Stichting Nivoz logo
Sterkt leraren, schoolleiders en betrokkenen bij de uitvoering van hun pedagogische opdracht

Nivoz platform hetkind

Voorbij studiesucces als rendement: pleidooi voor maatschappelijk relevant hoger onderwijs

26 september 2018

In het boek Studiesucces in het hoger onderwijs – van rendement naar maatschappelijke relevantie gaan de auteurs Folke Glastra, Daniel van Middelkoop en Rob Martens op zoek naar alternatieven voor de huidige sterk rendement en op efficiency gedreven invulling van ‘studiesucces’. Dit opiniërende artikel is de opmaat naar een discussie die ze - samen met de HvA en beleidsbepalers uit het hoger onderwijs – willen aanzwengelen en verder vorm willen geven op 1 november in Pakhuis de Zwijger in Amsterdam.

Sinds de onderwijsnota ‘Het hoogste goed’ (2007) wordt in hbo-instellingen en universiteiten gestuurd op studiesucces. En waarom ook niet? De redenering is: deelname aan hoger onderwijs vraagt forse investeringen zowel van deelnemers als uit publieke middelen. Een tegenprestatie van de kant van het hoger onderwijs is dus op zijn plaats. En daar mag het niet bij blijven. Onderwijsinstellingen moeten hun rendement aantoonbaar verbeteren: uitval en studieswitch voorkomen, studieduur verkorten, en met meer efficiëntie en tegen lagere kosten meer afgestudeerden aan de eindstreep brengen. In afzonderlijke meerjarenafspraken en hoofdlijnenakkoorden zijn hogeronderwijsinstellingen aangezet tot maatregelen om die doelen te bereiken en over de resultaten verantwoording af te leggen. Studiesucces is een reeks prestatie-indicatoren, een meetbaar gegeven geworden. Maar deze quasi-objectieve graadmeters berusten op een eenzijdige rendementslogica en benemen het zicht op hoe deze prestaties in het hoger onderwijs tot stand komen. Het denken in termen van studiesucces blokkeert bovendien de discussie over de vraag of dit de prestaties zijn waarmee het hoger onderwijs studenten op een onzekere toekomst zou moeten voorbereiden.

Effecten van rendement gedreven studiesuccesbeleid

Sturen op studiesucces is in de achter ons liggende tien jaar geen succes gebleken. Wie de tussentijdse rapporten van de Onderwijsinspectie erop naleest, komt tot de conclusie dat de afspraken tussen het ministerie en de instellingsbestuurders nauwelijks herkend zijn op het niveau van de docenten en studenten, afgezien van plaatselijke experimenten met speciale subsidies. Het zijn de facto bestuurs-issues geworden. Kerndoelstellingen als uitvalbestrijding en rendementsverbetering zijn niet of nauwelijks gerealiseerd. *1

Het studiesuccesbeleid laat, afgezien van zijn geringe effectiviteit, een aantal gebreken zien, die het hoger onderwijs schade toebrengen. We noemen de vijf belangrijkste.

  1. Bij gebrek aan inhoudelijk kompas verdrijft het studiesuccesbeleid met zijn opgelegde rendementsdoelstellingen de inhoudelijke discussie over wat goed hoger onderwijs is en wat het zou moeten opleveren. Goed onderwijs wordt dan gelijkgesteld aan onderwijs dat betere rendementen oplevert. Onderwijs wordt zo uitgekleed tot een puur instrumenteel proces dat gemeten wordt aan outputnormen. Onderwijsbestuurders moeten zorgen dat die gehaald worden. De vraag of het de goede dingen zijn die er in het hoger onderwijs geleerd worden, wat studiesucces eigenlijk inhoudt, verdwijnt daardoor onder de tafel. En in het onderwijsleerproces worden onderwijspedagogische vragen ingeruild voor rendementstechnieken. Wie onderwijs reduceert tot een besturingsproces en onderwijsbestuurders als procesmanagers en boekhouders daarvan aanspreekt, mag geen ingrijpende bezinning of verandering verwachten. Maar voor goed hoger onderwijs in tijden van ingrijpende veranderingen zijn die wel geboden.
     
