Ons manifest

‘Ieder mens verantwoordelijk en verbonden in de samenleving’

De opdracht voor het onderwijs is groot. Niet minder dan het duurzaam voortbestaan van onze vrije, open-democratische samenleving staat op het spel. Hoe kunnen we alle kinderen en jongeren zich verbonden laten voelen met de wereld om hen heen? Hoe kunnen we ze laten groeien in autonomie en (zelf)vertrouwen, zodat ze een verantwoordelijke rol in die samenleving kunnen vervullen, welke functie of positie ze later ook gaan innemen?

Stichting NIVOZ draagt bij aan een nieuw, fundamenteel perspectief op verbetering van het onderwijs, omdat we een verantwoordelijkheid ervaren voor het realiseren van een duurzame, menswaardige samenleving.

In dit manifest, bedoeld als inspiratiebron en richtingwijzer voor de komende verkiezingen van 15 maart 2017, schetsen we de bouwstenen voor zo’n perspectief. Dat gebeurt vanuit een analyse van de huidige dilemma’s waar de samenleving in het algemeen, en het onderwijs in het bijzonder, mee te maken heeft.


De urgentie voor een nieuw perspectief op goed onderwijs is hoog, want waar verbondenheid gewenst is, is nu veelal sprake van ontkoppelingen: tussen leerling en leraar, tussen relatie en prestatie, tussen opvoeding en onderwijs, lesstof en de wereld. Wat mist in het Nederlandse onderwijs is een fundamenteel perspectief op de rol, de functie en het handelen van alle betrokkenen in het onderwijs om de gewenste verbindingen tot stand te brengen.

Onderwijs: relaties tussen mensen

Het huidige onderwijs kenmerkt zich door afhankelijkheid en ongelijkwaardigheid, wat de relatie tussen leraar en leerling onder druk heeft gezet. De bedoeling van het onderwijs is het vormen van mensen – wat betreft kennis, vaardigheden en zijnskwaliteiten – die een bijdrage leveren om de samenleving die we beogen, te realiseren. Dat is de pedagogische opdracht van het onderwijs.

Leraren moeten worden gesterkt en toegerust in het realiseren van die opdracht. Daartoe moeten zij in staat zijn hun eigen keuzes te maken, en hun handelen zelf te legitimeren. De aandacht moet daarbij met name uitgaan naar de relatie met hun leerlingen. Want leerlingen kunnen, meer dan nu het geval is, in het gesprek over goed onderwijs worden betrokken.

Aan de verantwoordelijkheid, creativiteit en redelijkheid waarover leraren en leerlingen – omdat ze allemaal mensen zijn – beschikken, wordt in de meeste scholen nog geen recht gedaan. Daar gaan veel energie, motivatie en goede ideeën verloren.

Om meer menswaardig onderwijs te realiseren willen we niet pleiten voor het loslaten van alle structuren, of het breed invoeren van een nieuwe structuur. Als we verplichte vernieuwing op zouden dringen, creëren we slechts nieuwe afhankelijkheden. Om de benodigde ruimte voor eigen keuzes en verantwoordelijkheid van leraren én leerlingen te creëren, is het naar ons idee daarom in de eerste plaats nodig om – in klein en groot verband – telkens opnieuw het gesprek te voeren over de bedoeling van onderwijs. Aan de hand van concrete, nabije onderwijspraktijken, zoals die dagelijks plaatsvinden.

De rol van de overheid

Wat is dan de rol van een overheid? De politiek kan leraren en schoolleiders niet emanciperen, dat kunnen ze alleen zelf doen. De politiek kan wel de omstandigheden creëren, waarin die emancipatie mogelijk wordt. De belangrijkste invloed van de politiek vindt plaats op de agenda van het gesprek. De afgelopen twee decennia heeft aandacht voor cognitieve leerprestaties geleid tot een ongewenste versmalling van het gesprek over goed onderwijs, zoals ook de Onderwijsraad enkele jaren geleden vaststelde.

Dat betekent dat we van de politiek een perspectiefwisseling vragen, waarmee een nieuwe agenda gevormd wordt, die tot een ander type gesprek over onderwijs gaat leiden. Dan gaat het onder andere om de volgende wisselingen in perspectief.

  • Het geven van kansen aan alle leerlingen, om hun eigen potentieel te realiseren, in plaats van de nadruk te leggen op selectie en onderlinge vergelijking, waardoor we grote groepen leerlingen te vroeg afschrijven en ze al vroeg in hun leven met de onwenselijke indruk opzadelen dat ze tekortschieten. Ontwikkeling is geen wedstrijd.
  • Het ruimte bieden aan een diversiteit aan nieuwe vormen en structuren in het onderwijs, als alternatief voor te ver doorgeschoten standaardisatie. Ontwikkeling laat zich niet standaardiseren. Leraren ontwikkelen, in samenwerking met leerlingen en ouders, voortdurend nieuwe methoden en werkwijzen. Die nieuwe vormen moeten niet opgelegd worden. Daar waar leraren en leerlingen hun verantwoordelijkheid kunnen nemen, raken we veel van de huidige gedrags- en motivatieproblemen kwijt, omdat die vooral voortkomen uit de structuur, en niet uit de innerlijke behoeften van leraren en leerlingen zelf.
  • Het stimuleren van het gesprek tussen leraren, schoolleiders en lerarenopleidingen over het mensbeeld dat ze hanteren van leerlingen en leraren als subject, als mens, in staat tot creativiteit, redelijkheid en verantwoordelijkheid; in plaats van ze te reduceren tot objecten, die zich te voegen hebben naar de eisen van een systeem.
  • Het op gang brengen van een open dialoog tussen onderzoek en praktijk, en het bemoedigen en sterken van leraren om zichzelf als instrument te ontwikkelen, waar nu nog sprake is van geslotenheid en een gebrek aan verbinding. Een nieuwe openheid is nodig, over de dilemma’s uit de dagelijkse praktijk van het klaslokaal en wat deze vragen van de leraar als persoon.

