Stichting Nivoz logo
Sterkt leraren, schoolleiders en betrokkenen bij de uitvoering van hun pedagogische opdracht

Nivoz platform hetkind

Kansenongelijkheid in het onderwijs bestrijd je om te beginnen met aandacht voor ouders van hele jonge kinderen

25 oktober 2023

Cathy van Tuijl is universitair docent Pedagogiek aan de Universiteit Utrecht en lector ‘Jonge kind educatie’ bij de Academie Pedagogiek en Onderwijs van Saxion. Met één been in de hogeschool en de ander in het wetenschappelijke onderwijs probeert ze een brug te slaan tussen kennis en praktijk. Marilse Eerkens sprak haar en tekent op welke (ernstige) zorgen en - ietwat controversiële - kansen Van Tuijl ziet als het gaat om de ontwikkeling van jonge kinderen. 

Van Tuijl en ik spreken elkaar op de binnenplaats van het Langeveldgebouw, de faculteit sociale wetenschappen van de Universiteit Utrecht. Het is een warme lome middag maar als ons gesprek eenmaal op stoom komt spat de bevlogenheid er bij Van Tuijl vanaf.

Haar fascinatie voor de ontwikkeling van jonge kinderen begon allemaal toen ze, kort na haar promotie, werd gevraagd om mee te werken aan een evaluatie van het programma ‘Opstap’ – we spreken nu over het einde van de jaren negentig. Doel van dit programma was om ouders van jonge kinderen te leren hoe je de ontwikkeling van je kind kunt stimuleren; hoe lees je een boekje voor, welke spelletjes zijn leuk voor kleuters et cetera. Om te meten of het programma had gewerkt voor Turkse en Marokkaanse kleuters, bezocht ze de ouders die hadden meegedaan. ‘Ik kwam toen echt een wereld van achterstand tegen’, vertelt ze alsof ze het weer voor zich ziet. ‘Ik herinner me bijvoorbeeld nog een moeder die zelden naar buiten ging met haar kinderen omdat ze geen lift had waar de kinderwagen in kon en niet langs de vechthond van de buren durfde. Dat waren belemmeringen waar ik nooit echt bij had stilgestaan.’ Wat van Tuijl verder opviel was dat veel ouders behoorlijk gestrest waren en dat kinderen de hele dag rondliepen in een huis waar amper speelgoed was en de TV de hele dag aanstond.

Het goede nieuws was dat veel - met name Turkse - kleuters echt baat bleken te hebben bij het opstap-programma. Ze werden emotioneel sterker en ook op cognitief vlak presteerden ze beter. Het slechte nieuws was dat dit succes amper aandacht kreeg van de pers en de politiek. Dat kwam omdat bij de Marokkaanse kinderen het programma niet zo goed had uitgepakt. Dat de redenen daarvoor verklaarbaar waren - in deze groep zaten vooral vrouwen die de Nederlandse taal niet kenden, een ander Berbers dialect spraken dan de buurtmoeder of niet naar het buurthuis mochten - leek noch de pers noch de politiek te interesseren. Met het voor van Tuijl frustrerende gevolg dat de sterk roulerende ambtenarenteams van de ministeries die betrokken zijn bij het jonge kind - OCW en SZW - telkens weer opnieuw het wiel proberen uit te vinden als het gaat over het wegwerken van kansenongelijkheid in het onderwijs. ‘Er is zoveel kennis die we niet benutten en dat is zo zonde!’

Om welke kennis gaat dit precies en hoe zouden we hier meer van kunnen profiteren?

Kort gezegd komt die kennis er volgens Van Tuijl op neer dat kinderen die opgroeien in minder kansrijke gezinnen, een veel grotere kans hebben om op de kleuterschool al te beginnen met een achterstand - op zowel emotioneel als cognitief vlak. Ander feit is dat die verschillen vaak groter worden naarmate een kind ouder wordt.

Om dit laatste te verklaren wijst ze op twee onderzoeken waarin is gekeken naar de interacties tussen volwassenen en kinderen. Eén daarvan vond plaats in de klas en de andere bij de gezinnen thuis. Van Tuijl: ‘Wat om te beginnen opviel, was dat ouders met een lage sociaal economische status minder vaak talige interacties hebben met hun jonge kinderen dan de ouders in middenklasse-gezinnen. Daar komt bij dat die interacties in die kansarme gezinnen korter zijn en minder kindgericht. Als je vervolgens kijkt naar wat er op school gebeurt dan valt op dat dit effect wordt versterkt: de kinderen die minder talige interacties hebben gehad met hun ouders in de voorschoolse periode, drukken zich, eenmaal op school, minder goed uit. Met als gevolg dat de leerkracht ze minder goed begrijpt en, onbewust, minder aandacht aan ze besteedt. Of, erger, alleen negatieve aandacht - ‘zit nou eens stil’, ‘let nou eens op’ etcetera. Waar het dus op neerkomt is dat kinderen door hun beperkte uitdrukkingsvaardigheden niet alleen de rijke en talige interacties ontberen die zouden kunnen compenseren voor de taalarme omgeving waarin ze opgroeien, maar op school ook nog eens meekrijgen dat ze eigenlijk niet zo gewenst zijn. Hierdoor zijn ze, vergeleken met de meer kansrijke kinderen, dubbel in het nadeel.’

Nou zou je denken dat met de introductie van de gratis Voor- en Vroegschoolse Educatieprogramma’s - 16 uur per week voor alle kinderen met een ‘indicatie’ van het consultatiebureau - dit probleem goeddeels is opgelost, maar volgens Van Tuijl is dat helaas nog niet het geval. Ze is weliswaar groot voorstander van VVE maar er moet echt nog véél meer gebeuren als we die kansenongelijkheid willen wegwerken.

