Stichting Nivoz logo
Sterkt leraren, schoolleiders en betrokkenen bij de uitvoering van hun pedagogische opdracht

Nivoz platform hetkind

Boekbespreking Gevormd of vervormd?

19 december 2019

‘In plaats van homo sapiens kunnen we onszelf beter homo educandus noemen, de onderwijsbare mens’, schrijft hoogleraar filosofie Jan Bransen in zijn boek Gevormd of vervormd? Rikie van Blijswijk besprak het boek in haar boekenkring en nodigde Bransen daarbij uit. Dit is het verslag van hun bespreking.  

Het is de dag van het grote boerenprotest op het Malieveld in Den Haag. De wegen rondom de stad staan vol. Ik heb Jan Bransen, auteur van Gevormd of vervormd? in de zomer uitgenodigd om aan te schuiven aan de Boekenkring van de Leerschool waarin zijn boek wordt besproken. Hij neemt de uitnodiging aan en verzekert mij - met het OV - te gaan.

Bransen is hoogleraar filosofie aan de Radboud Universiteit in Nijmegen. Aanleiding voor het schrijven van dit boek is zijn waarneming dat een aantal universitaire studenten hun studie nogal schools benaderen. ‘Het lijkt erop dat de leerlust, de levenslust, weg is’.

Het boek valt uiteen in twee delen. In het eerste deel kraakt hij een kritische noot over het huidige onderwijsstelsel en vindt dat jongeren er niet door worden gevormd, maar vervormd worden. In het tweede deel biedt hij een alternatieve inrichting van het onderwijsstelsel op basis van de conclusies uit deel 1. Met Gevormd of vervormd? schrijft hij voor het eerst voor een breder publiek over onderwijs.

‘De trein staat stil’, appt hij en komt dus wat later dan de bedoeling is aan. Meteen worden de vragen op hem afgevuurd: Door welke reacties op zijn boek wordt hij het meest geraakt?  ‘Door het besef dat onderwijs zo’n ingewikkelde sector is’, is zijn eerste reactie. ‘De vraag wat leren is, wordt vaker opgevat als een aanval op kennis en dat is tegen het zere been. Tijdens het schrijven wist ik al dat het verstandig zou zijn om dit kritische boek zorgvuldig te laten landen’. Dat laatste is kennelijk gelukt, want het boek wordt veel besproken. Bransen legt uit dat denken over onderwijs, of breder gezegd, over menselijke interactie, veel kan hebben aan het dramaturgische model dat hij in het boek hanteert.  

Jan Bransen start zijn boek met de opmerking dat onderwijs over mensen gaat en daardoor vanzelfsprekend over jongeren en ouderen, kinderen en volwassenen, over de verschillende generaties. ‘Kinderen worden niet langzaam mens, want dat zijn ze al, maar ze worden langzaam volwassen’, aldus Bransen. ‘In plaats van homo sapiens kunnen we onszelf beter homo educandus noemen, de onderwijsbare mens, die in schoolgebouwen is terug te zien: loyale jongeren en toegewijde ouderen.’ In hoofdstuk 3 zegt Bransen helder: ‘Wij onderwijzen ons’. Onderwijzen is dus niet iets wat volwassenen doen, maar wat mensen doen (volwassenen en jongeren samen).

Het schoolgebouw is de institutionalisering van die homo educandus, een oefenruimte, een beschermde, pedagogische plek. Niet om uit te proberen, want ‘er is geen optie: we zullen het moeten doen. En dat is niet erg, want we zijn altijd al mens en kunnen dus uitstekend als mens bestaan vanaf dag 1. Dat is de vormende kant van school', schrijft hij.

Maar, en dat is de andere kant, een schoolgebouw kan ook een verstikkend repetitiehok worden, waar spontaniteit gedisciplineerd wordt en mensen naar ruimte snakken. Hierin vindt geen vernieuwing plaats, maar herhaling en nog eens herhaling, want er moet voor de toets geleerd worden.

Over die verstikkende kant van ons onderwijsbestel gaat deel 1, waarin vorming is verworden tot vervorming. In de ogen van Bransen wordt het de hoogste tijd om die oefenruimte terug te eisen, te herwinnen, te herscheppen. Om dat te bereiken zijn goede ideeën nodig, over hoe zo’n ruimte eruit moet zien en wat we dan daar zouden moeten en zouden willen doen.

Om de kern te typeren van het schoolgebouw als oefenruimte, leent Bransen het idee van de dramatic rehearsel van Dewey en vertaalt deze als rolverkenning. Hij stelt: ‘Wij mensen krijgen met een omgeving te maken die ons geregeld uitdaagt, omdat zij op verschillende manieren dubbelzinnig is. Rolverkenning is het je voorstellen van het verloop van een sociaal scenario waarin samen handelen en communicatieve afstemming op elkaar cruciaal is voor een succesvolle samenleving. Dat moeten mensen leren doen en daar hebben we schoolgebouwen voor. Immers, in de educatieve ruimte van een schoolgebouw kunnen we dit soort verkenningen samen doorlopen, met elkaar, in de openbare, sociale ruimte van onze taal’.

