NIVOZ-canon: legitimatie van ons werk

Canon van pedagogische bronnen/oriëntaties

Deze canon is een overzicht van belangrijke actuele en historische pedagogische bronnen en oriëntaties  (personen, teksten en beeld) waarop het werk van stichting NIVOZ, het Nederlands Instituut voor Onderwijs- en Opvoedingszaken, is gestoeld. De betreffende auteur kan worden aangeklikt en daarmee wordt het bestand geopend in de rubriek ‘Over het werk van …

De lezer die systematisch de canon wil volgen, wordt aangeraden te beginnen met ‘Over het werk van Luc Stevens.’ Hij was in 2003 oprichter van NIVOZ, een non-profit organisatie, nadat hij zijn emeritaat als professor orthopedagogiek van de Universiteit Utrecht bereikte. Stevens (1941) is nationaal gewaardeerd wetenschapper, die zich vooral bezighield en houdt met vernieuwingsonderwijs. Zijn pedagogische visie is geïnspireerd en gevoed door zijn werk met kinderen die motivatieproblemen kennen, dan wel tegen leermoeilijkheden aanlopen. Maar ze is even relevant voor elk kind dat onderwijs geniet.

We hebben de bronnen ingedeeld in tijdvakken:

De auteurs zijn collega-wetenschappers die het pedagogische gedachtegoed  van professor Stevens direct of indirect gevoed hebben. Daaronder zijn typisch pedagogische denkers zoals Ferre Laevers (perspectief  nemen), Gert Biesta en Micha de Winter. En er zijn onderwijsontwikkelaars bij, zoals Geert Kelchtermans (persoonlijke biografie) en Jos Kessels (socratische dialoog). Daarnaast is er het werk van organisatie-ontwikkelaar Otto Scharmer (model  U). En heel belangrijk in deze canon zijn de publicaties van motivatiepsychologen Deci & Ryan (Theory of Self-Determination), Weiner & Dweck (attributie-theorie) en Seligman & Czikszentmihalyi (flow).

Vóór 1950

De leermeester van Luc Stevens is Martinus Jan Langeveld (zelfverantwoordelijke zelfbepaling). Zijn fenomenologisch gedachtegoed heeft altijd een belangrijke plaats gehouden in het denken over opvoeding en onderwijs. Die fenomenologische benadering van de pedagogiek geldt ook voor Strasser (leefwereld). De arts Maria Montessori (gevoelige periode) is van belang geweest voor de samenhang tussen fysieke en geestelijk ontwikkeling in termen van ‘gevoelige perioden’ en het realiseren van daarop aansluitende oefenmaterialen.

Typisch mensen uit de opvoedings- en onderwijspraktijk met een holistische visie op het kind in termen van ’hoofd, hart en handen’ waren Janusz Korczak in Polen en Kees Boeke in Nederland. In dezelfde periode ontwikkelden Jean Piaget in Zwitserland en Lev Vygotsky ontwikkelingspsychologische theorieën. De eerste legde het accent op de individuele cognitieve ontwikkeling, de tweede op de sociale, dialectische ontwikkeling.

Rond 1900 ontwikkelde John Dewey in de Verenigde Staten zijn theorie van de pragmatistische pedagogiek. Gert Biesta heeft die theorie weer volop in de aandacht gebracht, met natuurlijk de nodige connotaties.

Tekst wordt nog aangevuld…


* Van 1950 ( – heden)

U vindt artikelen achter een link en in een handige PDF.

