Stichting Nivoz logo
Sterkt leraren, schoolleiders en betrokkenen bij de uitvoering van hun pedagogische opdracht

Nivoz platform hetkind

Wanneer heeft je les kwaliteit? Over dat vonkje, als een kind zegt: ‘Eigenlijk is het heel gek…’

12 april 2019

‘Soms kijk ik naar mezelf en denk ik: wat is mijn leven?’, zegt Achmed. ‘Dat is wel een beetje eng, juf.’ Sabine Wassenberg, filosofiedocente op grootstedelijke basisscholen, mijmert over wanneer een les slaagt.

“Wie weet wat filosofie is?”

Ik heb me net voorgesteld aan de klas, een groep 8 in Amsterdam-West. De leerlingen zijn rond de elf jaar oud. Ze hebben de gepaste aandacht die er altijd is als er een gastdocent komt. Ze staan helemaal open voor wat komen gaat. Voorzichtig gaan de vingers de lucht in. 

Ik sta voor het digibord en kijk naar de kinderen die in groepjes aan hun tafeltjes zitten. Zonlicht schijnt fris naar binnen door de grote ramen. Kleurige posters en gelamineerde A4’tjes met grammaticaregels hangen aan de muur. Met de vaste leerkracht op de dinsdag, juf Annet, heb ik al gemaild om de lessen in te plannen. Ze ziet er warm en hartelijk uit, met een knuffelboezem waartegen kleuters vast graag op schoot zouden gaan zitten. Op mijn verzoek heeft ze naambordjes met de kinderen gemaakt, zodat ik ze meteen bij de naam kan noemen. “Marlies?”

“Volgens mij is filosofie nadenken over het leven.”

“Oké, heel mooi. Het heeft zeker heel veel met nadenken te maken. Over inderdaad bijvoorbeeld het leven. Waar kun je nog meer over filosoferen, denken jullie?”

Het terrein betreden

Het is even stil. Even zie ik de klas als geheel en kijk ik uit over alle hoofden. Veel donkerbruin of zwart haar en een getinte huidskleur, één hoofddoekje en een aantal blond en een lichte huidskleur. Ze weten natuurlijk nog totaal niet welke van hun eigen vragen echt in het terrein van de filosofie zouden passen.

Marlies vervolgt: “Ik bedoel dus bijvoorbeeld: wat is de zin van het leven?”

Felicity’s filosofische dilemma: 'Kun je op meer jongens tegelijk verliefd worden?'

Fijn dat er eentje het ijs breekt! Marlies kijkt intelligent en een beetje stoffig uit haar ogen. De stapel dikke boeken op haar tafel doet vermoeden dat ze een boekenwurm is. Als ik haar met een dier zou moeten vergelijken, lijkt ze een beetje op een muis.

“Dat is inderdaad een filosofische vraag. Heel goed. Wie weet er nog een?”

De arm van Mohammed hangt zwaar in de lucht. Lijvig en onhandig zit hij in een voetbalshirt achter zijn tafeltje dat bijna te klein is voor hem. Ik knik dat hij de beurt heeft. Voorzichtig probeert hij: “Hoe de aarde bestaat.”

“Hoe de aarde is ontstaan bedoel je, toch?” vraag ik aanmoedigend. “Een heel mooie vraag… Hoe is niet alleen de aarde, maar het hele universum met alle planeten en zonnen eigenlijk ontstaan?” En ik richt me op de hele klas om deze bizarre vraag zo indringend mogelijk over te brengen.

Regilio: “Hoe zijn de mensen ontstaan?”

“Ook een mooie.”

Zandkorrels

Dan geef ik zelf nog wat voorbeelden. “Kun je verliefd worden op een robot? Wat is vriendschap? Mogen mensen scheiden als ze getrouwd zijn? Moeten games waarin geweld voorkomt verboden worden? Is de doodstraf een goede straf?”

Joy komt met een mooie: “Moeten sigaretten verboden worden?” Ze kijkt er verbaasd bij, verbaasd dat ze ook een vraag heeft bedacht.

Felicity ziet eruit alsof ze al vijftien is, vroegrijp. Ze zegt: “Kun je op meer jongens tegelijk verliefd worden?”

Sommige kinderen lachen.

“Heel goed! Dit zijn allemaal vragen om over te filosoferen”, zeg ik en Felicity kijkt met een trotse glimlach om zich heen.

“Filosoferen is nadenken en praten over vragen waarop niet één “goed” antwoord is te geven. En dan bedoel ik niet zo’n vraag als “Hoeveel zandkorrels zijn er in de Sahara?”, want als je maar lang genoeg zandkorrels zou gaan tellen, dan zou je wél een antwoord hebben. En er is maar één “goed” antwoord op die vraag, namelijk bijvoorbeeld: precies vijfhonderdduizend triljard, drie miljard vijftienhonderd miljoen, negenduizend driehonderdeenennegentig.” Ze lachen. “Maar als we filosoferen, is er dus niet één “goed” antwoord en kun je nooit zeggen wie er gelijk heeft. We kunnen alleen maar onze meningen geven en steeds dieper nadenken. Dat merken jullie vanzelf. Want dat gaan we de komende lessen doen.”

Dat is wel een beetje eng, juf

Ik heb ze een plastic mapje gegeven met daarop een etiket-sticker van onze organisatie, waarop hun naam geschreven kan worden. Ook staat er de tekst: “Filosoferen is nadenken en praten over vragen waar niet één “juist” antwoord op is.” Voor het geval ze het even kwijt zijn. In het mapje zit een wit vel voor aantekeningen en rode, groene en oranje stembordjes voor het spel dat we straks gaan spelen.