In dit idee van een oefenruimte is sprake van een interessant en belangrijk dubbel perspectief stelt Bransen: het gaat om het spel en niet om de knikkers. Pedagogisch gezien is dat een complexe en dubbelzinnige wijsheid, want je kunt het spel niet goed leren spelen, binnen de context van het spel, als het jou niet om de knikkers gaat. Denk aan het bakken van een pizza: hij mag mislukken, juist omdat je iets aan het uitproberen bent. Het is een rolverkenning. Het gaat om het bakken, niet om het eten. De educatieve betekenis van deze verdubbeling is cruciaal als we het schoolgebouw als oefenruimte willen zien en niet als repetitiehok. Het is een verdubbeling van perspectief: het interne perspectief (het gaat je om de knikkers: een lekkere pizza maken) en een extern perspectief (het gaat je om het spel: het ontwikkelen van je kookkunsten). Dat is rolverkenning en die moet ieder mens zich eigen maken. 

Om beter te leren schrijven, rekenen en koken heb je afstand nodig tot het interne perspectief; niet meer als nieuweling die zich de rol nog moet toe-eigenen, maar in je reflectie op de rol die jij inmiddels hebt ingenomen.

Bransen gaat verder: De crux van Dewey ’s hart van onderwijs zit in die rolverkenning, niet alleen in het uitvoeren, maar vooral in het spelen van die rol. Het kind moet namelijk de rol van leerling leren spelen en de volwassene die van leraar.

Wat Bransen betreft hebben we te weinig bewustzijn van het dramaturgisch model; hebben we niet in de gaten dat leerlingen die rol krijgen, dat ze die gaan innemen, en dat ze hem niet leren spelen. Het lukt ze niet om afstand tot die rol in te bouwen. Daardoor frustreert die rol hen vaak.

‘Hier is een grote slag in te maken. Ik ben het met iedereen eens die roept dat de kwaliteit van de leraar cruciaal is voor de kwaliteit van het onderwijs. Maar dan moet die leraar zich goed realiseren dat het niet om het overdragen van kennis gaat. Dat vervormt het idee van kennis (zie hoofdstuk 2) en het vervormt het idee van onderwijzen (zie hoofdstuk 3). De goede leraar beseft dat kennen en kunnen elkaar impliceren en dat hij samen met zijn leerlingen onderwijst, dat wil zeggen dat jij als oudere samen met jongeren vorm geeft aan hun gezamenlijke intergenerationele interactie. Daarbij leert iedereen, op allerlei manieren’, stelt de auteur.

In het tweede deel van het boek lanceert Jan Bransen ideeën om het vormende karakter van onderwijs in het onderwijsbestel terug te laten komen.

Zelfvertrouwen automatiseren is de rol die hij het primaire onderwijs toebedeelt, gezien de ontwikkeling van kinderen van 4-12 jaar. In het voortgezet onderwijs gaat het er wat hem betreft om je eigen rol te leren spelen. Bransen biedt tevens een andere kijk op post-initieel onderwijs dat hij professioneel samen leren noemt.

Ondanks de crisis op vele dimensies van het bestaan (een onleefbaar klimaat, inkomensongelijkheid, polarisatie en segregatie) blijven de leraren onverbeterlijke wereldverbeteraars, beseft Jan Bransen. ‘Homo educandus is altijd in ontwikkeling met meerdere generaties tegelijk; bemoeit zich met zijn bestaan, probeert zijn ideeën uit, probeert zijn mensbeelden uit, zoekt naar de menselijke maat’. Bransen tilt dit besef naar het niveau van een kritische reflectie op ons onderwijsbestel, om meer recht te doen aan de menselijke maat, meer ruimte te creëren voor onze menselijkheid.

Over 30 jaar bestaat dit onderwijs niet meer, maar wat nog wel, weet Bransen niet. Wat hij wel weet is dat de impact van het boek in de onderwijswereld groot is. Zijn woorden lijken te refereren aan de onrust, die het onderwijs in zijn greep heeft. Naast verzet tegen het boek krijgt hij ook veel bevestiging en steun. Gevolg is dat er veel gepraat wordt over het boek, hier in de boekenkring, maar ook bij passend onderwijs, PO/VO, Inspectie, Ministerie en bij vertegenwoordigers van thuiszitters. ‘Ik kan het alleen helder opschrijven, maar daarmee niet de wereld veranderen’, onderkent Bransen. Tijdens ons gesprek dubt hij nog over hoe nu verder te gaan met deze opvattingen over en de reacties op zijn boek.

Interessant genoeg is er ondertussen iets drastisch veranderd. Jan Bransen is benoemd tot academisch leider van het Radboud Teaching and Learning Centre: Zie https://www.voxweb.nl/nieuws/jan-bransen-gaat-in-nieuwe-centrum-failliet-onderwijssysteem-aanpakken

Gevormd of vervormd? door Jan Bransen. ISVW Uitgevers, Leusden 2019. 

Reacties

1
Login of vul uw e-mailadres in om op de hoogte te blijven van reacties op uw reactie


Peter te Riele
4 maanden en 27 dagen geleden

Verhelderende recensie over een prachtig boek dat het onderwijs helpt om een richting te vinden naar nieuwe onderwijsalternatieven die hard nodig zijn.

Login of vul uw e-mailadres in om op de hoogte te blijven van reacties op uw reactie


Delen:
Op de hoogte blijven?
Schrijf je in voor de nieuwsbrief