Wat is kennis: eigen levensweg (deel 2/4)

05 okt 2015 · door Frederike de Jong >
docente Godsdienst & Filosofie; Filosofe

Van de redactie: Al langer zijn we bekend met het idee dat de persoonlijke en professionele biografie ons perspectief en handelen voedt en tekent. Dit brengt met zich mee dat het relevant is kennis te nemen van de biografie van waaruit uitspraken worden gedaan. In deel twee van haar essay gaat Frederike de Jong dan ook in op haar eigen biografie: haar ervaringen en de verschillende kennisvelden waarmee zij in aanraking is gekomen, in en buiten het onderwijs. Haar opgedane kennis van, en ervaringen binnen ook andere dan gangbaar wetenschappelijke praktijken, vormen de voedingsbodem voor de standpunten die ze inneemt in haar essay.

Ze introduceert een figuur van de vrouwelijke waarheid, als hulpmiddel voor het begrijpen van verschillende in te nemen filosofische posities. Aan het eind van het essay geeft ze ons weer een aantal vragen mee, aan de hand waarvan we zelf antwoorden kunnen formuleren die richting kunnen geven aan de wijze waarop we onderwijs vormgeven.


Wat is kennis: eigen levensweg

In het eerste deel van dit essay sprak ik over verschillende ‘kennisvelden’ die zijn ontstaan binnen gemeenschappen die ‘waarheid’ voor hun kennis claimen. De gang terug naar de bronnen van de rationaliteit, onderbreek ik hier door te vertellen over mijn eigen leven. Hiermee illustreer ik hoe ik zelf het bestaan van verschillende kennisvelden heb ervaren en ervaar. Ook vertel ik over de ‘versluiering’ en ‘ontdekking’ van Sophia. Ik doe dat in de volgende paragrafen:

  1. School, studie en werk
  2. Controversen en toenadering
  3. ‘Versluiering’ van Sophia
  4. ‘Ontdekking’ van Sophia

Mijn verhaal is wellicht relevant voor het onderwijs. Ik zal niet het enige kind zijn geweest dat de kennis die ik met het onderwijs kreeg aangereikt als eenzijdig heb ervaren. Onderwijs zou tegemoet moeten komen aan leerlingen met andere kennisbehoeften, gerelateerd aan andere kennisvelden dan uitsluitend het ‘gangbaar wetenschappelijke’. Een ruimere blik op kennis kan zorgen voor beter aansluitend onderwijs.

1. School, studie en werk

Op de lagere school kon ik goed meekomen. Dat veranderde toen ik de overstap maakte naar de middelbare school; het was alsof ik mijn basis verloor. In de brugklas havo-vwo kwam ik erachter dat ik ‘niet kon lezen’. Dit was zo in mijn beleving, in werkelijkheid las ik heel erg langzaam en precies. Van mijn ontdekking schrok ik zo, dat ik naar de mavo wilde. Mijn wil geschiedde en nog altijd ben ik verbaasd dat mijn noodkreet niet werd gehoord. Ik haalde mijn diploma.

Een leraar maatschappijleer op de mavo zei destijds: “Iedereen hoort bij de maatschappij, ook een kluizenaar ontkomt daar niet aan”. Ik voelde innerlijk verzet: deze maatschappij is niet de mijne, ik-ben-daar-niet-in-thuis. De maatschappij waarvan de school een afspiegeling is bood mij onvoldoende identificatiemogelijkheden. Ik kon op school mijn draai niet vinden. Op aandringen van mijn moeder ging ik naar de havo en toen ik daar vastliep ging ik schriftelijk studeren. Toen ook dat niet lukte, ging ik naar een Daltonschool. De vrijheid van het Daltononderwijs, het mogen structureren van mijn eigen tijd en het mogen leren op mijn eigen manier werkten goed voor me. Zo haalde ik mijn havo diploma.