  2. Het studiesuccesbeleid heeft door zijn concentratie op interne prestatie-indicatoren een verkokerende uitwerking op het onderwijsveld. Het versterkt met zijn afspraken en controles per instelling de naar binnen gekeerde blik, het schoonvegen van het eigen straatje, strategisch gedrag en onderlinge concurrentie. Problemen die te maken hebben met de aansluiting tussen instellingen onderling, zoals die tussen mbo en hbo, of met de bredere samenleving, vallen tussen de wal en het schip. Het afrekenen van instellingen op ‘hun’ outputprestaties, heeft geleid tot een tendens naar vormen van selectie zowel aan de poort als in de vervolgjaren (Bindend StudieAdvies). De emancipatiefunctie van het hoger onderwijs, die afhankelijk is van soepele doorstroming tussen onderwijsniveaus, is daarbij in het geding. Het studiesuccesbeleid versterkt de neiging het hoger onderwijs te verschralen tot hulp bij kennisreproductie. Studenten wordt geleerd ínside the box te denken, zich voorspelbaar te gedragen. Hoger onderwijs dat studenten wil voorbereiden op een onzekere toekomst zal de  samenwerking moeten zoeken over traditionele sectorgrenzen heen en studenten stimuleren ook buiten academisch aanvaarde grenzen te denken en te zoeken.
     
  3. Het studiesuccesbeleid reduceert onderwijsleerprocessen tot een beperkt aantal meetbare uitkomsten, ‘kengetallen’. Een buitengewoon misleidende aanduiding. Immers het spel van instellingen, lesprogramma’s, docenten en studenten, die die uitkomsten produceren, blijft buiten beeld, samen met al die uitkomsten die in dit meetspel niet worden meegewogen. Verbeteringen in dat onderwijsspel moeten evidence based zijn, zo heeft de minister destijds beschikt. En dus zijn oplossingen weggehaald uit de praktijk waar de problemen zich voordoen en uitbesteed aan het onderwijsonderzoek. Dat is niet eens een omweg, dat is een doodlopende steeg. Onderwijsonderzoekers doen hun werk onder publicatievoorwaarden die het nauwelijks toelaten complexe en dynamische onderwijsproblemen met voldoende diepgang te bestuderen. Onderzoek dat tot evidence based praktijken moet leiden heeft idealiter de vorm van randomized controlled trials. Uit de praktijk gelichte, schoongepoetste en tot enkele variabelen gereduceerde experimenten. Dat levert universele kennis op over die paar variabelen en condities ten tijde van het experiment. En carrièrepunten voor de onderzoekers. Maar die kennis heeft een grote afstand tot de complexe en dynamische onderwijspraktijken, die per plaats en omstandigheden van elkaar verschillen. Docenten kunnen er doorgaans weinig mee. Voorstanders van evidence based onderwijs zien docenten en bestuurders het liefst als uitvoerders van wetenschappelijke  scripts. Maar wetenschap kan niet bepalen wat goed onderwijs is. En om die discussie te voeren is niet de onderschikking maar de stem en de ervaring van docenten en bestuurders juist broodnodig.
     
  4. In het kader van het studiesuccesbeleid is geld gereserveerd voor experimenten ter verbetering van de positie van onder andere studenten met een niet-westerse achtergrond. Maar dat beleid gaat in principiële zin voorbij aan de vraag hoe onderwijsinstellingen moeten omgaan met de toenemende diversiteit aan achtergronden, oriëntaties en ambities van de groeiende groep studenten die zij moeten opleiden. In zijn gerichtheid op het halen van outputnormen, zet dat beleid studenten die afwijken van ‘de norm’ juist apart als risicostudenten, waaraan voor zover mogelijk reparaties verricht moeten worden. Dat zorgt ervoor dat de vraag hoe onderwijsinstellingen zich zo kunnen ontwikkelen dat ze tegemoet kunnen komen aan de variëteit aan leerbehoeften en uiteenlopende sociale en culturele bindingen van alle studenten van tafel verdwijnt.
     
