Pedagogische canon

Canon van pedagogische bronnen/oriëntaties

Deze canon is een overzicht van belangrijke actuele en historische pedagogische bronnen en oriëntaties  (personen, teksten en beeld) waarop het werk van stichting NIVOZ, het Nederlands Instituut voor Onderwijs en Opvoedingszaken, is gestoeld. De betreffende auteur kan worden aangeklikt en daarmee wordt het artikel geopend op NIVOZ-platform hetkind.

De lezer die systematisch de canon wil volgen, wordt aangeraden te beginnen met Luc Stevens. Professor Stevens is de founding father van stichting NIVOZ, nadat hij zijn emeritaat als hoogleraar orthopedagogiek van de Universiteit Utrecht bereikte. Stevens (1941) is nationaal gewaardeerd wetenschapper, die zich vooral bezighield en houdt met vernieuwingsonderwijs. Ontevreden over hoe de universitaire wereld zich ontwikkelde tot smalle cijfermatige instituten, trok de hoogleraar zijn eigen plan en begon hij in 2003 zijn eigen ‘onderwijsinstituut’ dat plek bood voor reflectie en bezinning op de pedagogiek als handelingswetenschap. De leraar en haar klas zijn bij Stevens nooit ver weg. Zijn pedagogische visie is geïnspireerd en gevoed door zijn werk met kinderen die motivatieproblemen kennen, dan wel tegen leermoeilijkheden aanlopen. Maar ze is even relevant voor elk kind dat onderwijs geniet.

We hebben de bronnen ingedeeld in drie tijdvakken:

  • 1945-2018: Wetenschappelijke ontwikkeling van theorie en praktijk
  • 1789-1945 : Industriële ontwikkeling en democratisering
  • 1500-1789 : Van de Renaissance naar de Verlichting

1945 – 2018

Deze periode wordt gekenmerkt door de grote invloed in Europa van het empirisch- analytisch denken in de wetenschap vanuit de Verenigde Staten van Amerika. Het boek van A.D. de Groot ‘Methodologie, grondslagen van onderzoek en denken in de gedragswetenschappen’ is hiervan een exponent. De voorgestelde cyclus van het empirisch- wetenschappelijk onderzoeken (observatie, inductie, deductie, toetsing en evaluatie) leidt tot een enorme uitbreiding van wetenschappelijke disciplines. Daarnaast blijven er echter ook onderzoekers die zich op het kwalitatief onderzoek richten en de fenomenologie en zingeving van de actoren benadrukken.

De voor NIVOZ belangrijke auteurs zijn vooral op dat laatste gericht. De auteurs zijn collega-wetenschappers die het pedagogische gedachtegoed van professor Luc Stevens direct of indirect gevoed hebben. Daaronder zijn typisch pedagogische denkers zoals Ferre Laevers (perspectief  nemen), Gert Biesta en Micha de Winter. Psychologie is een belangrijke hulpwetenschap voor de pedagogiek. In dit verband denken we aan de ontwikkelingspsychologe Marianne Riksen-Walraven (gehechtheidsrelatie) en de filosoof-neuropsycholoog Francisco Varela. En heel belangrijk in deze canon zijn de publicaties van motivatiepsychologen Deci & Ryan (Theory of Self-Determination), Weiner & Dweck (attributie-theorie) en Seligman (positive psychology) & Czikszentmihalyi (flow). En er zijn onderwijsontwikkelaars bij, zoals Geert Kelchtermans (persoonlijke biografie) en Jos Kessels (socratische dialoog). Daarnaast is er het werk van organisatie-ontwikkelaar Otto Scharmer (model  U).

De leermeester van Luc Stevens is Martinus Jan Langeveld (zelfverantwoordelijke zelfbepaling). Zijn fenomenologisch gedachtegoed heeft altijd een belangrijke plaats gehouden in het denken over opvoeding en onderwijs. Bij de Canadees-Nederlandse hoogleraar Max van Manen kreeg het fenomenologisch schrijven een belangrijke plek in de studie naar de directe ervaring. Het werd een methode om pedagogische kennis en betekenis boven te brengen.

Vóór 1945

De arts Maria Montessori (gevoelige periode) is van belang geweest voor de samenhang tussen fysieke en geestelijk ontwikkeling in termen van ‘gevoelige perioden’ en het realiseren van daarop aansluitende oefenmaterialen. Typisch mensen uit de opvoedings- en onderwijspraktijk met een holistische visie op het kind in termen van ’hoofd, hart en handen’ waren Janusz Korczak in Polen en Kees Boeke in Nederland. In dezelfde periode ontwikkelden Jean Piaget in Zwitserland en Lev Vygotsky ontwikkelingspsychologische theorieën. De eerste legde het accent op de individuele cognitieve ontwikkeling, de tweede op de sociale, dialectische ontwikkeling.

