Stichting Nivoz logo
Sterkt leraren, schoolleiders en betrokkenen bij de uitvoering van hun pedagogische opdracht

Nivoz platform hetkind

Vier professionals over praten met kinderen

4 maart 2019

Vrijwel dagelijks praten ze met kinderen die te maken (kunnen) hebben met misbruik of mishandeling. Welke gesprekstechnieken en ervaring nemen ze daarin mee? Vier inspirerende interviews met professionals uit de zorg en het onderwijs. Een artikel van Deborah Ligtenberg, afkomstig uit Augeo Magazine.

‘Ze komen zelf met de meest geniale oplossingen’

 

Shanta ter Haar (61)

Is: ambulant begeleider bij De Loodsboot, een Expertisecentrum Gedrag voor het primair onderwijs en voortgezet onderwijs in de regio Den Haag
En ook: coach
in het praten met kinderen

‘Er wordt zo vaak óver kinderen gepraat, terwijl ik vind dat je mét ze moet praten. Ze komen zelf geregeld met de meest geniale oplossingen, daar kan een consultancybureau vaak nog een puntje aan zuigen. Volwassenen zijn behept met een heleboel kennis, waardoor ze een tunnelvisie kunnen krijgen. Een kind trekt je daar meteen uit.

Ik begin met een kind op zijn gemak stellen. Dat kan door te zeggen dat elk antwoord goed is. Géén antwoord geven mag overigens ook. Zo hebben we samen de regie.

Maar het állerbelangrijkste is dat je intenties duidelijk zijn. Waarom wil je in gesprek? Als je vertelt waarvoor je komt, kan het zelf meedenken. Ik focus nooit op het probleem, maar vraag wat ik kan doen. Vragen wat er goed gaat, helpt ook. Vaak komen de ideeën over wat er beter kan dan vanzelf.

Leerkrachten die ik coach, adviseer ik om met een leeg hoofd een gesprek in te gaan. Hoor niet alleen wat het kind zegt, maar luister ook echt. Als een kind een bepaald woord vaak gebruikt, vraag dan wat dat woord inhoudt. Zoals ‘saai’. Heel veel kinderen vinden alles saai. Ik vraag ze om uit te leggen wat dat betekent, dat geeft inzicht.

‘Als je er een filmpje van zou maken, wat zouden we dan te zien krijgen?’, kun je aan een kind vragen, als het moeite heeft met vertellen wat er is gebeurd. Soms wordt een kind gehinderd door een nog beperkte taalvaardigheid. Dan zet ik andere technieken in, zoals gesprekskaarten of picto’s. Ik speel ook weleens met een kind, of laat het tekenen.

Ik ben heel terughoudend met conclusies trekken uit wat een kind zegt of op papier zet. Ik check altijd of het klopt wat ik hoor of zie. Héél belangrijk.

Wat nogal eens vergeten wordt, is het vervolggesprek. Dat moet er altijd komen. Het is het moment waarop je checkt hoe het gaat. Of de oplossingen die zijn bedacht werken of dat er nog iets anders nodig is.’


‘Sommige kinderen schrijven liever een brief’

 

Marianne Rosenveldt (49)
Is:
huisarts
En ook: huisarts-ambassadeur kindermishandeling bij de Landelijke Huisartsen Vereniging (LHV) en aandachtsfunctionaris huiselijk geweld/kindermishandeling binnen de eerstelijns zorggroep in het Westland.

‘De communicatie met een kind begint al voordat we ook maar één woord hebben gewisseld. Als ik een jongen of meisje ophaal uit de wachtkamer, check ik hoe hij of zij erbij zit. Hangt het kind tegen de ouders aan, oogt het ziek, keert het zich af? Non-verbale signalen vertellen niet alleen hoe een kind zich voelt, maar ook hoe de relatie met de ouder is.

In de spreekkamer begin ik altijd bij het kind. Mijn taal is losjes: ‘Hee Janneke, vertel eens, wat is er aan de hand?’. Mijn woorden pas ik aan. Daarbij heb ik veel van mijn eigen kinderen geleerd. Ik vraag bijvoorbeeld wat ze stom vinden, of juist leuk. Als een kind gemakkelijk uit zichzelf praat, kan ik open vragen stellen. Die geven altijd meer informatie dan een eenvoudig ‘ja’ of ‘nee’.

Willen de ouders het overnemen, dan zeg ik dat ik het eerst van het kind wil horen. Daarna mogen zij aanvullen. Dan neem je een kind serieus en zal het meer ruimte voelen om te vertellen. Als een kind niets durft te zeggen, maar steeds naar de ouders kijkt, ben ik meteen alert. Is het kind ‘gewoon’ onder de indruk van de dokter of durft het niet goed te praten omdat de ouder erbij is?

Als mijn ‘kindermishandeling-radar’ aan gaat, neem ik het kind mee naar de onderzoekstafel. Deze heb ik bewust achter een kast gezet, zodat de ouders even buiten beeld zijn. Zie ik uiterlijke sporen als blauwe plekken, dan vraag ik het kind hoe deze zijn ontstaan. Nu moet ik zeggen dat ik dit maar zelden tegenkom. In mijn praktijk komt emotionele verwaarlozing veel vaker voor, met signalen als buikpijn en of opnieuw plassen in hun broek.

Bij signalen van kindermishandeling of emotionele verwaarlozing vraag ik ouders weleens om even in de wachtkamer plaats te nemen. Als ik uitleg dat ik het kind even alleen wil spreken omdat het makkelijker praat, vinden zij dat eigenlijk altijd prima. Dat geldt ook voor het kind. Omdat ik het gezin vaak al langer ken, is dat niet heel bijzonder.

