Stichting Nivoz logo
Sterkt leraren, schoolleiders en betrokkenen bij de uitvoering van hun pedagogische opdracht

Nivoz platform hetkind

Ik moet iets, maar wat?

17 mei 2019

Op woensdag 15 mei was er een extra Onderwijsavond in Driebergen rondom de presentatie van het boek ‘Dat is pedagogiek’, een verzamelwerk van actuele kwesties en sleutelteksten uit de Westerse pedagogische traditie van de 20ste eeuw, onder eindredactie van de Leuvense hoogleraar Jan Masschelein. Met co-auteurs Wouter Pols en Carlijne Ceulemans (Universiteit Antwerpen), Simon Verwer (Hyperion Lyceum) en Masschelein zelf werd de verdieping gezocht. Onder het publiek in de goedgevulde zaal bevond zich ook Jasja van den Brink. In dit blog laat zij haar gedachten gaan over een worsteling uit Simon Verwers onderwijspraktijk, die hij die avond besprak met Wouter Pols, en de betekenis van de 'pedagogische stem'.

‘Ik moet iets, maar wat?’ zo verwoordt Simon Verwer zijn worsteling met vier jongens in de klas die deze dag niet aan het werk gegaan zijn. Die híj niet aan het werk gekregen heeft. Met wie hij een gesprek gehouden heeft. Bij wie het niet gelukt is de verantwoordelijkheid voor hun gedrag neer te leggen.

Geen bereik. Geen ingang. Geen verandering.

Frustrerend!

Naar de lerarenkamer lopen, je frustratie uiten en te horen krijgen: ‘Tsja, het zijn jóngens.’ Alsof daarmee de kwestie afgedaan is. Strikje erom: klaar. Het zijn jongens, ze kunnen niets aan hun biologische opmaak doen. Geef het maar op.

Maar een leerkracht met pedagogenbloed geeft leerlingen niet op. Juist niet op dit soort momenten. Die kijkt terug op de les en vraagt zich af waar de momenten en gelegenheden waren om het anders te doen. Om ze te verleiden wel aan het werk te gaan. Om te begrijpen waarom het gesprek niet aankwam. Andere woorden, andere vragen, andere lesstof, andere… ? Dit werkte duidelijk niet, maar wat dan wel? De gebruiksaanwijzing zit vanbinnen, bij je leerlingen en bij jou.

Parker Palmer schrijft in zijn boek ‘Leerkracht met hart en ziel’ (2005) een mooie anekdote over het ‘universele archetype van de Onmogelijke Leerling’, in dit geval een man. Eentje die vrijwel horizontaal in de collegebanken hangt, pet over de ogen getrokken. Totale desinteresse uitstralend. Palmer wordt hierdoor zo van zijn stuk gebracht, dat zijn blik zich vernauwt tot alleen deze leerling nog in focus is. De rest van de collegezaal is vergeten. Een vol uur lang haalt hij al zijn pedagogische en didactische trucs uit de kast teneinde deze Onmogelijke Leerling te bereiken. Helaas en tevergeefs.

Inwendig briesend verlaat hij de collegezaal, op weg naar een diner waar hem tot overmaat van ramp publiekelijk allerlei lof toegewuifd wordt met betrekking tot zijn uitmuntende pedagogische kwaliteiten. Parker Palmer is een superleraar, een voorbeeld voor velen!!! Lof die hij op dat moment totaal niet kan ontvangen, omdat zijn innerlijke criticus elk compliment met een vernietigende sneer pareert. ‘Nou, wat ben ik een geweldige leerkracht inderdaad. Helemaal top. Je had me net eens moeten zien: virtuoos totaal niet in staat om ook maar één ongeïnteresseerde leerling in beweging te krijgen.’

Je had me net eens moeten zien: virtuoos totaal niet in staat om ook maar één ongeïnteresseerde leerling in beweging te krijgen

Als deze mentale martelgang ten einde is, stapt hij opgelucht in de auto die hem naar het vliegveld zal brengen. Eindelijk rust!

Tot hij opzij kijkt en zijn chauffeur voor de komende anderhalf uur durende rit niemand minder blijkt te zijn dan... de Onmogelijke Leerling.

Innerlijk God wanhopig om hulp en steun aanroepend verbijt hij zijn irritatie en hult zich in een dampend stilzwijgen. Tot de chauffeur – bij de snelweg aangekomen – vraagt: ‘Dr. Palmer, kunnen we praten?’ Alles in Palmer schreeuwt: 'NEE!', maar gelukkig wint zijn keurige opvoeding het, dus antwoordt hij: ‘Natuurlijk, waarom niet?’

De vader van de student blijkt een werkloze alcoholist te zijn, die de wens van zijn zoon om zijn opleiding af te maken en een beroep uit te oefenen volslagen onzinnig vond. Zijn vader vertelde hem elke dag hoe stom hij was, spoorde hem aan een baantje te nemen, geld te gaan verdienen en daar tevreden mee te zijn. De jongen voelde zijn motivatie om naar school te gaan dagelijks afnemen en vroeg aan Palmer: ‘Heeft u ooit in zo’n situatie gezeten? Wat zou u doen?’