Na een ‘tussenjaar’ volgde ik een diëtistenopleiding en werkte daarna als diëtist. Mijn HBO-diploma verleende mij toegang tot de universiteit. Ik studeerde af als filosoof aan de Vrije Universiteit onder verantwoordelijkheid van professor Wolterstorff. Enige tijd later kreeg ik een baan binnen de landelijke protestantse kerk om een dialoog op gang te brengen tussen mensen van verschillende gezindte. Hierna volgde ik een opleiding tot regressie- en reïncarnatietherapeut. Vervolgens vond ik een baan als lerares godsdienst op een middelbare school en stopte met mijn diëtistenwerk. Ik werk nu dertien jaar op deze school en combineerde dat tot voor kort met een praktijk als regressie- en reïncarnatietherapeut. Vorig jaar heb ik een opleiding tot eerstegraads bevoegd docent filosofie met succes afgerond en geef nu ook filosofielessen.

Deze beschrijving van mijn school- en studietijd illustreert dat ik graag wilde leren, maar binnen het schoolsysteem mijn draai niet vond. Dat veranderde echter met het Daltononderwijs. Het was niet alleen het schoolsysteem als zodanig waarbinnen ik me niet thuis voelde, het was ook het kennissysteem waarbinnen ik werd opgeleid en wat ik als eenzijdig herkende. De vakken vond ik interessant, maar ik was ook altijd op zoek naar kennis waarvan ik intuïtief wist dat ik die binnen de muren van de school niet kreeg aangeboden. Ik vulde dat op eigen initiatief aan met een ander soort kennis en activiteiten. Ik kwam er bijvoorbeeld als veertienjarige achter, dat ik ‘alternatieve boeken’ wel kon lezen. Ook volgde ik als tiener yoga- en meditatielessen. Kennelijk sloten deze boeken en lessen aan bij een mij meer vertrouwd kennisveld dan ‘het regulier wetenschappelijke’.

Ook tijdens de studie filosofie ondervond ik dat ik de uitgangspunten van waaruit werd lesgegeven niet deelde. Verschil met eerder was dat ik nu echter in staat was mijn eigen positie beter te begrijpen. Binnen de wetenschap, en ook de academische filosofie, hanteert men een reductionistisch uitgangspunt. Dat houdt in dat de werkelijkheid eerst wordt gereduceerd tot kenbare basiselementen om deze vervolgens te reconstrueren tot een totaalplaatje (Nagel, 2014, p. 44).

Ik hanteer een ander uitgangspunt. Ik ga er namelijk vanuit dat de werkelijkheid waarin we leven principieel ‘heel’ is en dat ‘ware kennis’ deze heelheid weerspiegelt. Dit is een holistisch uitgangspunt. Ik heb mij nooit kunnen vinden in een reductionistische benadering van kennis. Omdat het wel de gangbare benadering van kennis is in de westerse maatschappij, ben ik de achtergronden van dat kennisconcept gaan onderzoeken. Ik koos binnen de filosofie voor de afstudeerrichting ‘kennis- en wetenschapsleer’. Ik ben steeds beter gaan begrijpen wat het wereldbeeld inhoudt waarop de reductionistische benadering van wetenschap is gebaseerd en dat ik als verouderd ben gaan beschouwen. Ook ben ik beter gaan begrijpen wat de contouren zijn van een nieuwe visie op kennis en wetenschap, die meer past bij deze tijd.

Cornelis (1998) geeft aan dat het hem is opgevallen dat zijn studenten vaak niet studeren om een baan te krijgen, maar om de wereld beter te begrijpen, zodat ze in staat zijn een antwoord te geven op de problemen in de huidige maatschappij (p. 553). Ik herken daarin mijn eigen motivatie tot studeren.

 2. Controversen en toenadering

Eerder beschreef ik dat iemand ten aanzien van andere kennisvelden dan het eigen waarin hij of zij zich thuis voelt, twee verschillende basishoudingen kan hebben. Je kunt denken: wat heb jij mij te zeggen, wat kan ik van jou leren? Dan kun je de oriëntatie van die ander onderzoeken. Maar andere oriëntaties dan de eigen vertrouwde, kunnen ook leiden tot irritaties en weerstand. Dan betekent het ‘wat heb jij mij te leren?’ iets heel anders dan het hierboven positief bedoelde. Beide basishoudingen kunnen ook wisselen binnen één persoon die met verschillende kennisvelden verschillende affiniteit heeft. Aan de hand van een drietal voorvallen uit eigen ervaring waaruit zulke irritaties en weerstanden blijken, schets ik welke weg ik zie uit de controversen.