Soms maak ik een nieuwe afspraak met het kind. Ik zeg er altijd bij dat het ook een brief mag schrijven over wat er aan de hand is. Dat vinden kinderen soms gemakkelijker dan het hardop vertellen. En ik druk ze op het hart dat ze altijd zelf een afspraak mogen maken. Ook als ze nog maar 10 zijn.’

‘Allebei bij de hoek van een tafel – dat schept nabijheid’

 

Suzan Bouthoorn (41)
Is: leerkracht speciaal onderwijs op De Strandwacht in Den Haag, een school voor kinderen met psychiatrische en gedragsproblemen.

‘Het lijkt misschien een open deur, maar ik wil in gesprek met een kind echt iets te weten komen. Dat betekent dat je doel voor jezelf en zeker ook voor het kind duidelijk is, dat je écht luistert en goed doorvraagt.

Ik waak ervoor dat ik niet sturend ben, maar open vragen stel. En ik check of ik het goed begrijp door dingen samen te vatten.

Op mijn school hebben we een klasse-assistent, waardoor er altijd wel gelegenheid is om met een kind te praten. Soms in de klas, als de rest wat anders aan het doen is, en als het privé is, in een aparte ruimte. Ik zal nooit staand een gesprek voeren, terwijl een kind zit. Dat oogt veel te dominant. Ik ga eigenlijk ook nooit tegenover iemand zitten, maar liever ernaast, of allebei bij een hoek van een tafel. Dat schept nabijheid en vertrouwen.

Een gesprek begin ik altijd met de reden waarom ik wil praten. Dit doe ik om het kind op zijn gemak te stellen en te verduidelijken waar het over gaat. Zo ontstaat er gelijkwaardigheid en heb je meer kans op een goed gesprek. Als een kind niets wil zeggen, respecteer ik dat. Ik kan het niet dwingen, maar ik probeer het dan op een later moment opnieuw.

Als kinderen het moeilijk vinden om iets te vertellen, dan maak ik gebruik van sociale strips. Ik teken eenvoudige koppoters, met een denkwolkje, praatwolkje of een vierkantje, waarin ik de situatie beschrijf. Een kind vertelt wat er in de wolkjes of blokje moet komen en ik teken dat, of we doen dat samen. Zo heb je een mooi en helder gesprek over wat het kind deed, wat anderen deden en hoe het zich voelde.

Zodra de kinderen binnenkomen, check ik hoe het met ze is. Heeft een kind een gezicht als een donderwolk of een grote schaafplek? Dan vraag ik later op de dag hoe dat komt en wat er thuis is gebeurd. Ik ben altijd alert op kindermishandeling. Elk kind verdient een veilige plek.’

‘Ze moeten voelen dat ik geen kunstje doe’

 

Elke van Huffelen (32)
Is: jeugdverpleegkundige bij GGD Flevoland

‘Vanaf hun 4de tot hun 18de gaan kinderen vier keer naar de jeugdverpleegkundige, meestal op school. Kinderen vinden zo’n gesprek met mij vaak best een beetje spannend. Zeker als ze zich ergens zorgen over maken of vragen hebben. Ik wil graag dat een kind zich snel op zijn gemak voelt. Dat doe ik met humor – heel belangrijk, zeker bij zware onderwerpen is die luchtigheid prettig – en door letterlijk te zeggen dat ik het kind tegenover me belangrijk vind. Ik wil graag dat het voelt dat ik het meen, dat het écht is en geen kunstje. Daar prikken kinderen en met name jongeren namelijk zo doorheen.

Ik let goed op de non-verbale signalen in het gezicht en de houding. Daaraan kun je zien of een kind je begrijpt, of dat het afgeleid raakt. Door die signalen merk ik het meteen als mijn boodschap niet goed overkomt. Dat corrigeer ik gelijk door te vragen of het kind mijn vraag gek vindt, of niet fijn. Zo behoud je het contact.

Kinderen beantwoorden lastige vragen vaak met “ik weet het niet”. Dan vraag ik: “Weet je het niet, of vind je het lastig om het erover te hebben?” Als het nodig is, zoeken we samen uit hoe we het onderwerp toch op een prettige manier kunnen bespreken. 

Bij moeilijkheden thuis of bij huiselijk geweld, bespreken het kind en ik samen wat we eraan gaan doen. “Wat wil jij tegen je ouders zeggen, wat wil je dat ik zeg?”, over dat soort dingen hebben we het dan. Het kan gebeuren dat kinderen terugkrabbelen als het gesprek met de ouders dichterbij komt. “Het gaat nu wel weer goed,” zeggen ze bijvoorbeeld. In zo’n geval pak ik de regie. Ik ben natuurlijk wel de hulpverlener en heb de plicht om signalen van kindermishandeling bespreekbaar te maken, vanuit de gedachte dat ik het beste wil voor het kind. Net als zijn ouders trouwens. Dat leg ik dan ook uit: “Je ouders houden van je en willen ook het beste voor je. Dan moeten we erover praten als ze dat niet zo goed lukt.”’

----
Dit artikel is afkomstig uit Augeo Magazine, een online tijdschrift over veilig opgroeien. Via opiniërende bijdragen, ervaringsverhalen, interviews en columns stimuleren se de discussie over en maatschappelijke betrokkenheid bij kindermishandeling. Augeo magazine verschijnt minimaal vijf keer per jaar, is gratis en volledig online te lezen.

Dit artikel is eerder verschenen in Augeo Magazine, Hoe praat je met een kind?

Reacties

0
Er zijn nog geen reacties
Delen:
Op de hoogte blijven?
Schrijf je in voor de nieuwsbrief