Over volwassenheid en Mollenhauers ‘Vergeten samenhang’

22 nov 2017 · door Wouter Pols >
Onderzoeker Kenniscentrum Talentontwikkeling, Hogeschool Rotterdam

Klaus Mollenhauer (1928-1998) geldt als een van de belangrijkste Duitse pedagogen uit de vorige eeuw. Zijn boek Vergeten Samenhang is een klassieker in de twintigste-eeuwse opvoedings- en vormingstheorie. De oorspronkelijke versie verscheen in 1982 en werd naar het Nederlands vertaald door Wouter Pols, onderzoeker en docent aan de Hogeschool Rotterdam. Het boek is onlangs opnieuw vertaald en zal gepresenteerd en besproken worden op 13 december in Driebergen. Als voorproefje schreef Wouter Pols over de betekenis van Mollenhauers gedachtegoed, in het bijzonder in relatie tot het NIVOZ jaarthema: volwassenheid.


Klaus Mollenhauers Vergeten samenhang is een bewerking van een collegecyclus. Mollenhauer gaf de colleges in het wintersemester van 1982-1983. In het verleden had hij zich niet alleen als sociaal-pedagoog, maar ook als kritisch pedagoog geprofileerd. Daarbij probeerde hij aansluiting te vinden bij de sociaal-wetenschappelijke wending die in die tijd binnen de pedagogiek plaatsvond. Mollenhauer studeerde bij Erich Weniger in Göttingen. Weniger was ook zijn promotor (‘Doktorvater’). Hij stond in de traditie van de geesteswetenschappelijke pedagogiek; de grondlegger was Wilhelm Dilthey.

De geesteswetenschap vat zich op als een ‘verstehende’ wetenschap; ze wil begrijpen; de hermeneutiek (de uitlegkunde) is haar methode. Daarmee onderscheidt ze zich van de natuurwetenschap die gericht is op (causale) verklaringen. Mollenhauer probeerde als kritisch pedagoog de geesteswetenschappelijke benadering te verbinden met de natuurwetenschappelijke benadering van de sociale wetenschappen.

De hernieuwde geesteswetenschappelijke wending

Met de colleges die Mollenhauer in het wintersemester van 1982-1983 gaf, leek hij van positie te zijn veranderd. De colleges richtten zich op iets wat – in  de woorden van Herwig Blankertz – ‘de wetenschap niet kan vatten’. Wat is dat niet door de wetenschap te vatten? Dat is de historisch gegroeide praktijk van opvoeding en onderwijs. In Mollenhauers geval: de Europese praktijk van opvoeding en onderwijs. De sociale wetenschappen kunnen ‘stukjes’ van die praktijk onderzoeken, maar ze zijn niet in staat de betekenis ervan te ontsluiten. Dat komt omdat de sociale wetenschappen zich op ‘verklaren’ richten: ze proberen leer- en ontwikkelingsprocessen te verklaren (en niet vanuit hun historisch-culturele context te begrijpen). En daarmee reduceren ze de complexe, historische opvoeding- en onderwijspraktijk tot te verklaren mechanismen.

Een dergelijke aanpak leidt niet alleen tot een radicale versimpeling van wat er in de praktijk gebeurt, maar ernstiger nog: de cultuur-historische betekenissen verdwijnen daarmee ook uit het zicht. Daar was het Mollenhauer nu juist om te doen. Met zijn collegecyclus leek hij weer terug te keren naar het geesteswetenschappelijke paradigma waarin hij was geschoold. Want in die colleges ging hij interpreterend te werk om zo de verborgen betekenissen van de historisch gegroeide opvoedings- en onderwijspraktijk ‘op’ te ‘graven’.

Pedagogiek, anti-pedagogiek en sociale wetenschappen

Wat was de reden van die hernieuwde geesteswetenschappelijke wending? In de jaren tachtig van de vorige eeuw leek de pedagogische traditie te verdwijnen. Die traditie heeft haar wortels in de achttiende eeuw. In die tijd lieten burgerlijke middengroepen – in Europa, maar ook in het nieuwe Amerika – van zich horen. Ze eisten politieke zeggenschap; maar ze pleitten ook voor een nieuwe manier van opvoeden. Opvoeding en onderwijs moeten zich (niet meer) door kerkelijke dogma’s laten leiden, maar door de rede. Ze dienen het (kritisch) denken van kinderen en jongeren te activeren. Cultuuraanbod (de onderwijsinhoud) is daarbij cruciaal, maar ook de dialoog tussen opvoeders en kinderen, tussen leraren en leerlingen. Een volwassen burger is iemand die in de omgang met anderen (in woord en daad) zich door de rede laat leiden, en niet door dwang en opgelegde dogma’s.

