Stichting Nivoz logo
Sterkt leraren, schoolleiders en betrokkenen bij de uitvoering van hun pedagogische opdracht

Nivoz platform hetkind

Antwoorden op de hoe-vraag: ‘Het gaat niet om loslaten, maar om anders vasthouden’

20 oktober 2018

Steeds vaker kregen de onderwijsbegeleiders Anite van Oijen en Ingrid Nagtzaam van schoolteams de vraag: ‘Ja, maar hóe dan?’ Het is een vraag die je kunt trivialiseren of al te gemakkelijk bij het team zelf kunt laten. Maar voor Anite en Ingrid sprak er een legitieme behoefte uit, en dus begonnen zij pedagogische waarden te verbinden aan de praktische, didactische handvatten in de klas: ‘De pedagogiek schraagt de didactiek: in hoe je instructies geeft, toont zich hoe je pedagogisch naar kinderen kijkt.’

“Als je op scholen vraagt naar wat ze het allerbelangrijkste in het onderwijs vinden, hoor je overal dat ze hun kinderen zelfredzaamheid gunnen. Of zelfverantwoordelijkheid. Of veiligheid willen bieden”, zegt Anite van Oijen, onder een vroege julizon op het terras van haar collega Ingrid, waar ze samen het nieuwe schooljaar voorbereiden. “Maar vraag je door, dan zit er soms weinig waarom en waartoe achter die woorden. Kinderen inpakken in piepschuim biedt ook veiligheid, maar dat bedoelen ze niet.”

Wanneer Ingrid Nagtzaam en Anite gevraagd worden een school bij te staan – Jenaplan, maar ook andere scholen – merken ze dat teams graag praktische handgrepen willen. Ingrid: “Er was bijvoorbeeld een school die nieuwe rapporten wilde ontwerpen: hoe konden ze dat het beste aanpakken? Onze tegenvraag: ‘Je hebt keuzes te maken wat dat nieuwe rapport moet bieden, voor jullie, voor ouders, voor de kinderen. Wat zijn die keuzes en waar zitten die in jullie denken en doen, in je overtuigingen?”

Het duo maakt het vaak aanschouwelijk met de piramide van Daniel Kim, expert op het gebied van systeemdenken en lerende organisaties: zijn piramide heeft als brede basis de kernwaarden van je organisatie (wie zijn wij?), en bouwt dan via missie (wat is onze toegevoegde waarde, waarom doen we wat we doen?) en visie (wat willen we samen creëren?) naar steeds concretere niveaus als strategie (hoe gaan we het doen?), tactiek (waarmee gaan we aan de slag?) en tenslotte: activiteiten (wat doen we (wel)?). 

Anite: “De vraag wordt dan: vanuit welke laag maak je je keuzes?” Ingrid: “De conclusie was meteen: ‘O, maar dan kúnnen wij het nog helemaal niet over dat nieuwe rapport hebben.’” Precies, stelt Anite: “Dat nieuwe rapport wordt pas een degelijk gereedschap, wanneer je kernwaarden erdoorheen schijnen – waarden over wat je kinderen gunt. Over hoe je met elkaar om wilt gaat, en wat je wilt betekenen in je lokale samenleving.” “Op deze manier lukt het om vanuit een concrete activiteit dieper te gaan”, zegt Ingrid: “Dan wordt het motto van jenaplaninitiator Peter Petersen – ‘vorm volgt functie’ – ook dieper begrepen: als je niet weet waaróm je het doet, worden jenaplanelementen als de kring of de driejarige stamgroep een lege huls.”