Ze praten erover tot het vliegtuig van Palmer vertrekt, waarna ze nog een tijd correspondeerden. Palmer zegt hierover: ‘Ik weet niet of ik hem geholpen heb, maar ik weet wel dat hij mij geholpen heeft. Hij hielp me begrijpen dat de zwijgzame en schijnbaar weerspannige leerlingen in onze klassen niet hersendood zijn: zij zijn doodsbang.’ Het leidt hem tot de conclusie dat leerlingen gemarginaliseerde mensen zijn in de maatschappij. Het zwijgen in de klas is de stilte van de mensen in de marge, mensen die reden hebben om de machthebbers te vrezen en hebben geleerd dat zwijgen veiliger is dan spreken. Het is een stilte die voortkomt uit angst voor de wereld van de volwassenen, waarin ze zich vreemd en machteloos voelen (Parker J. Palmer, leraar met hart en ziel, 2005).

Dat sluit naadloos aan bij wat Jan Masschelein de 'pedagogische stem' noemt: De verhouding tussen generaties in hun omgang met de gemeenschappelijke wereld. En de beweging van enkele voorlopers in de nieuwe generatie die de sterke drang voelt zich nu wél uit te spreken. Hij verwijst naar Hannah Ahrendt, die zich afvraagt of we wel genoeg van onze wereld houden. Of we wel genoeg van onze kinderen houden om ze niet uit onze wereld te verbannen, maar hier nu al deel van uit te laten maken.

Masschelein duidt dat de nieuwe generatie duidelijk iets wil van de oude generatie: Welkom in ónze wereld. Ze draaien het om. Omwille van het behoud van onze gedeelde wereld. Ze bevragen – terecht – de oude generatie op hun handelen en hun verantwoordelijkheidsbesef. Braaf je mond houden, in de collegebanken willoos achterover leunen en zo klaargestoomd worden voor een wereld die hoogstwaarschijnlijk straks niet meer bestaat op die manier waar je opleiding je op voorbereid heeft. Die nu al niet meer zo is, en daarmee complexe vraagstukken, kwesties oproept.

Kwesties, zo worden de hoofdstukken genoemd in het boek ‘Dat is pedagogiek'. Wouter Pols vat die betiteling samen met: kwesties waar je over na moet denken teneinde een standpunt in te nemen. Juist nu, nu zoveel in onze wereld aan verandering onderhevig is.

Want dat vraagt de Pedagogiek – steeds dringender – van ons. Dat we onszelf bevragen op onze gewoonten, onze patronen, onze veronderstellingen. Een onmisbare eigenschap in deze kanteltijd. Palmer verwoordt het mooi door in zijn reflectie vast te stellen dat het zijn kwaliteit is om ‘de dans met zijn leerlingen aan te gaan’, om samen met hen een context te creëren waarin ze kunnen lesgeven en leren, en dat die kwaliteit werkt zolang hij zich open stelt en vertrouwen heeft in wie zijn studenten zijn.

Maar als de studenten weigeren die dans met hem aan te gaan, dan wordt deze kracht een zwakte. Dan wordt hij boos, zwijgzaam, trapt de onwillige danspartner op de tenen of schopt hem zelfs tegen de schenen. Hij sluit zich af, wordt onvriendelijk omdat ze zijn kwaliteit niet weten te waarderen.

Een makkelijke oplossing zou zijn om vrede met deze leerlingen te sluiten door ze op te geven. Maar dat weigert hij. Hij wil zijn eigen identiteit en integriteit geen geweld aandoen. Hij wil leren om deze beide polen van zijn identiteit bij elkaar te houden, en de tegengestelde waarheden accepteren dat zijn zelfgevoel sterk afhankelijk is van anderen én dat hij nog steeds iemand is als de ander deze dans niet met hem aan wil gaan. ‘Ik moet leren dat de pijn die ik soms ervaar bij het lesgeven net zozeer een deel van mijn leven is als het plezier dat ik heb als alles goed gaat.’ (Parker J. Palmer, leraar met hart en ziel, 2005)

Het daadwerkelijk leven van deze paradox is uitermate lastig. Het is heel begrijpelijk dat er collega’s zijn die het opgeven en zeggen: 'Tsja, het zijn jongens. Het probleem ligt buiten mij, dus daar hoef ik niets mee.' En zich vervolgens richten op de vastgelegde competenties die ze wel beheersen.

Carlijne Ceulemans vroeg zich in haar betoog af hoe de pedagogische stem over de leerkracht zou spreken. Volgens haar zou deze niet spreken over competenties, prestaties en kwaliteitscriteria. Maar over ‘proberen’ in plaats van ‘kunnen’. Over ‘interesse wekken’ in plaats van over ‘leerprestaties’. Over de verrassing die vooraf gaat aan zelfreflectie. Ze zou niet spreken over ‘kwaliteit en transparantie’, maar over ‘vrijheid’, de ongrijpbaarheid van de werkelijkheid, van wat is of van wat morgen zal of zou moeten zijn.

Het is, zoals ik het vertaal, een stem die pleit voor empathie en compassie voor de dagelijkse worstelingen van het leraarschap én het leerlingschap. We brengen allemaal ons volledige zelf mee naar ons werk of naar onze school. De mate waarin dit volledig zelf ook daadwerkelijk in de school mag verschijnen, bepaalt de mate waarin de leerling en de leerkracht zich kunnen en mogen laten zien. Met dat verschil dat de leerkracht hierin een voorbeeldfunctie heeft. De pedagogische stem vereist immers, dat wij kinderen in onze wereld welkom heten. En wat is de waarde van dat welkom als uitsluitend je cognitie en competenties welkom zijn?

(Foto CC Mc Quinn)

Jasja van den Brink is pedagoog, onderwijstrainer en –coach en moeder van drie kinderen in de basisschoolleeftijd. Meer op de website van Raafels.

Reacties

0
Er zijn nog geen reacties
Delen:
Op de hoogte blijven?
Schrijf je in voor de nieuwsbrief