#1. Luc Stevens – De behoefte aan relatie competentie en autonomie
Luc Stevens (1941) en de psychologische basisbehoeften. Als in voldoende mate is voldaan aan de behoefte aan relatie (anderen waarderen mij en willen met mij omgaan’), aan de behoefte aan autonomie (‘ ik kan het zelf, hoewel niet altijd alleen’) en aan de behoefte aan competentie (‘ik geloof en heb plezier in mijn eigen kunnen’) is er welbevinden, motivatie, inzet en zin in leren. Wordt hier door opvoeders (ook leraren!) tekort gedaan, dan ontstaan voorspelbaar taakhoudings- en motivatieproblemen op school. Klik hier

#2. Ferre Laevers – Perspectief van de ander innemen
Het werk van de Leuvense hoogleraar Ferre Laevers (1950) rond wat hij noemt perspectief nemen . Klik hier

  #3. Geert Kelchtermans – Wie de leraar wil begrijpen luistert naar zijn verhaal
Geert Kelchtermans en de betekenis van de professionele biografie. Wie de leraar wil begrijpen luistert naar zijn verhaal. Het is de eenheid van zijn persoonlijke en professionele biografie die bepaalt wie de leraar is en hoe hij optreedt. In het leraarschap kan het ‘wie’ eigenlijk niet zinvol worden gescheiden van het ‘hoe’ en ‘wat’. Klik hier

#4. Otto Scharmer – Theorie U
Otto Scharmer (1961) is docent aan het Massachusetts Institute of Technology (MIT), en medeoprichter van het Presencing Institute. Hij is auteur van het boek Theorie U en medeauteur van ‘Presence and Leading from the Emerging Future’. In een interview in 2013 vat Scharmer ‘Theorie U’ als volgt samen: ‘Kort gezegd draait het om drie dingen: een fenomeen van wakker worden met een dieper niveau van bewustzijn. Van jezelf, van de wereld om je heen en van de dingen die er werkelijk toe doen. Ten tweede is het een grid en een taal, waarin je elkaar gaat begrijpen. En ten derde is het een methodiek, een proces dat je telkens weer kunt doorlopen om meer effectief te zijn als leider.’ Klik hier.

#5. Deci en Ryan – Motivatie
De Self-Determination Theory van de Rochester school van motivatiepsychologen, zoals Richard Ryan (1953) en Edward Deci (1942). Hier treffen we de research die leidde tot de bekende drie psychologische basisbehoeften: relatie, competentie en autonomie. Meer te lezen in De gemotiveerde leerling – blz 98-113). Klik hier

#6. Weiner en Dweck – Attributie
De attributietheorie, zoals onder andere vertegenwoordigd door Bernhard Weiner (1935) en het werk van de Stanford motivatiepsychologe Carol Dweck (1946). Meer te lezen in De gemotiveerde leerling blz 52-79). Klik hier

#7. Riksen-Walraven – Verbondenheid & Gehechtheid
Over ontwikkeling van gehechtheid, zoals door hoogleraar Marianne Riksen Walraven (1949) vertegenwoordigd. Ze is als ontwikkelingspsychologe in 2014 vanuit de Radboud Universiteit met emeritaat ging. Klik hier

#8. Jos Kessels – De morele en organisatorische werkelijkheid
Jos Kessels (1948) studeerde rechten en filosofie en werkte aanvankelijk als musicus, journalist en filosofiedocent. Hij spreekt over de morele en organisatorische werkelijkheid. Om een betekenisvolle context voor alle betrokkenen te genereren, moeten de deelnemers werkelijk in het gesprek betrokken zijn en een dialoog kunnen voeren. Een nastrevenswaardige gedachte, ook in het onderwijs: leraren en leerlingen als werkelijke gesprekspartners. Klik hier

9. Seligman en Csikszentmihalyi – Positieve psychologie en flow
De positieve psychologie, vertegenwoordigd door Martin Seligman (1942). De positieve psychologie is de stroming die uitgaat van de sterke kanten van de mens en de veronderstelling dat geluk niet het gevolg is van alleen de juiste genen of toeval, maar te vinden is door het identificeren en gebruikmaken van de sterke kanten die iemand al bezit. Klik hier. Het flow-concept wordt vertegenwoordigd door Mihaly Csikszentmihalyi (1934). Flow-ervaringen geven positieve energie. Flow is volgens Csikszentmihalyi een ervaring van absorptie in een activiteit, waarbij het zelfbewustzijn verdwijnt, het tijdsbewustzijn verandert en het handelen een waarde in zichzelf heeft. Klik hier.