Leraren zullen met elkaar, en in gesprek met ouders en leerlingen, samen moeten bepalen, binnen bestaande wettelijke kaders, welk onderwijs ze willen verzorgen, wat ze ermee beogen voor hun leerlingen in de samenleving die we vormen.

Daartoe zullen de leraren toegerust moeten zijn. Dat betekent dat ze beschikken over kennis en vaardigheden, dat ze zichzelf kennen, ook in relatie tot anderen, en voortdurend oefenen in het hanteren van hun persoonlijke morele kompas. Op die manier werken ze aan de pedagogische sensitiviteit, die nodig is om in de dagelijkse praktijk met leerlingen de juiste keuzes te kunnen maken en die te legitimeren. Daarin zullen ze gesteund moeten worden door schoolleiders, die dit voortdurende oefenen voorleven.

Betekenisvolle lerarenopleiding

Die toerusting vraagt om een lerarenopleiding, die zich – sterker dan nu het geval is – richt op het voortdurend ontwikkelen en scherpen van een gemeenschappelijk beeld op wat de bedoeling van onderwijs is, welk mensbeeld daarbij hoort en hoe menselijke ontwikkeling plaatsvindt. Het gaat in de opleiding dan niet zozeer om het ‘ausbilden’ van leraren, maar het vormen en emanciperen van leraren. Dat vraagt om ruimte voor de leraar-in-opleiding om te oefenen in het dragen van verantwoordelijkheid en het tonen van creativiteit. Want net zo min als leraren kunnen voorspellen hoe hun leerlingen zich precies ontwikkelen, kunnen lerarenopleiders precies voorschrijven hoe hun studenten zich zouden moeten ontwikkelen.

Het aanbrengen van een nieuwe balans tussen vakkennis, didactiek en pedagogiek, tussen ‘competenties hebben’ en ‘leraar zijn’,  zal de lerarenopleiding zinvoller, betekenisvoller en daarmee aantrekkelijker maken. De legitimatie die leraren op basis van hun opleiding kunnen geven over de keuzes die ze in hun dagelijkse praktijk maken, zal hun gezag en positie verbeteren. Het wordt duidelijk welke maatschappelijke verantwoordelijkheid ze dragen en hoe bewust ze daarmee omgaan. Het beroep zal uitdagender worden, en meer voldoening geven.

Leraren die zo opgeleid zijn, kunnen, doordat ze zichzelf verantwoordelijk en verbonden voelen, zelf weer leerlingen helpen bij hun ontwikkeling tot volwassen burgers, die net als zijzelf beschikken over kennis, vaardigheden, (zelf)inzicht en empatische vermogens om verantwoordelijkheid te kunnen dragen.

Dit vraagt van lerarenopleiders dat zij voorleven in het legitimeren van keuzes, in het aanspreekbaar zijn op de congruentie tussen wat zij doceren, hoe zij doceren en wie zij zijn als docent, en, niet in het minst, in het uitdragen van het besef dat de voldoening van goed onderwijs niet bestaat uit het uitsluiten van risico, maar juist gevonden wordt in het erkennen en uithouden van de onzekerheid en onvoorspelbaarheid van menselijke ontwikkeling.

Dienstbaar onderzoek

Onderwijsonderzoek is dienstbaar aan die zoektocht. Bovenstaande punten vragen niet zozeer om (meer) onderzoek naar ‘wat werkt’, als wel om onderzoek dat leraren houvast geeft bij de vraag ‘wat ertoe doet’ in hun dagelijkse praktijk. Dat referentiepunten geeft om de keuzes die ze noodgedwongen dagelijks maken, te legitimeren. Niet op basis van de valse zekerheid van extern geleverd ‘bewijs’, maar op basis van de innerlijke zekerheid van het professionele oordeel, waarin de eigen ervaring en de relatie met de leerling meewegen.

Dat betekent dat onderwijsonderzoek, veel meer dan nu het geval is, zou moeten vertrekken vanuit concrete praktijken. Er is behoefte aan meer beschrijving van praktijknabije onderwijsontwikkeling die, al tastend en zoekend, zich nu al voordoet. Door alleen vanuit bestaande theorie naar onderwijspraktijk te kijken, worden deze ontwikkelingen gemist, terwijl die juist betekenisvol zijn voor leraren en leerlingen. Niet alleen ‘wat werkt’, maar ook wat we wenselijk vinden moet gelegitimeerd kunnen worden. Voor die laatste vraag ontbreken nu de kaders.

Met dit manifest beoogt stichting NIVOZ bij te dragen aan een nieuw perspectief, vanuit de overtuiging dat ieder mens verantwoordelijk en verbonden in de samenleving kan staan. Om dat te realiseren, is naar ons idee emancipatie van de onderwijspraktijk nodig.
Het manifest is gebaseerd op een brede diversiteit aan bronnen, waarvan een deel ook te vinden is in de artikelen op het NIVOZ-forum. Neem voor meer informatie contact met ons op.

Contact

info@nivoz.nl
h.wassink@nivoz.nl
m.janssens@nivoz.nl