Ondergeschoven kind

Veel jenaplanscholen zoeken naar manieren om het concept te verbinden met de maatschappelijke eisen van de huidige tijd: Petersen heeft het over samen leren, over de stamgroep met kinderen van drie leeftijden, en de rollen van leerling-gezel-meester daarin. Maar wanneer een groep aan de slag gaat met rekenen of taal, zie je vaak dat de stamgroep uiteenvalt in jaargroepen, die elk hun eigen instructie krijgen. “Daar kun je van alles van vinden, maar we zien en begrijpen de worsteling”, stelt Anite. Wat doen nou stamgroepleiders die dat wél voor elkaar krijgen in de stamgroep, vroeg het duo zich af: “Jenaplan is een pedagogisch concept, maar je kunt het niet los zien van didactiek. De pedagogiek schraagt de didactiek: in hoe je instructies geeft, toont zich hoe je pedagogisch naar kinderen kijkt. Dat is wat anders dan zeggen: “Zo, nu eerst instructie, dan gaan we daarna ook pedagogisch aan de slag.’”

Ingrid zet het op scherp: “We horen regelmatig: ‘we moeten te veel instructie geven!’ en ‘we willen de methodes loslaten.’ Ik denk soms: misschien geef je juist te weinig instructie. En misschien gaat het niet om loslaten, maar om anders vasthouden.” Ze legt uit dat instructie vaak smal wordt opgevat – klassikaal taal, rekenen – maar dat een kind óók instructie en stevige begeleiding nodig heeft in leervragen als: hoe moet ik samenwerken? Hoe start ik een onderzoek? Hoe moet ik een brief schrijven? Hoe leer ik door te zetten? Op welke manier stel ik goede vragen aan anderen? “Dat valt allemaal binnen wereldoriëntatie (WO) en zo maak je WO het hart van je onderwijs. Het zijn activiteiten waarbij je kinderen veel zélf mogen ontdekken, maar dat lukt ze pas als jij, samen met alle andere kinderen in de groep, dit goed begeleidt – met voorleven, met groepswerk, met gerichte instructie.”

Het werk van een stamgroepleider begint daarmee dus veel eerder dan met een hoofdstukje vooruitwerken in de methode. Voor Ingrid was het een groot inzichtmoment, hoe haar toenmalige schoolleider Rien van den Heuvel aan het begin van het jaar aan zijn stamgroepleiders vroeg om een presentatie voor te bereiden over wat de kinderen dat jaar aangeboden zouden krijgen: “Een behoorlijke klus. Ik besefte opeens dat we dat weliswaar óók voor die ouders deden, maar vooral voor onszelf: je had daarmee de leerlijn voor het hele jaar al doorgewerkt en in je vingers.” Dan kun je in vrije teksten of in een leergesprek opeens combinaties gaan maken met leerinhouden, die toch aan bod moeten komen, stelt ze.

“Pas hoorde ik een jongetje in de kring vertellen hoe een bezoek aan de Efteling niet door was gegaan en een kwartiertje later begon de juf met een instructie over het gebruik van de ‘ch’. Het doel van haar instructie maakte ze keurig duidelijk, het doel werd genoemd zoals het in de methode stond. Ze had de groep waarschijnlijk meteen betrokken gehad, als ze was begonnen met ‘Mark had dit weekend PECH, want hij kon TOCH niet naar de Efteling.’” Anite: “Als je weet wat het grotere doel is van je instructie, krijg je speelruimte om de hele situatie in je stamgroep en de omgeving mee te nemen. Je maakt zoveel keuzes als je instructie geeft. Instructie is een vak apart – een basisvak, dat te lang een ondergeschoven kind is geweest. Je kunt methodes los willen laten, maar dat kan pas als je gefundeerd de regie kunt nemen.”

Zelfsturing met stroopwafel

Zelfsturing is niet het meest voorkomende woord dat Nagtzaam en Van Oijen horen, en als ze het tegenkomen, doet het ze soms de wenkbrauwen verbaasd fronsen: een klas die ‘zelfsturend’ aan het werk is en allemaal achter iPads zit. “Ja, dan kan een kind zonder de leerkracht verder, maar dan wordt het apparaat de ‘sturende kracht’ en nog veel rigider dan een juf of meester.” 