Rond 1900 ontwikkelde John Dewey in de Verenigde Staten zijn theorie van de pragmatistische pedagogiek. Gert Biesta heeft die theorie weer volop in de aandacht gebracht, met natuurlijk de nodige connotaties.

Na je als lezer georiënteerd te hebben op min of meer de actuele situatie zijn er in hoofdlijnen twee mogelijkheden om zich verder te oriënteren:

1. Van heden naar verleden:

Je leest over één of meer de auteurs in het heden en je bent nieuwsgierig naar hun voorlopers of ‘aartsvader’. Je gaat als het ware stap voor stap terug de geschiedenis in.

2. Van vroeger naar nu:

Je hebt belangstelling in de chronologie. Je begint met de geschiedenis in de periode 1500-1789. Voorafgaande eindigt de periode van de Renaissance en begint de Verlichting, een omwenteling van het sacrale (goddelijke) naar het humane (empirische) denken.

Desiderius Erasmus (Lof der Zotheid) is een wereldberoemde pionier in zijn beschouwingen over het Christendom en het denken en doen van volwassenen en kinderen. Vijftig jaar later schrijft de filosoof Michel de Montagne in zijn Essays over opvoeding, ouders en kinderen. De ratio van de mens en het humanisme komen nog meer in beeld. Weer vijftig jaar later schrijft Jan Amos Comenius zijn beroemde verhandelingen over  de inrichting van het onderwijs en een pleidooi voor onderwijs aan iedereen, jongens en meisjes van alle standen. Hij is de eerste denker, die schrijft over hoe de leerstof overgedragen kan worden. Weer vijftig jaar later schrijft Jean-Jacques Rousseau een verhandeling en boeken over het belang van vrijheid, gelijkheid en broederschap en de ‘natuurlijke ontwikkeling’ van het kind. Het kind wordt in zijn ontwikkeling belemmerd door een culturele, rationele en op standen gebaseerde opvoeding, gekenmerkt door opgelegde kennis, regels en discipline. De Franse Revolutie sluit deze periode ongeveer af.

In de 19e en de eerste helft van de 20e eeuw staan de industriële revolutie en een enorme toename van technische uitvindingen en industrialisatie centraal. Er ontstaat echter een enorme kloof tussen de eigenaren en de arbeiders met grote verschillen in inkomens en bezit. Er wordt gezocht naar vormen van samenleven, zich langzamerhand uitkristalliserend in democratieën. Dit betekent echter toenemende aandacht voor het belang van goed onderwijs in termen van algemene kennis, kunde en specifieke kennis en kunde in de ontwikkeling van het kind met het oog op zijn latere hoof- en handenarbeid. Beïnvloed door het werk van Jean-Jacques Rousseau publiceert Friedrich Wilhel August Fröbel zijn gedachtegoed voor de ontwikkeling van het jonge kind en ontwerpt hij de Kindergarten, waarin spelend leren centraal staat. Johann Heinrich Pestalozzi maakt de overgang  zichtbaar van wijsbegeerte naar een empirische blik op jonge kinderen en meer de psychologie van het leren bij Johann Friedrich Herbart.

Vanaf die tijd komen we echt de 20e eeuw binnen. Er ontstaat een scheiding tussen pedagogiek als geesteswetenschappelijk stroming en psychologie als gedragswetenschap. De praktiserende pedagogen Janusz Korczak en Kees Boeke leggen de nadruk op de stem van het kind in opvoeding en onderwijs. Martinus Langeveld is behalve praktiserend pedagoog ook theoretisch geschoold, met bijzondere aandacht voor de fenomenologie van opvoeding. Maria Montessori benadrukt als arts meer de invloed van onderwijsmaterialen op de individuele, gevoelige perioden van een kind. De ontwikkelingspsychologen Jean Piaget en Lev Vygotsky leggen de nadruk op de cognitieve, respectievelijk de sociale ontwikkeling van kinderen.

Na 1950 ontstaat een enorme verschuiving van de Europese geesteswetenschappelijke traditie naar het  Angelsaksische/Amerikaanse empirisch-analytisch onderzoek. Dit leidt tot een veelheid van wetenschappelijk disciplines, die elkaar min of meer beïnvloeden of tegenspreken. Heden ten dage wordt steeds meer getwijfeld aan het nut van de enorme en onoverzienbare vloed aan (meta) data en wordt gezocht naar de menselijke maat in klas en school.