  5. De twee spelers om wie het draait bij de totstandkoming van studiesucces - docenten en studenten - worden door het beleid tot sluitpost gemaakt. Het studiesuccesbeleid draagt met zijn nadruk op bestuursverantwoording, evidence based maatregelen en output monitoring bij aan de tendens van beperking van de professionele ruimte van docenten. Onder meer de ruimte om samen met studenten te zoeken naar mogelijkheden op het gebied van studievoortgang en –verbetering. Studenten worden in het kader van de verantwoording van het studiesuccesbeleid gereduceerd tot cijfers in de spreadsheets die de bestuurders moeten overleggen. Het is tijd om docenten en studenten weer als centrale subjecten bij de onderwijsverbetering te betrekken.

Naar maatschappelijk relevant hoger onderwijs

Studiesuccesbeleid heeft belangrijke nadelige effecten. Hoe zou het anders kunnen?  Ons uitgangspunt is dat voor de bevordering van studiesucces - in de meer omvattende zin van de maatschappelijke en persoonlijke relevantie van hoger onderwijs - de dialoog tussen alle betrokken partijen noodzakelijk is en de verbindingen tussen hen bevorderd moeten worden. Er bestaat geen heilige graal van het studiesucces. De complexiteit en dynamiek van contexten, processen en uitkomsten die tot studiesucces kunnen leiden, zijn zo groot, dat uitwisseling en bundeling van inzichten en ervaringen nodig zijn om stappen vooruit te zetten.

De complexiteit en dynamiek van contexten, processen en uitkomsten die tot studiesucces kunnen leiden, zijn zo groot, dat uitwisseling en bundeling van inzichten en ervaringen nodig zijn om stappen vooruit te zetten.

Een begin is al gemaakt. De bezetting van het Amsterdamse Maagdenhuis in februari 2015 wijst op verzet tegen het rendementsdenken in het hoger onderwijs. Al eerder werd gesignaleerd, bijvoorbeeld in het manifest van ‘Science in Transition’, in publicaties van onder meer Martha Nussbaum en Gert Biesta, dat klassieke functies van hoger onderwijs verwaarloosd en verwaterd zijn geraakt en dat er ruimte moet komen voor alternatieve benaderingen.

Wij denken dat er een omslag in het hoger onderwijs moet komen en schetsen kort een aantal hoofdelementen daarvan.

  1. Er is een andere visie op goed hoger onderwijs nodig. De studiesuccesagenda verhult dat het hoger onderwijs voor alles gericht is geraakt op de (academische of beroepsgerichte) kwalificatiefunctie. Nussbaum spreekt van het afleveren van ‘productiemachines’. Biesta pleit voor het herstel van de balans met andere onderwijsdoelen zoals socialisatie en subjectvorming. De marktwaarde van kennis en vaardigheden heeft andere waarden steeds meer verdrongen. Nieuwsgierigheid, kritisch vermogen, zelfverantwoordelijkheid, inlevingsvermogen en creativiteit worden geofferd aan economisch nut. Toch kan blijken dat die eigenschappen nodig zijn in de uitdagingen waarvoor mensen in de nabije toekomst gesteld zullen worden. Hoe het hoger onderwijs aan de vormgeving van die toekomst bij kan dragen, moet het onderwerp van een dialoog zijn. Niet alleen beleids- en bestuurscircuits, maar alle betrokken partijen moeten de ruimte en de ondersteuning krijgen om die te ontwikkelen, en daaraan in gelijkwaardigheid bij te dragen. Alleen dan kan er van fouten geleerd worden.
     
  2. In plaats van interne prestatie-indicatoren die elke speler op zichzelf terugwerpen en het onderwijssysteem fragmenteren, is actieve stimulering van samenwerking geboden, over traditionele grenzen heen. Tussen onderwijsinstellingen onderling, in de onderwijsketen en tussen studenten, docenten, bestuurders, onderzoekers en beleidsmakers. Een samenwerking in de vorm van een samengaan van ervaringsuitwisseling, veldexperimenten, onderzoek en beleidsontwikkeling.  Zo kunnen lokale experimenten en ervaringen in de ontwikkeling naar goed hoger onderwijs hun weerslag hebben op het hele hoger onderwijsveld.
     
