-in-gesprek-met-Piet-de-Rooy

Reacties

0
Login of vul uw e-mailadres in.


Er zijn nog geen reacties
Delen:
Op de hoogte blijven?
Schrijf je in voor de nieuwsbrief