Stichting Nivoz logo
Sterkt leraren, schoolleiders en betrokkenen bij de uitvoering van hun pedagogische opdracht

Nivoz platform hetkind

Overdenkingen van een Pabo-opleider: 'Over verstandigheid, creativiteit en toetsen'

12 juli 2015

Leren is leuk, totdat iemand er ‘onderwijs’ van maakt. Die uitspraak ving Riaan Lous - waarnemend opleidingscoördinator Hogeschool Zeeland Pabo - een aantal maanden geleden op. De persoon in kwestie bedoelde hiermee dat hij iedere dag dingen leert die er bij hem voor zorgen dat hij de wereld weer iets beter begrijpt, of dat hij zelf iets kan doen waardoor hij vanuit zijn waarden bijdraagt aan een goede wereld. Soms is dat voor hem persoonlijk, soms is dat werk gerelateerd. Totdat hij terug de schoolbanken in moest en hij vooraf vastgestelde kennis moest reproduceren en minimaal een zes voor zijn tentamen moest behalen. 

Er wordt wat afgetoetst in onderwijsland. We zien het op allerlei plaatsen, van het basisonderwijs tot in het hoger onderwijs. Steeds proberen we te meten wat er is gebeurd, proberen we te beheersen wat leerlingen/studenten doen. Vanuit de maatschappij wordt dit van het onderwijs verwacht. Er wordt aangegeven dat leerlingen aan allerlei doelen moeten voldoen, dat leerkrachten dit zo efficiënt en effectief moeten zien te bereiken en dat scholen kunnen worden gewaardeerd op basis van de resultaten van de leerlingen. Zo ook voor jongvolwassen studenten.

Ook binnen mijn eigen werk als docent aan de Pabo herken ik dit. We toetsen wat af. Negen tentamens in een tentamenweek is niks. Veelal zijn het kennisvragen op vakgebieden. Kennisvragen als reproductievragen maar ook bepaalde toepassingsvragen. En als je acht vakgebieden aanbiedt, alleen al omdat dat vakken zijn die in de basisschool worden aangeboden, heb je alleen daar al behoorlijk wat tentamens van.

Door deze kennis te meten, krijgen we inzicht. Inzicht in de kennis van de studenten. Maar hoe duurzaam is deze kennis eigenlijk in de ontwikkeling van deze jongvolwassenen? Leren studenten kennis om in korte tijd te kunnen oplepelen, of gaat het om kennis die in de lengte van jaren toepasbaar is voor hun toekomstige beroep? Mijn ervaring raakt vaak het eerste: er wordt geblokt om even een zes, zeven of acht te behalen voor . Als ik vervolgens twee jaar later teruggrijp op die opgedane kennis, krijg ik van studenten vaak als antwoord: “Ja, maar dat was twee jaar geleden, dat weet ik al niet meer”.

Ik vraag me op dat moment echt af hoe het komt dat we na een half jaar lang intensief samenwerken en elkaar bevragen over de stof, dit twee jaar later volledig verdwenen kan zijn.
Het antwoord dat studenten op mijn vraag geven is eigenlijk vrij eenvoudig: “We moeten ook zoveel leren, zoveel tentamens maken en zoveel verslagen inleveren, dan vergeet je wel eens wat”. Maar toch, hoe kan het dan dat je een half jaar kennis vergaren, vergeet?

Gert Biesta (Biesta, 2012, p. 32) geeft aan dat hij drie functies ziet voor het onderwijs: kwalificatie, socialisatie en subjectvorming.

Kwalificatie betekent dat er wel degelijk bepaalde kennis opgedaan moet worden, daar is niks mis mee. Socialisatie heeft te maken met het deelnemen aan en deel worden van verschillende groepen en culturen. Subjectvorming betekent dat een persoon zichzelf leert worden en voor zichzelf kan bepalen waartoe hij bepaalde kennis opdoet. De kennis die hij opdoet stelt hem in staat om een bepaald onderdeel van de wereld beter te begrijpen en ernaar te kunnen handelen. Dat handelen doe je vanuit je eigen waarden die je hebt ontwikkeld.

Ik vind dat er vooral veel wordt getoetst op afzonderlijke onderdelen kennis. Omdat we dit in afzonderlijke brokken aan studenten aanbieden, kan het voor studenten moeilijk zijn om te behappen waartoe ze die kennis tot zich nemen. Het gaat hier vooral om kwalificatie. Natuurlijk, ze worden een goede leerkracht, maar wat is een goede leerkracht? Dat is voor iedereen verschillend, een leerkracht is niet een standaard persoon die wat kunsten uitvoert en standaardtechnieken hanteert om een klas te laten draaien. Een leerkracht handelt vanuit zijn eigen persoon, vanuit de waarden die hij ‘van huis uit heeft meegekregen en die hij voor zichzelf naleeft. Beperk je jezelf tot het toetsen van kennis, dan is de samenhang niet duidelijk. Het alleen toetsen van kennis is daarmee ook niet genoeg, het kwalificeren is te weinig.