Eén van die dingen heeft te maken met stress bij ouders. Daar blijken kinderen, met name de jonge baby’s, heel gevoelig voor te zijn. En dat is ongunstig. Het heeft niet alleen invloed op de hechting en emotieregulatie van kinderen, maar ook op de mate waarin ze zich kunnen concentreren bijvoorbeeld. ‘We zien die stress regelrecht terug in de kinderopvang en in de klas’, zegt Van Tuijl. ‘Soms leidt dat tot zulk verstorend gedrag, dat de kinderopvang - waar de VVE vaak aan verbonden is - de kinderen niet meer wil toelaten. Hun negatieve gedrag vraagt te vaak om één-op-één begeleiding. Dat vind ik een zeer zorgelijke ontwikkeling. Zeker als je bedenkt dat het aantal ouders dat stress heeft alleen maar lijkt toe te nemen - het aantal kinderen dat opgroeit in armoede groeit immers. Dáár zouden we dus ook echt iets aan moeten doen.’

Wat haar ook grote zorgen baart is het toegenomen schermgebruik. Onderzoek laat zien dat een kwart van de baby’s gemiddeld meer dan twee uur per dag achter een scherm zit. Dat is bijna twee uur méér dan de maximaal vijf minuten per dag die experts – onder andere bij ‘Mediawijsheid’ - als verantwoord beschouwen. ‘Wat inmiddels duidelijk is, is dat dit schermgebruik heel slecht is voor iemands aandachtsregulatie op de lange termijn’, zegt van Tuijl. ‘Wat dat betreft houd ik mijn hart vast voor wat er nog gaat komen. Ik vrees echt een tsunami aan problemen. Zeker als je je bedenkt dat ouders ook minder zijn gaan voorlezen – met name de hoogopgeleide ouders overigens.’

Gelukkig ziet ze ook lichtpunten en heeft ze ideeën over wat we zouden kunnen doen om veel meer te profiteren van de geweldige kansen die de vroege kindertijd biedt.

Waar zij op de eerste plaats nog veel kansen voor verbetering ziet is de kwaliteit van de kinderopvang en de VVE. ‘Veel van de huidige pedagogisch medewerkers hebben zelf niet de (talige) bagage meegekregen die nodig is om kinderen met een achterstand extra te kunnen stimuleren. Ik ben dan ook erg enthousiast over de komst van de pedagogische coaches die de kinderdagverblijven nu in huis hebben. Dat zal de pedagogische kwaliteit zeker ten goede komen - mits het personeelstekort in de kinderopvang niet zo blijft oplopen natuurlijk...’

Van Tuijl vindt ook dat we het gebruik van thuisprogramma’s, zoals het eerder genoemde ‘Opstap’ (nu VVE Thuis) nieuw leven in zouden moeten blazen. ‘Die zijn echt ten onrechte afgeschreven. Natuurlijk moeten we nu beter kijken hoe we álle ouders kunnen betrekken en moeten we ons blijven afvragen wat ouders in een kwetsbare positie nodig hebben. En of er verschillen zijn tussen de ene en de andere populatie.’

Tot slot wil ze een lans breken voor iets heel controversieels: het terugbrengen van toetsen voor peuters en kleuters - zeker voor de kinderen die opgroeien in kansarme gezinnen. ‘Eén van de belangrijke bezwaren tegen het toetsen van hele jonge kinderen was dat we kinderen veel te vroeg gingen vastpinnen op wat ze wel of (nog) niet konden. En dat we op basis van die uitslag hoge of juist lage verwachtingen hadden van een kind - vaak een ‘self fulfilling prophecy’ dat met name kinderen uit kansarme gezinnen geen recht doet. Dat bezwaar onderschrijf ik. Maar het alternatief is dat we nu eigenlijk hetzelfde doen maar dan op basis van hele subjectieve observaties. Kinderen zijn daarmee dus slechter af. Sommige mensen vinden dat je om die reden helemaal niet meer zou moeten toetsen of beoordelen - ‘laat ze toch lekker spelen’- maar ik denk dat kansarme kinderen daar echt slecht mee af zijn. Voor je ze gericht kunt gaan helpen moet je namelijk weten waar ze staan. Je moet weten wat ze wel kunnen en wat nog niet. Zo’n toets is een snelle manier om die sterke en zwakke kanten in kaart te brengen. Daarnaast is het een misverstand dat álle kinderen vanzelf leren door vrij te spelen. Veel kinderen komen helemaal niet tot een rijk spel, zeker niet de kinderen in de meer kwetsbare buurten. Vanwege hun instabiele thuissituatie hebben ze vaak niet het vermogen kunnen ontwikkelen om hun aandacht langere tijd op hun spel te richten of om hun creativiteit ten volle te benutten. En, ja, natuurlijk leren kinderen van elkaar. Maar dat is echt van een andere orde dan wat kinderen van een volwassene leert. Als we écht iets aan kansenongelijkheid willen doen moeten we kinderen dus actief volgen en blijven stimuleren. Daar ben ik stellig van overtuigd.’

Marilse Eerkens is sociaal psycholoog, journalist en auteur van o.a. ‘Als ze maar gelukkig worden’.

Reacties

0
Login of vul uw e-mailadres in.


Er zijn nog geen reacties
Delen:
Op de hoogte blijven?
Schrijf je in voor de nieuwsbrief