Die van zich laten horende middengroepen gingen ervan uit dat elk mensenkind de mogelijkheid in zich draagt zich tot een redelijk wezen te ontwikkelen. Elk kind kan leren, of anders gezegd (met de woorden van Johann Herbart): elk kind is vatbaar voor vorming. De opkomende (en zich emanciperende) middengroepen verwoorden een pedagogische opdracht: de opdracht om – via dialoog – de jongere generatie tot kritisch denkende volwassen te laten opgroeien.

Die notie van een op emancipatie gerichte pedagogische opdracht verdween in de jaren tachtig. Dat was in de negentiende en twintigste eeuw wel meer gebeurd. In de jaren tachtig uitte zich dat in de zogenaamde anti-pedagogiek. Anti-pedagogen wezen elke pedagogische opdracht af. Aardig zijn voor kinderen, was voldoende. In diezelfde tijd gingen de sociale wetenschappen meer en meer hun stempel op opvoeding en onderwijs drukken. Ze plaatsten ontwikkeling en leren op de agenda. Ze pretendeerden middelen aan te reiken om ontwikkelings- en leerprocessen niet alleen op gang te brengen, maar ook efficiënt en effectief te laten verlopen. Maar ze zeiden niets over het wat en waartoe van die processen. En daar was het pedagogen nu juist altijd om te doen geweest.

De pedagogische opdracht: emancipatie

Mollenhauer wilde met zijn colleges de pedagogische traditie weer onder de aandacht brengen. Waarom voeden we op? Wat is het doel ervan? En hoe benaderen we kinderen en jongeren als we de pedagogische opdracht waarvoor we staan in praktijk brengen?

Mollenhauer diept de antwoorden op uit de pedagogische traditie. Opvoeding en onderwijs impliceren: kinderen en jongeren inleiden in de cultuur. Opvoeders en leraren laten – als het goed is – aan hun pupillen zien wat ze uit de cultuur waarvoor ze staan waardevol achten. Ze presenteren in hun manier van doen niet alleen wat ze uit die cultuur voor hen van belang vinden, maar representeren daaruit ook de dingen die ze niet direct aan hen kunnen laten zien, maar wel indirect: via (culturele en sociale) media. Dat kunnen opvoeders en leraren alleen als ze ervan uit gaat dat hun pupillen kunnen leren (‘vatbaar zijn voor vorming’). Zouden ze daar niet van uitgaan dan zouden ze nooit aan opvoeding en onderwijs beginnen.

Maar nu de opdracht. Wat is de pedagogisch opdracht waar de opvoeder voor staat? In zijn kritische geschriften benadrukte Mollenhauer de emancipatie van kinderen en jongeren. Emancipatie komt van het Latijnse emancipatio dat ‘vrijlating uit de vaderlijke macht’ betekent. De (leidende) hand (Latijn: ‘manus’) wordt weggenomen.

De opdracht waar opvoeding en onderwijs voor staan is dat kinderen en jongeren in een met anderen gedeelde wereld (de samenleving) op eigen benen kunnen gaan staan; en dat betekent: weloverwogen en doordacht mee kunnen gaan doen.

Emancipatie staat voor Mollenhauer gelijk met het in staat zijn de rede als leidraad voor het samen leven te gebruiken. In Erziehung und Emancipation (1968) schrijft hij dat opvoeders altijd de rede van de subjecten waar zij verantwoordelijk voor zijn, moeten stimuleren (p. 70).

Volwassenheid betekent dus nadenken; nadenken over wat je wilt (wenst), maar ook over hoe je met anderen om wilt gaan, nadenken over wat je gedaan hebt, en wat je wilt gaan doen. Dat houdt in dat volwassenheid niet alleen aanspreekbaarheid impliceert (je laten aanspreken om na te denken), maar ook het dragen van verantwoordelijkheid (wat nadenken veronderstelt).