De eerste ervaring betreft een kennismakingsronde tijdens mijn opleiding tot eerstegraads bevoegd docent, twee jaar geleden (2013-2014) aan de Universiteit Utrecht. Daar vertelde ik over mijn achtergronden als filosoof en regressie- en reïncarnatietherapeut. Een medestudent sprak zijn verbazing uit dat iemand waarvan je toch een zekere weldenkendheid zou verwachten (gezien mijn studie filosofie) zich met zaken als regressie- en reïncarnatietherapie bezighoudt. Mijn antwoord had kunnen zijn: ‘misschien is het wel juist door mijn kennis van de filosofie dat ik dat doe, aangezien ik weet dat bijvoorbeeld de filosoof Pythagoras zich de wijsheid van Sophia nog herinnerde en technieken kende om zich vorige levens te herinneren’ (Van der Meer, 2008, p. 77). Ik had er ook oosterse wijsheidsleraren bij kunnen betrekken die de reïncarnatiegedachte onderschrijven, maar deed dat niet.

Een tweede ervaring betreft een bijeenkomst in esoterische kring. De spreekster en oprichtster van een organisatie had ‘van hogerhand’ doorgekregen contact te zoeken met ‘de traditionele kerk’ om een einde te maken aan de vijandigheid tussen traditioneel geloven en esoterie. In de pauze zocht ik de man op die dit verder coördineerde. Ik vertelde dat ik thuis was in de wereld van de kerk en mijn bijdrage wilde leveren aan de toenadering tot de kerk als dat op prijs werd gesteld. Als antwoord kreeg ik de wind van voren: wist ik wel dat de kerk vele mensen, meestal vrouwen, op de brandstapel om het leven had gebracht? Ja, dat wist ik wel.

Het derde voorbeeld betreft mijn ervaringen binnen de traditionele kerk. Door sommigen werd ik argwanend aangekeken, omdat ik open was over mijn affiniteit met esoterische tradities. Anderen vertrouwden mij juist daarom een baan toe binnen de landelijke kerk, waarin ik een dialoog op gang probeerde te brengen tussen traditioneel gelovigen en mensen met belangstelling voor vormen van ‘nieuwe spiritualiteit’. Daaronder worden onder meer esoterische tradities verstaan, in onderscheid met binnen de kerk geaccepteerde vormen van spiritualiteit.

Deze voorbeelden geven aan dat de weerstanden tegen andere kennisvelden groot kunnen zijn. Dit kan de toenadering tussen mensen uit verschillende kennisvelden belemmeren. Een weg uit de controversen biedt mogelijk het begrip ‘gnosis’.

Gnosis

Voor mij staat de wereldgemeenschap voor de opgave om ‘gnosis’ te realiseren. Gnosis is het Griekse woord voor kennis en ik versta eronder kennis die nog ‘heel’ is, ‘ware kennis’. Het is ook kennis die de verschillende kennisvelden integreert. Een sleutel tot gnosis biedt het principe dat we hebben leren kennen als ‘Sophia’. Ik introduceer haar als een principe dat staat voor vrouwelijke wegen naar ‘heelheid’, in onderscheid met mannelijke. Oude teksten weten:

als jullie het mannelijke en vrouwelijke tot één maakt,
zodat het mannelijke niet mannelijk zal zijn
en het vrouwelijke (niet) vrouwelijk, (…)
dan zullen jullie binnengaan in [(…)].
(Slavenburg & Glaudemans, 2000, p. 140)