* 1900-1950

# Maria Montessori (1870-1952) was een Italiaans arts en pedagoog die vooral bekend werd door het naar haar genoemde montessorionderwijs. De kern wordt meestal samengevat in haar uitspraak: “Help mij het zelf te doen“. Uitgangspunt is dat een kind een natuurlijke, noodzakelijke drang tot zelfontplooiing heeft. Opvoeding en onderwijs moeten onderkennen wat de behoeften van een kind op een gegeven moment zijn en daarop inspelen door de juiste omgeving en materialen te bieden. In Nederland is in de loop der jaren een groot aantal montessorischolen gesticht, ook voor leerlingen in het voortgezet onderwijs, van VBO tot Gymnasia. Tekst en PDF volgt.

# Martinus Jan Langeveld (1905-1989) was een aanhanger van de Utrechtse Fenomenologische School. Een bekend voorbeeld van zijn fenomenologisch denken is zijn bijdrage aan het boek Persoon en Wereld, aangeboden aan F.J.J. Buytendijk ter gelegenheid van diens 65e verjaardag. Met Philip Kohnstamm en de fenomenologen deelde hij een sceptische houding tegenover onderzoek gebaseerd op kwantificering van kwalitatieve gegevens, met name ook tegenover de Methodologie van de Amsterdamse hoogleraar Adriaan de Groot. Tekst en PDF volgt.

# Stephan Strasser (1905-1991) studeerde moderne filologie, filosofie en psychologie te Wenen, welke laatste studie hij in Dijon voortzette. Hij promoveerde in 1932 en werd daarna leraar, vanaf 1938 in Leuven. (Hij verliet Oostenrijk vanwege de Anschluss van de Nationaal-socialisten). In 1942 werd hij in Leuven medewerker van het Husserl-archief.  Zijn voorkeur voor de fenomenologische methode blijkt uit zijn nauwkeurige waarneming der psychologische verschijnselen gecombineerd met een strenge redeneertrant. Tekst en PDF volgt.

# Janusz Korczak (1879-1942), pseudoniem van Henryk Goldszmit, was een Poolse kinderarts, pedagoog en kinderboekenschrijver, ook bekend als de Oude Dokter. Hij was van Joodse afkomst. Tekst en PDF volgt.

# Kees Boeke (1884-1966) was een Nederlands pedagoog. Vanaf 1926 liet hij de scholieren van de Werkplaats Kindergemeenschap (WP) te Bilthoven deelnemen aan het algehele gebeuren op school. Tekst en PDF volgt.

# Lev Vygotsky (1896-1934) was een Russisch psycholoog van Joodse afkomst. Hij was sterk beïnvloed door de ideeën van Karl Marx. Zijn werk werd niet gewaardeerd in de Sovjet-Unie waardoor het pas in 1958 bekend werd in de Westerse wereld. Tekst en PDF volgt.

# Jean-Piaget (1896-1980) was een Zwitsers psycholoog die de cognitieve psychologische ontwikkeling van kinderen bestudeerde. Tekst en PDF volgt.

 


* 1850-1900

# John Dewey (1859-1952)

 

 

 

* 1800-1850

# Johann Friedrich Herbart (1776-1841)

 

 

 

 
# Friedrich Fröbel (1782-1852)

 

 

 

* 1750-1800

# Johann Heinrich Pestalozzi (1746-1827)

 

 

 

* 1700-1750

# Jean-Jacques Rousseau (1712-1778)

 

 

 

 

* 1600-1700

# Jan Amos Comenius (1592-1670)

 

 

 

* 1500-1600

# Michel de Montaigne (1533-1592)

 

 

 

* 1400-1500

# Desiderius Erasmus (1466-1536)