Maar als dat niet genoeg is, moeten we dan nog meer toetsen? Biesta zegt: “Het is belangrijk om te zien dat met controle niet volledige beheersing wordt bedoeld, maar eerder het vermogen om onze acties op een doordachte manier te plannen en te sturen.” Die volledige beheersing is volgens mij precies het probleem. Doordat we vanuit onze betrokkenheid alles willen zien van studenten, alles tot in detail willen weten, gaan we onderwijs dichttimmeren met allerlei kleine toetsen, verslagen en presentaties. Blijkbaar vinden we steeds meer dat dat in een cijfer moet resulteren, vooral ook om te kunnen laten zien dat studenten goed hun werk doen. Of om te laten zien dat wij goed werk leveren?

De keerzijde van het handelen vanuit de eigen persoon komt ook voor. Dat gebeurt bijvoorbeeld als je als stagebegeleider een stage beoordeling bij een student afneemt en je de ontwikkeling van een student aanvoelt. Mentoren in de klas hoor je dan zeggen: “Natuurlijk moet hij nog van alles leren, maar ik merk aan alles dat het goed zit. Hij komt er wel”. Vaak is dat niet gebaseerd op criteria van een werkplekassessment en toch durft men dat te zeggen. En ook gebrek aan ontwikkeling is aan te voelen. Dat gebeurt wanneer je als begeleider een assessment afneemt en de student scoort op alle onderdelen voldoende. En toch is er iets dat zegt dat de ontwikkeling stagneert.

Vaak stel ik dan twee vragen: 1. Zou je deze student als collega willen hebben en 2. Zou je je kinderen graag bij hem/haar in de klas achterlaten? Soms is het antwoord heel stellig ‘nee’. Dat wil niet zeggen dat een student per definitie geen goede leerkracht kan zijn, maar de vraag opent vaak wel een gesprek over de professionele ontwikkeling. Pedagogische sensitiviteit wordt dat genoemd (Mulderij, 2004). Het aanvoelen van een persoon in een situatie waarin hij zich ontwikkelt, of waarin hij belemmerd wordt zich te ontwikkelen.

Wat meer loslaten dan maar? Anders gaan nadenken over het begrip ‘toetsen’?


Toetsen wordt mijns inziens vaak gezien als het meten van kennis van kinderen en jongeren. Vervolgens koppelen we daar een bepaalde waardering aan, meestal een cijfer tussen 1 en 10. Je kunt toetsen ook zien als een momentopname waarin je constateert waar iemand in zijn ontwikkeling staat, in het geval van een pabo-student ook zijn professionele ontwikkeling, Dat hoeft niet altijd groots, het mag iets zijn waarop een leerkracht doordachte feedback geeft. Feedback die de student helpt verder te komen in zijn ontwikkeling van leerkracht. En soms gaat wat wellicht over kennis, soms over het verder onderdeel van de maatschappij worden en soms over het ‘jezelf worden’. Het verschil met toetsen voor een cijfermatige waardering is dat je wel constateert, maar geen oordeel geeft over de ontwikkeling tot dan toe. Je houdt daarmee wel wat controle, maar beheerst het niet zelf met cijfers. Dat kan ook bijna niet, omdat iedereen zich op eigen wijze ontwikkelt, met eigen doelen en vanuit eigen waarden. De cijfers kunnen die ontwikkelingen niet veralgemeniseren.

Ik houd geen pleidooi om helemaal niet meer te meten, een diploma voor een opleiding moet immers ook waarde hebben. Een (beginnend) leerkracht handelt echter én vanuit kennis én vanuit vaardigheden (die beide aardig te meten zijn) én vanuit zijn eigen waarden, hij neemt zichzelf altijd als mens mee in interactie met andere mensen. Kennis gaat dus ook gepaard met eigen inzicht en waarden. Het betekent voor mij dat je creatief omgaat met kennis, het betekent ook dat ik mijn studenten tot nog meer ‘creativiteit’ mag uitlokken.

Jos Kessels (Kessels, 1997) noemt twee soorten kennis. De eerste is epistème, dit gaat om nieuwe (wetenschappelijke) kennis die is gebaseerd op algemeenheden. Deze kennis is eenvoudig te toetsen. Daarnaast noemt Kessels ‘Phronèsis’. Hiermee doelt hij op ‘verstandigheid’. Het gaat om belangrijke kennis van en vanuit de mens, de student. Het is aanwezige en stilzwijgende kennis in de student en mede gebaseerd op de persoon van de student. Door over deze kennis na te denken kan een student ervoor zorgen dat hij in een concrete situatie verstandig handelt. En ook hierin neemt hij zichzelf mee, de ene student zal in een concrete situatie anders handelen dan de andere.

Wil je dit soort kennis, voor de student betekenisvol gaan toetsen? Wees dan verstandig en creatief.

Gebruikte literatuur:

Biesta, G. (2012). Goed onderwijs en de cultuur van het meten . Den Haag: Boom | Lemma.
Kessels, J. (1997). Socrates op de markt, filosofie in bedrijf. Amsterdam: Boom.

Riaan Lous werkt bij HZ University of Applied Sciences, is daar docent aan de Pabo: onderwijskunde en media-educatie. Riaans’ dagelijkse activiteiten zijn te volgen via Twitter, zijn volledige profiel is te vinden op LinkedIn. Hij schrijft op zijn eigen blog

Reacties

0
Login of vul uw e-mailadres in.


Er zijn nog geen reacties
Delen:
Op de hoogte blijven?
Schrijf je in voor de nieuwsbrief