  3. In navolging van het advies van de Raad voor Volksgezondheid en Samenleving (2017) over evidence based medicine zou in het onderwijsveld gestreefd moeten worden naar context based onderwijs gepaard aan context based onderzoek. Context based onderzoek gaat vaak onder de noemer praktijkgericht onderzoek en wordt dan onderscheiden van fundamenteel wetenschappelijk onderzoek. Het is die laatste vorm waarop  onderwijsonderzoekers nu aangewezen zijn voor hun carrière. Om een vruchtbare samenwerking tussen onderwijspraktijken en onderwijsonderzoekers te bereiken, moeten de financiële middelen voor praktijkgericht onderzoek verruimd en de waardering ervan in het loopbaanbeleid verbeterd worden. Maar ook aan de kant van onderwijsinstellingen moeten zaken veranderen. Docenten zijn nogal eens  beducht voor deelname aan onderzoek, uit vrees dat dit hun onderwijs of hun loopbaan in gevaar kan brengen bij onderwijsbestuurders. Ook is onder hoge werkdruk niet te verwachten dat betrokkenen bereid zijn tot (ingrijpende) veldexperimenten. Wat helpt om bestaande onderwijsprocessen te versnellen of verlichten wint het dan al snel. Gezocht moet worden naar inventieve verbindingen tussen wetenschappelijk onderzoek en onderwijspraktijken, waarin beide partijen gelijkwaardig en vanaf het begin deelnemen.
     
  4. De overheid moet onderwijsinstellingen in staat stellen de naar sociaal-culturele en opleidingsachtergrond en ambitie steeds diverser wordende, en tegelijk groeiende  studentenpopulatie in het hoger onderwijs te binden, te enthousiasmeren en te ontwikkelen. Dat zal niet over een nacht ijs gaan. De massificatie van het hoger onderwijs werkt routinisering van onderwijsleerprocessen en vervlakking van omgang met studenten in de hand. Daarin speelt ook de historisch gegroeide ‘institutionele habitus’, de georiënteerdheid van docenten en bestuurders op een bepaald type student, binnen onderwijsinstellingen een rol. Maar bovendien kenmerkt het hoger onderwijs zich voor alles door een oriëntatie van docenten op het vak of op onderzoek in plaats van op onderwijs en op studenten. Ook dit ligt vast in tradities en routines en krijgt zijn beslag in personeelsbeoordelingen en carrièrepaden. Maar maatschappelijk relevant hoger onderwijs begint bij het ter discussie stellen van deze gevestigde oriëntaties en routines die de opbouw van inclusieve onderwijsorganisaties blokkeren.
     
  5. Goed hoger onderwijs kan niet ontwikkeld worden zonder de kennis, ervaring en motivatie van docenten. Die zijn nu de uitvoerders van een (studiesucces)beleid waarop zij nauwelijks invloed hebben en worden geconfronteerd met een toenemende werkdruk. Nodig is een vergroting van hun professionele ruimte en hun handelingsvermogen. Studenten in het hoger onderwijs moeten de ruimte krijgen om actief mee te denken en te beslissen over de inrichting van hun onderwijs, in plaats van behandeld te worden als potentiële risicofactoren in een race naar de beste outputcijfers voor de instelling.