Zelfstandigheid: het aangesproken en antwoordend subject

Die gedachte komt terug in Mollenhauers collegecyclus wanneer hij spreekt over zelfstandigheid. Zelfstandigheid heeft hier de betekenis van ‘zelf initiatieven ontplooiend’, ‘uit eigen kracht en initiatief handelend’. Een zelfstandig handelend iemand is een subject, een subject onder andere subjecten, een medesubject dus. Een subject kan alleen ten overstaan van anderen verschijnen; het verschijnt aan de ander in taal, gezichtsuitdrukkingen en lichaamsbewegingen. Op grond daarvan stelt Mollenhauer, net als Lacan, dat het subject niet te vatten is. In het verschijnen verdwijnt het. We kennen het subject slechts als een intersubjectief gebeuren (Mollenhauer, 2017, p. 92). Het verschijnt als het wordt aangesproken en als aangesprokene antwoordt.

Zelfstandigheid veronderstelt zo’n aangesproken en antwoordend subject. Dat is de reden dat zelfstandigheid voor Mollenhauer geen doel is dat later, in de toekomst, bereikt zal moeten worden. Het kind en de jongere zullen van het begin af aan op hun zelfstandigheid – als subject – moeten worden aangesproken. Zelfstandigheid is een regulatief idee.

Verschijnen als een aangesproken en antwoordend subject heeft niets met identiteit te maken. Daarover gaat Mollenhauers laatste college. Hij laat daar zien dat identiteit een fictie is. Identiteit is mogelijkheid, geen werkelijkheid. Vandaag de dag zijn allerlei psychologische en culturele identiteiten in de school centraal komen te staan die niet als mogelijkheden, maar als werkelijkheid worden opgevat. Ze leggen wie het kind ‘is’ vast.

Het gaat in opvoeding en onderwijs niet om wie het kind ‘is’, niet om identiteit, maar om subjectiviteit, om de wijze waarop kinderen en jongeren vanuit de relatie met hun leraren en medeleerlingen als meedoende, meedenkende en betekenis verlenende subjecten kunnen verschijnen. En dat betekent ook: als aanspreekbare en verantwoordelijkheid dragende subjecten hun mogelijkheden kunnen exploreren.

Presentatie, representatie, vormbaarheid en zelfstandigheid

In zijn inleiding schrijft Mollenhauer dat hij met zijn boek ‘een grove schets’ probeert te geven van ‘een algemene pedagogiek van deze tijd’. En dat geeft hij: vanuit vier concepten schetst hij de contouren van zo’n algemene pedagogiek. Elke opvoeder en leraar, zo stelt die pedagogiek, zou zich moeten afvragen hoe hij zich aan zijn pupillen wil presenteren, wat hij vervolgens daarbij aan hen uit de cultuur wil representeren, hoe hij hen daarbij als vatbaar-voor-vorming wil benaderen en last but not least hoe hij hen daarbij op hun zelfstandigheid wil aanspreken.

Opvoeding en onderwijs bestaan uit presenteren en representeren, maar bovenal uit het appèl dat opvoeders en leraren op hun pupillen doen om als subject te verschijnen en omgekeerd pupillen op hun opvoeders en leraren om dat op hun beurt ook te doen.

 

Wouter Pols is is onderzoeker/docent, onder meer aan de Hogeschool Rotterdam. Hij promoveerde in januari 2016 op zijn proefschrift: In de wereld komen: Een studie naar de pedagogische betekenissen van opvoeding, onderwijs en het leraarschap.

 

Masterclass over werk Klaus Mollenhauer

Op 13 december 2017 spreken naast Wouter Pols ook Bas Levering, Simon Verwer en Joop Berding over de betekenis van Mollenhauers werk, juist ook voor deze tijd. De avond vindt plaats in Driebergen, bij het NIVOZ. Lees meer achter deze link, ook voor toegang en tickets.


Referentie

Mollenhauer, K. (1968). Erziehung und Emancipation. Polemische Skizzen. München: Juventa Verlag.  

Wij bekijken iedere reactie. U hoort binnen drie dagen of we het bericht plaatsen.

annuleer