Waarin we zullen binnengaan is helaas verloren gegaan. De vertalers hebben het beschadigde tekstfragment aangevuld met ‘het Koninkrijk’. Dat is naar mijn mening een christelijke invulling van een heelheidsvisioen dat ook in seculiere zin is te verstaan. Ik beoog het heelheidsvisioen dat vele religies voor ogen staat in seculiere zin op te pakken, aangezien velen zich niet meer in de oude religieuze woorden en beelden herkennen en/of deze beschouwen als achterhaald. Dat merk ik ook in het onderwijs: veel leerlingen die ik lesgeef, in de Randstad op een katholieke school, zijn niet religieus opgevoed. Ik ben van mening dat in oude bronnen schatten verborgen liggen die niet noodzakelijk religieus hoeven te worden ingevuld en ik probeer dat dan ook te vermijden. Het heelheidsvisioen kán natuurlijk wel religieus worden ingevuld, dat is in het verleden volop gedaan, het kan echter óók in seculiere termen. Hoewel ik dat probeer te doen, ontkom ik er niet altijd aan om naar de oude bronnen in religieuze termen te verwijzen, aangezien dat heel vaak religieuze bronnen zijn.

De Nag Hammadi-geschriften, waaruit bovenstaand citaat afkomstig is, zijn in 1945 gevonden in een kruik onder de aarde, bij Nag Hammadi, in Egypte. Ze zijn geschreven door gnostische christenen in de eerste tot vierde eeuw. Zij geven een visie op het christendom die vaak als ‘vrouwelijk’ wordt getypeerd, net als de hermetische filosofie en alchemie in de 16e en 17e eeuw. De gevestigde macht – de traditionele kerk en de mechanistische filosofie en in het voetspoor daarvan de wetenschap – werden en worden vaak als ‘mannelijk’ getypeerd (zie deel I).

De begrippen ‘vrouwelijk’ en ‘mannelijk’ neem ik op als technische termen, vergelijkbaar met de begrippen yin en yang in de Chinese filosofie. Onder ‘vrouwelijk’ versta ik een dragend en verbindend principe, de heelheid die mannelijk en vrouwelijk omvat en tegelijk deel is van de tegenstelling mannelijk en vrouwelijk. Om dit te begrijpen moeten we ‘dubbel’ leren denken: hoe vreemd dit ook lijkt, beide is tegelijk waar, afhankelijk van het perspectief dat we hanteren; onder ‘mannelijk’ versta ik een principe dat zich heeft losgemaakt van de heelheid of zichzelf in overdrachtelijke zin de heelheid niet (meer) bewust is. Ook dit is te begrijpen door ‘dubbel’ te leren denken: ‘hij’ maakt wel deel uit van de heelheid maar is het zich niet meer bewust en is juist hierdoor zijn (bewuste) ervaring van de heelheid kwijtgeraakt (De Jong, 2012; De Jong, 2013).

Wat de begrippen ‘mannelijk’ en ‘vrouwelijk’ extra lastig maakt, is dat beide in elkaar kunnen overgaan, zoals ook yin en yang dat doen in de Chinese filosofie. Feit blijft dat wat historisch als vrouwelijk is getypeerd, zoals de gnostische benaderingen van kennis en de hermetische filosofie en alchemie, zijn afgesplitst van de traditionele religie(s) en wetenschap, die veelal als ‘mannelijk’ worden getypeerd.

In paragraaf 4 schets ik hoe ‘Sophia’ als vrouwelijk principe een weg naar integratie van de verschillende kennisvelden wijst. Maar ik beschrijf eerst de beweging die ertoe leidde dat we Sophia zijn vergeten, waarna ik ook vertel wat we inmiddels weer over haar weten.

 3. ‘Versluiering’ van Sophia

In mythische tijden zijn de god en de godin nog één. Dat verandert wanneer de mensen rationeel gaan denken. In Griekenland komt de mens tegenover de omringende werkelijkheid te staan (Van der Meer, 2008, p. 36). De eenheidsbeleving raakt verloren. Hieraan vooraf gaat echter een andere ontwikkeling. Deze hangt samen met de komst van de Indo-Europeanen naar Griekenland. De nieuwe bewoners van Griekenland nemen de macht over en dringen hun regels en gewoonten op aan de oorspronkelijke bevolking. Op school leren de leerlingen dat de Klassieke Oudheid de bakermat vormt van de westerse cultuur. Dat is ons ook geleerd. Rond de aanvang van de westerse geschiedenis in het oude Griekenland hangt een zweem van trots. Leezenberg en De Vries (2012) halen een bron aan die over de beeldvorming van deze periode zegt dat deze:

(…) onmiskenbaar racistische trekken heeft. De vorming van dit beeld ging namelijk gepaard met de omvorming van de oude Grieken tot een raszuiver blank, Europees en arisch Herrenvolk dat geheel op eigen kracht uit de primitieve barbarij een hoogstaande beschaving had gevormd, en terecht zijn culturele stempel op de andere volken van die tijd had gedrukt. Dit beeld vereiste (…) het systematisch wegmoffelen van de Egyptische en Foenicische (of (…) ‘Afro-Aziatische’) achtergronden van de Griekse cultuur, hoewel antiek-Griekse auteurs die zelf wel degelijk hadden erkend. (p. 137)

Ons beeld van de geschiedenis is dus mogelijk gekleurd door oude en hedendaagse belangen. Dat geldt echter niet alleen voor ons beeld van de bakermat van onze huidige westerse beschaving. Het geldt ook voor de tijd die vooraf gaat aan de komst van de Indo-Europeanen. Annine van der Meer spreekt over die tijd als ‘het moederland’.

Het moederland kunnen we plaatsen in de steentijd, vanaf ongeveer 30.000 tot 3000 v.c. (Van der Meer, 2006, p. 12). De periode behoort tot de prehistorie. Het begrip ‘prehistorie’ duidt de geschiedenis van de mensheid aan waarvan we geen geschreven bronnen kennen. Van der Meer (2006, 2009) wijst ons erop dat de beelden die we van de prehistorie hebben, gekleurd zijn door ons hedendaags perspectief.

Wordt er nu oorlog gevoerd? Dan zal dat altijd zo zijn geweest. Worden vrouwen en vrouwelijke waarden nu onderdrukt? Dan is dat vast nooit anders geweest.

We projecteren met andere woorden onze ideeën over moderne gebruiken en verhoudingen terug in de tijd. Dat resulteert in een beeld van de prehistorie dat in het verlengde ligt van onze huidige opvattingen: vrouwen en vrouwelijke waarden zijn altijd ondergeschikt geweest aan mannen en mannelijke waarden. Deze rolverdeling is niet per se goed of slecht: het was gewoon zo.

Een ander beeld dat over de prehistorie bestaat is dat vrouwen destijds over de mannen heersten. De huidige verhoudingen tussen mannen en vrouwen en ook tussen mannelijke en vrouwelijke waarden zouden een correctie zijn op de vroegere situatie. Dit is echter een door onderzoek achterhaald beeld (Van der Meer, 2006, p. 17).

Een derde beeld van de prehistorie is in het bijzonder van belang. Dat is het beeld dat vrouwen en mannen een gelijkwaardige positie kenden. Dat veranderde met de komst van de Indo-Europeanen en andere volken met een patriarchale samenlevingsstructuur. Vanaf hun komst treedt er een verschuiving op in de verhouding tussen mannen en vrouwen en tussen mannelijke en vrouwelijke waarden. De mannen gaan over de vrouwen heersen en mannelijke waarden worden belangrijker dan vrouwelijke waarden. Aan een relatief vredige samenleving komt een einde. De nieuwe orde wordt met behulp van wapens in stand gehouden.

Ik sluit me aan bij de laatste visie. Er zijn verschillende indicaties dat deze visie juist is:

  1. Tot de komst van de Indo-Europeanen werden metalen gebruikt voor het maken van sieraden, beeldjes, rituele voorwerpen en gereedschappen. Afbeeldingen van wapens, gekerfd in steen, grafzuilen en rotsen, verschijnen pas na de invallen van de Indo-Europeanen. Ook worden er pas vanaf dan bogen, pijlen, speren, snij- en steekwapens, geweibijlen en paardenbotten in de graven gevonden (Eisler, 1997, pp. 65-71).
  2. Afbeeldingen en andere kunstvoorwerpen uit de prehistorie getuigen van een gerespecteerde plaats van vrouwen en van godinnen. In de kunst is een geleidelijke verandering te zien, waaruit blijkt dat vrouwen en het vrouwelijk goddelijke meer en meer aan status verliezen (Van der Meer, 2006, 2008, 2009, 2013).
  3. Vroegere mythen en andere verhalen getuigen eveneens van een gerespecteerde plaats van vrouwen en godinnen. Latere tekstfragmenten en andere geschreven bronnen tonen dat deze oudere bronnen zijn herschreven en steeds vrouwonvriendelijker werden (ibid.)