Mijmerend over het begrip – stroopwafel erbij, nog maar een koffie – komen ze op veel onderliggende aspecten: zelfvertrouwen, impulsbeheersing, zelfkennis, kunnen en durven kiezen, en voor je keuzes de verantwoordelijkheid willen nemen. Anite: “Dat zijn levensopdrachten. Dat kunnen niet alle mensen uit zichzelf.” En zo komen ze op een pedagogische paradox: zoals speelruimte ontstaat bij de gratie van grenzen, zo leer je jezelf sturen bij de gratie van veel steun van anderen. “Zelfsturing leer je in een vertrouwde omgeving. Vanuit het in jou gestelde vertrouwen dat je het kunt en met het besef dat je altijd hulp mag vragen. Ik heb kinderen zien wegkwijnen door een moeder die meende dat haar twee jongens zelfstandig zouden worden, door ze niets in de weg te leggen: ze kregen geen bevestiging, geen grens, geen bijsturing. Hoe eenzaam is dat?”, zegt Anite, om het meteen algemener te maken: “Vragen we onze kinderen niet veel te vroeg veel te veel?” 

Het doet Ingrid denken aan een Loesje-kaart, die ze van haar zoon kreeg: “Zelfstandig werken? Man, ik ben net zindelijk!” Ik merkte dat ik altijd zo gericht was geweest op zijn zelfredzaamheid, dat hij er onzeker van werd. Hij vond het fijn als ik hielp met zijn boterhammen, en vanuit die basisrust kon hij zelf dingen oppakken.”

Oefenen in goed kiezen

In hun module Vraag het de kinderen gaan Anite en Ingrid met stamgroepleiders aan de slag – een oefening is om na een instructie de kinderen aan het werk te zetten en dan, als stamgroepleider, op je handen te gaan zitten en te gaan observeren – met de vraag: welke kinderen zou je normaal gesproken gaan helpen? En waarom: vanwege je eigen primaire behoefte of vanwege het kind? “Daarna roepen we de kinderen bij elkaar in de kring en vragen we: ‘wie had er net iets waarbij je hulp nodig had?’”, zegt Ingrid. “Dat is een andere start dan te zeggen: ‘Ik zag dit en dat’. Al observerend merken stamgroepleiders hoe problemen zich soms oplossen: bij een gum die kwijt is hoef jij als stamgroepleider niet te redderen.”

Daarna vraag je je met de groep af hoe hulp geregeld zou kunnen worden. “En de kinderen ervaren in de kern dat jij hun oplossingen heel serieus neemt, als je vraagt en luistert. En wanneer jij er altijd meteen bent als vraagbaak, komt het leren van en met elkaar niet van de grond”, stelt Anite. Ingrid: “Zo zie je zelfregulatie ontstaan: ze gaan meedenken door de ruimte die jij geeft. Ze durven meer regie te pakken doordat jij ze serieus neemt. Zelfregulering leer je kinderen niet in een cursus, maar door het de kinderen steeds tegen te laten komen en hen te laten oefenen met goede keuzes maken.” “Misschien volgt zelfsturing wel op sturing geven”, besluit Anite.

Interview: Geert Bors 

Geert Bors is naast redacteur van het NIVOZ ook hoofdredacteur van Mensenkinderen, het blad van het Jenaplanonderwijs in Nederland en Vlaanderen. Dit artikel verscheen in het themanummer ‘zelfsturing’ (september 2018) van Mensenkinderen en is met toestemming overgenomen.

Anite van Oijen was directeur van jenaplanschool Antonius Abt, in Engelen bij Den Bosch. Ingrid Nagtzaam heeft haar sporen verdiend in vele geledingen van het jenaplanonderwijs. Samen geven ze leiding aan het opleidingsinstituut HetKan!

Fotografie: Jeanette van Oijen

 

Reacties

0
Er zijn nog geen reacties
Delen:
Op de hoogte blijven?
Schrijf je in voor de nieuwsbrief