Soms kijk ik naar mezelf en denk ik: wat is mijn leven? Dat is wel een beetje eng, juf.

Als start-opdracht moeten ze zelf een filosofische vraag opschrijven. Daarna mogen sommigen hardop hun vraag voorlezen. Eerst loop ik even rond en ik zie dat Achmed heeft opgeschreven: “Wat is leven?”

Ik vraag Achmed de zin hardop voor te lezen, zodat de hele klas kan meeluisteren, en dan zeg ik tegen hem: “Mooi, Achmed! Wat bedoel je daarmee?”
“Nou niks, maar soms dan kijk ik naar mezelf en dan zit ik zo en kijk ik naar mezelf, niet in de spiegel of zo maar gewoon, en dan denk ik bij mezelf van ja, wat is mijn leven?”
Ik vraag me even af of hij me voor de gek zit te houden, want dit klinkt te mooi om waar te zijn. Zijn getinte gezicht is bleek en daarin stralen lieve ogen.
“Dat is wel een beetje eng, juf.”
Ik zeg: “Ik ken dat gevoel heel goed. Dat kan inderdaad een beetje eng zijn. Ik heb er zelf een boek over geschreven.”

Verbaasd kijkt Joy me aan: “Bent u schrijver, juf?"
“Ja”, zeg ik, “maar ik weet dus dat het wel een beetje eng kan zijn om zo diep te voelen dat je leeft, dat je bestaat. Dan ben je je even heel bewust van jezelf. Ik geloof wel dat als je dat soms hebt, dat je dan wijzer wordt.” 
“Ja juf, maar als ik dan weer ga voetballen is het weer weg.”
Joy: “Ik heb soms dat ik dan uit mijn ogen kijk, zo, en dan vraag ik me af of andere mensen het ook zo zien.”

Ayoub zegt: “Mijn vraag is: waarom zijn moeders eigenlijk belangrijk?”
En dan Chaima: “En juf, soms vraag ik me af als ik mijn arm zo beweeg, hoe kan dat eigenlijk?”

Ik ben flabbergasted. Zouden ze elkaar hebben aangestoken, zouden hun vragen bij elkaar weer hetzelfde soort verwondering hebben geprikkeld? Ik geef ze een grote dosis bewondering, herhaal hun vragen, zeg dat ik ze ook superboeiend vind, geef geruststelling aan Achmed, en complimenten. Bij verwondering begint de filosofie, zei Plato.

Ik hou nu al van deze kinderen.

Eígenlijk als signaalwoord

Thecla Rondhuis, een eminent kinderfilosoof, promoveerde in 2005 op haar proefschrift Filosofisch talent en schreef de boeken Filosoferen met kinderen (1994) en Jong en wijs (2001). Ik heb haar ooit geïnterviewd toen ik begon met het filosoferen met kinderen. Ze vertelde toen over de woorden: “Eigenlijk is het heel gek…” Als je het goed doet, vond ze, als een filosofieles geslaagd is, dan heb je ze niet iets aangeleerd of bijgebracht, want bij filosofie gaat het niet over kennis. Of je les geslaagd is, kun je merken aan de “Eigenlijk-is-het-heel-gek”-momenten. Als kinderen zelf in een bepaalde verwondering terechtkomen, dan is je les geslaagd.

Zulke momenten ben ik in de loop der jaren veel bij kinderen tegengekomen. Ze zeggen het er natuurlijk niet altijd letterlijk bij. Soms is het verpakt in een nieuwe filosofische vraag. Soms hebben ze de beurt niet eens, maar zie je het aan hun ogen, de verwondering. “Eigenlijk is het heel gek dat we liefde voelen, maar niet weten wat het is. Dat we elkaar door geluiden te maken kunnen begrijpen. Dat we sommige schilderijen massaal mooi vinden.”

Je kunt Plato’s citaat ‘Bij verwondering begint de filosofie’ ook omdraaien: door te filosoferen kom je ín een verwondering. Je wordt je bewust van de ambiguïteit van woorden en concepten. Liefde. Communicatie. Schoonheid. De betekenis van een woord is een afspraak, maar waar verwijst dat woord eigenlijk precies naar in de echte wereld? Het is een moment waarop de normale vanzelfsprekende interpretaties van de wereld, die in het brein al aanwezig zijn, even aan het wankelen worden gebracht. Je kijkt met een lichte vervreemding naar die wereld en je vindt het niet “normaal”, maar “eigenlijk heel gek”. Dit kan gaan over de meest banale dingen. Het feit dat we allemaal schoenen dragen, dat we twee armen hebben, dat we muziek kunnen horen, dat er mannen en vrouwen bestaan, dat er ook dieren bestaan, dat we kunst hebben verzonnen en gemaakt, dat we gedachten hebben en dat we niet niet bestaan. Alles is eigenlijk wel verwonderlijk.

Sabine Wassenberg

Dit is een bewerking van het openingshoofdstuk uit Sabine Wassenbergs boek ‘Kinderlogica’. Dit artikel verscheen in jenaplanmagazine Mensenkinderen, thema ‘Kwaliteit – tussen vinken en vonken’ (maart 2019). Sabine is te vinden via: wonderwhy.nl

Reacties

0
Er zijn nog geen reacties
Delen:
Op de hoogte blijven?
Schrijf je in voor de nieuwsbrief