Voor de veranderingen die de overgang van ‘moederland’ naar ‘vaderland’ inluidden, bestaat een aantal verklaringen (Van der Meer, 2006, pp. 488-494), die veelal de status hebben van hypothese. Er zijn onderzoekers die menen dat de belangrijkste verklaringen samenhangen met de invallen van de Indo-Europeanen en andere (nomadische) volken die er zich vestigden. Deze volken namen hun mannelijke goden mee en een hiërarchische samenleving met mannelijke priesters aan het hoofd. Andere verklaringen zijn de opkomst van privébezit en de vorming van staten. IJzer wordt uitgevonden. De ploeg wordt ontwikkeld en de landbouw wordt op grotere schaal bedreven. Van ijzer worden ook wapens gemaakt om het groeiende bezit te verdedigen; het zijn de mannen die dat doen. Ook wordt als verklaring geboden de ontwikkeling van het rationele denken; dit zou mede van invloed zijn geweest op de degradatie van vrouwen en het vrouwelijke.

Wat de verklaringen voor de veranderingen ook zijn, de geschiedenis gaat als volgt verder. Er komen allemaal geboden en verboden om vrouwen klein te maken. Het monogame huwelijk wordt ingesteld, maar alleen voor vrouwen. Mannen houden er courtisanes, slavinnen en harems op na (Van der Meer, 2008, p. 70). De dochters wonen niet meer bij de moeder in zoals dat eerder gebruikelijk was, maar gaan bij de schoonfamilie wonen. Vaak mogen vrouwen niet naar buiten, of alleen gesluierd en onder geleide (Ceton, 2012, p. 22). Het wordt vrouwen verboden zich te ontwikkelen en het zijn de mannen die gaan schrijven (Van der Meer, 2006, pp. 31-32).

De filosofie wordt een bijna geheel mannelijke aangelegenheid. Er waren wel vrouwelijke filosofen, maar slechts weinigen weten door te dringen tot de filosofische gemeenschap. De kennis die mannelijke en vrouwelijke waarden integreerde, nog als één geheel zag, verdwijnt geleidelijk uit het bewustzijn van mensen.

 4. ‘Ontdekking’ van Sophia

In mijn eigen leven diende Sophia zich aan als een visioen. Ik wist niet dat het Sophia was. Het was een ruitvormige, transparante figuur, boomhoog, die met me meegleed door het weiland waar ik langs fietste. Het was tijdens het eerste jaar van mijn studie filosofie. Ik wist me in een wereld van mannen en ik leerde over mannelijke filosofen. In een groep met vrouwen verdiepten we ons in de marge van de filosofie, in de filosofieën van vrouwelijke filosofen. Om me in deze mannelijke wereld te handhaven, werkte ik de structuur uit die de ruitvormige figuur in zich verborg. Ik noemde haar ‘de vrouwelijke waarheid’. Ze is me mijn hele studietijd en tot op de dag van vandaag tot steun geweest bij het komen tot een ‘vrouwelijk’ antwoord op de ‘mannelijke’ filosofie.

Pas toen ik het werk van Annine van der Meer leerde kennen, in 2010, begreep ik dat de figuur een gestalte was van wat in mythische tijden bekend stond als ‘de godin’ of ‘vrouwe wijsheid’. Ze had zich alleen wél een heel abstracte gedaante aangemeten. Door het werk van Annine van der Meer leerde ik hoe ze door mensen in beelden en beeldjes was vormgegeven en hoe mythen haar verhalen vertelden.

De systematiek van de figuur die tot mij kwam, beschrijf ik hierna. In de delen die volgen poog ik uit te leggen hoe ‘Sophia’ de verborgen structuur is achter de filosofieën van vele grote filosofen. De omkering van perspectief, die in de figuur verborgen zit – namelijk van een ontologische naar een ethische oriëntatie – werk ik uit in relatie tot de onderwijspraktijk.