Actuele ontwikkelingen

Als we naar de actuele ontwikkelingen in het onderwijsveld kijken, zien we dat ons pleidooi voor een omslag in het hoger onderwijs ongetwijfeld op krachtige en ingespeelde routines rond studiesuccesbeleid zal stuiten. Daar staat tegenover dat het aansluiting vindt bij pogingen om die routines juist te doorbreken. Recentelijk is de discussie over het doorgeslagen rendementsdenken in het hoger onderwijs opnieuw op de kaart gezet door minister Van Engelshoven die stelt dat de opgelopen psychische druk op studenten moet afnemen door een lichter bindend studieadvies in te stellen. Ook wordt recent een deel van de beperkende voorwaarden waaronder het onderwijsonderzoek moet werken op de korrel genomen. cOAlition S, een internationale groep van onderzoeksfinanciers waaronder de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek, werkt aan een versnelde transitie naar publiceren via open access. Dat gaat veel verder dan alleen maar het beter toegankelijk maken van wetenschappelijk werk, het gaat over de cultuur van het wetenschapsbedrijf. Daarbij verschuift de nadruk van aantallen publicaties of de reputatie van het tijdschrift naar de inhoud van het onderzoek.  Dergelijke correcties op het rendementsdenken in de wetenschap kunnen het onderwijsonderzoek weer relevant maken voor onderwijspraktijken.  Tenslotte heeft de actiegroep ‘WO in actie’ de toegenomen werkdruk, de sterk gedaalde investeringen per student en de gevolgen daarvan voor de kwaliteit van onderwijs en onderzoek op de agenda gezet. Ook hier worden initiatieven genomen om de voorwaarden waaronder het hoger onderwijsveld functioneert te verbeteren.

Folke Glastra was als universitair docent verbonden aan de afdeling Educational Sciences van de Faculteit Sociale Wetenschappen van de universiteit Leiden. Zijn onderzoek heeft betrekking op professionalisering van leerkrachten, activerende onderwijs/leerarrangementen in het hoger onderwijs en motivatie- en dual process-theorieën van gedragsregulatie.

Onderwijspsycholoog Rob Martens is hoogleraar aan het Welten-instituut van de Open universiteit. Zijn specialismen zijn onderwijsvernieuwing, motivatieprocessen en docentprofessionalisering.  Hij is vakgroepvoorzitter van de vakgroep teaching and teacher professionalisation. Daarnaast is hij wetenschappelijk directeur van het NIVOZ

Daniel van Middelkoop is senior onderzoeker bij het lectoraat gedifferentieerd HRM aan de Hogeschool van Amsterdam. Zijn onderzoek richt zich op professionele (docenten)teams en studiesucces in het hoger onderwijs.

Reageren op dit artikel? Debat op 1 november in Pakhuis de Zwijger

Graag willen de auteurs met u verder discussiëren over hun perspectief op studiesucces en goed hoger onderwijs, over zin en onzin en de inrichting van een dialoog daarover en wat dies meer zij. In de periode tot 1 november, wanneer over deze thematiek in Pakhuis De Zwijger in Amsterdam een (gratis) bijeenkomst georganiseerd wordt, zijn zij erg benieuwd naar uw reacties die kunnen helpen bij het verder ontwikkelen van hun gedachtegang en bijdragen tot een productieve dialoog op 1 november. Zij hopen u dan te treffen in Pakhuis De Zwijger in Amsterdam. De bijeenkomst is gratis, wel dient u zich tevoren aan te melden.

U kunt reageren onderaan dit artikel, via een persoonlijke mail naar Daniël van Middelkoop ([email protected]) of via de sociale media (LinkedIn, Facebook en Twitter) waarop dit opiniestuk ook is gedeeld.

Voetnoot
1. Dat geldt vooral voor het hbo, de universiteiten lijken het iets beter te doen. Op grond van de cijfers van de Vereniging Hogescholen kan geconcludeerd worden dat de landelijke uitval na 1 jaar studie tussen 2008 en 2016, het laatste jaar in de beschikbare cijfers, gefluctueerd heeft tussen de 14,4% in 2008 via 15,9%  in 2011tot 14,8% in 2016, zonder dat een duidelijke trend zichtbaar is. De studieduur in maanden is toegenomen van 48,3 maanden in 2008 naar 52,9 maanden in 2012. Het studiesucces na 5 jaar is afgenomen van 51,9% (2008) naar 49,6% (2016).

Reacties

0
Login of vul uw e-mailadres in om op de hoogte te blijven van reacties op uw reactie


Er zijn nog geen reacties
Delen:
Op de hoogte blijven?
Schrijf je in voor de nieuwsbrief