‘Sophia’ is voor mij ‘de vrouwelijke waarheid’. Ze is van de volgende structuur (zie afbeelding 3):

De figuur van de vrouwelijke waarheid weerspiegelt een kijk op de geschiedenis waarin het mannelijke en het vrouwelijke in de prehistorie nog innig met elkaar waren verbonden (onderste hoekpunt van de figuur: de alfa). Deze innige omstrengeling werd verbroken en beide gingen hun eigen weg (linker en rechter hoekpunt bij het vrouwelijkheids- en mannelijkheidsymbooltje). Ze leidden tot oriëntaties die als ‘mannelijk’ en vrouwelijk’ kunnen worden getypeerd, gevormd op grond van respectievelijk een ‘mannelijk’ en ‘vrouwelijk’ waarheidsconcept. Anders dan de suggestie misschien is, oriënteren mannen zich niet uitsluitend aan een mannelijk waarheidsconcept en vrouwen aan een vrouwelijk: “Zowel mannen als vrouwen kunnen zich aan beide oriënteren. Er kan wel per individu een bepaalde voorkeur voor het ene of het andere waarheidsconcept bestaan” (De Jong, 2013, p. 15).

De figuur veronderstelt dat beide ‘waarheden’, mannelijk en vrouwelijk, in de toekomst samenkomen (bovenste hoekpunt: de omega). Anders dan de alfa, onderaan in de figuur, is de omega, bovenaan in de figuur, tussen haakjes geplaatst. We kunnen nu eenmaal niet in de toekomst kijken om te zien hoe de waarheid die het mannelijke en vrouwelijke verenigt, eruit zal zien. Als de figuur zich helemaal geopend heeft, komen verleden en toekomst samen in het nu en is de waarheid die mannelijk en vrouwelijk verenigt, te ervaren in ons hart. Heeft de figuur zich geopend, dan is ze gelijktijdig opgeheven: met ons verstand is de kennis van het hart niet te begrijpen. Ze is wel te ervaren.

Het openen van de figuur gaat in fases. De gesloten figuur staat voor de fase waarin we ons als mensen identificeren met de wereld zoals we die in onze concepten vormgeven. We denken waarheidsaanspraken over werkelijkheid te kunnen doen: dit is dat. Dan ontvouwt de figuur zich stap voor stap, zoals een rups zich via het popstadium ontvouwt tot vlinder. De figuur die zich geopend heeft staat voor de fase waarin we ons niet meer identificeren met …, maar enkel zijn.

De figuur herbergt vele geheimen. Bijvoorbeeld over het doel van het mens-zijn, of over de vele visies op ‘waarheid’ die mogelijk zijn en op grond van de figuur te begrijpen (en te relativeren) zijn. Het belangrijkste geheim dat de figuur ontsluit is het geheim dat vele wijsheidsscholen leren: dat ware kennis mannelijk en vrouwelijk verenigt. Dat is gnosis, de kennis van het eigen hart.

Slotwoord

Het deel over mijn levensweg sluit ik af met een positiebepaling ten aanzien van de verschillende kennisvelden. Ik heb me altijd goed thuis gevoeld in het wetenschappelijke milieu van de universiteit. Ook heb ik me meestal thuis gevoeld in het christelijke milieu van de kerk en ook in het esoterische milieu van sommige alternatieve praktijken. Doordat ik me van kennisveld tot kennisveld verplaatste, leerde ik de verschillende ‘talen’ kennen die binnen de verschillende kennisvelden gesproken worden. In het wetenschappelijke milieu wordt vooral mijn kritische onderzoekszin gevoed, in het esoterische milieu mijn behoefte aan het verkennen van innerlijke werelden en in het christelijke milieu mijn behoefte aan gevoel van ‘richting’: wat is het doel dat ons voor ogen staat? Het ‘ons’ ben ik gaan invullen als de wereldgemeenschap: een gemeenschap van mensen die niet gebonden is aan geïsoleerde kennisvelden zoals ‘de wetenschap’, ‘het christendom’, ‘de esoterie’, maar die de verschillende kennisvelden overstijgt.

Samenvatting

Oude, veelal religieuze bronnen leren dat ware kennis ‘mannelijk’ en ‘vrouwelijk’ verenigt. Beschreven is langs seculiere weg hoe het proces tot vereniging verloopt. Een sleutel daartoe biedt ‘Sophia’ of ‘de vrouwelijke waarheid’, een principe dat staat voor vrouwelijke wegen naar ‘heelheid’, in onderscheid met mannelijke wegen. Het heelheidsideaal wordt aangegeven met ‘gnosis’, Grieks voor ‘kennis’.


Vragen

1a. Hoe verhoud jij je tot verschillende kennisvelden zoals bijvoorbeeld wetenschap, esoterie of een godsdienst of religie? Zijn er kennisvelden waar jij je meer of minder verwant mee voelt? Hoe duidelijk is deze verwantschap voor je en kun je die duiden?

1b. Herken je de dynamiek van mannelijk en vrouwelijk zoals die in dit essay is beschreven? Hoe sta je zelf tegenover het uitgangspunt dat de werkelijkheid waarin we leven principieel ‘heel’ is en dat ‘ware kennis’ deze heelheid weerspiegelt?

2a. Herken je in jouw onderwijssituatie leerlingen die wellicht gebaat zijn bij aandacht voor andere kennisvelden dan uitsluitend het ‘gangbaar wetenschappelijke’?

2b. Wat bied je deze leerlingen? Wat zou je deze leerlingen bieden in de ideale onderwijssituatie?

3a. De filosoof Arnold Cornelis opperde dat de motivatie tot studeren van veel van zijn studenten was om de wereld beter te begrijpen en een antwoord te kunnen geven op maatschappelijke problemen, eerder dan alleen het verkrijgen van een baan. Wat motiveert jou tot studeren?

3b. Als de observatie van Cornelis juist is, voorziet het (vervolg)onderwijs dan voldoende in de leerbehoeften van kinderen, jongeren en (jong)volwassenen? Zo ja, op welke manier? Zo nee, wat is er nodig?


Literatuur

  • Ceton, C. (Ed.) (2012). Vrouwelijke filosofen: Een historisch overzicht. Amsterdam: Atlas.
  • Cornelis, A. (1998). Logica van het gevoel: Filosofie van de Stabiliteitslagen in de Cultuur als Nesteling der Emoties. Amsterdam: Stichting Essence.
  • Eisler, R. (1997). De Kelk en het Zwaard: Onze geschiedenis, onze toekomst. Nijmegen: Entheon.
  • Jong, F. de (2012). De wijsheid van Sophia: Hoe mannen en vrouwen hun balans terugvinden. Delft: Elmar.
  • Jong, F. de (2013). Ik schenk je een vrucht van de boom van leven: De dynamiek van de vrouwelijke waarheid; Inwijdingskennis openbaar. Delft: Elmar.
  • Meer, A. van der (2006). Van Venus tot Madonna: Een verborgen geschiedenis. Den Haag: Synthese.
  • Meer, A. van der (2008). Van Sophia tot Maria: De wedergeboorte van de verborgen Moeder in de 21ste eeuw. Geesteren: A3 boeken.
  • Meer, A. van der (2009). Venus is geen Vamp: Het vrouwbeeld in 35.000 jaar venuskunst. Geesteren: A3 boeken.
  • Meer, A. van der (2013). The language of MA the primal mother: The evolution of the female image in 40,000 years of global Venus Art. Uitgegeven in eigen beheer.
  • Nagel, T. (2014) Geest en kosmos: Hoe houdbaar is de neodarwinistische visie? Amsterdam: AUP.
  • Slavenburg, J. & Glaudemans, W. G. (2000). Evangelie van Thomas. In Nag Hammadi-geschriften I. Deventer: Ankh-Hermes.

 

Afbeeldingen

Afbeelding 3: de figuur van de vrouwelijke waarheid (van eigen hand)

Wij bekijken iedere reactie. U hoort binnen drie dagen of we het bericht plaatsen.

annuleer