Max van Manen’s nieuwe impuls aan de fenomenologie

09 jun 2014 · door Vincent Duindam >
auteur & docent Psychologie bij de Universiteit Utrecht

Max van Manen (1942) vertrok als jongeman naar Canada met het werk van M.J. Langeveld (e.a.) in zijn koffer. Daar heeft de fenomenologie hem als docent en onderwijskundige nooit losgelaten, zo blijkt (ook) uit zijn meest recente boek. ‘In Weten wat te doen wanneer je niet weet wat te doen eert Van Manen niet alleen een belangwekkende onderzoekstraditie, hij slaagt erin het gedachtengoed nieuw leven in te blazen, zeg maar te revitaliseren,’ schrijft Vincent Duindam, onder meer als docent verbonden aan de UU.

‘Het is een boek dat we hard nodig hebben in Nederland, waar het accent steeds meer is komen te liggen op meten, testen, evidence based, etc.’ Duindam (1958) schrijft zijn boekrecensie in het Martinus Langeveld Gebouw. De Faculteit Sociale Wetenschappen (FSW) in Utrecht – daar waar hij docent is – bestaat precies vijftig jaar. En Duindam heeft een Scheurkalender samengesteld over de voorbije periode.

Hans Malschaert (senior lecturer aan de HvA) levert daaraan een bijdrage. Ik citeer:

De stroming waar ik altijd het meest van heb gehouden was de fenomenologische pedagogiek. De grondlegger van deze pedagogiek van de zogenaamde Utrechtse school was M.J. Langeveld en ik wil ingaan op twee bijzondere kenmerken van deze pedagogiek. De leefwereld of belevingswereld van het kind staat centraal en Utrechtse pedagogen hebben hier vele juweeltjes over geschreven. Verder moet opvoeding waarden-volle opvoeding zijn waarbij volwassenen verantwoordelijkheid nemen en geven aan kinderen. Goede theorie is praktijk!

Veel van de vakken die Hans Malschaert – en anderen indertijd (jaren 80) – volgde, bestaan niet meer. Jan Marten Praamsma, op dit moment werkzaam bij Onderwijskunde, vindt ook dat daarmee veel verloren is gegaan:

De Faculteit Sociale Wetenschappen eert haar grondleggers in de namen van de gebouwen waarin ze is gehuisvest: het Martinus J. Langeveldgebouw en het Sjoerd Groenmangebouw. Maar behalve in de namen op de gevels is op de Faculteit van hun werk eigenlijk maar weinig meer terug te vinden.
Het werk van sociale wetenschappers vandaag wordt empirisch steeds dikker, maar theoretisch steeds dunner, terwijl het wetenschappelijk geheugen steeds korter wordt. Referenties gaan nooit verder dan vijf hooguit tien jaar terug, terwijl veel onderzoekers zich opsluiten in hun specialisaties. Het historisch besef, de brede blik en de integrerende visie zijn schaars geworden. Het paradoxale daarbij is dat waar het historisch bewustzijn afneemt, de pretenties van objectiviteit en algemene geldigheid toenemen.

Nog één laatste voorbeeld, van Paul Goudena, hoogleraar Pedagogiek:

Wat je de FSW zou toewensen, is dat de herinnering aan spelen bij de medewerkers niet verloren is gegaan. Dat de ernst die hoort bij diepgang, creativiteit niet in de weg staat. En dat, net als in het spel van kinderen, bij de FSW kwaliteit altijd boven kwantiteit gaat.

In al deze bijdragen aan de 50 jaar FSW kalender proef je de heimwee naar de benadering die Max van Manen ons nu weer teruggeeft. Als een schatbewaarder – maar dan een die zijn talenten niet in de grond gestopt heeft, maar ermee gewerkt heeft – krijgen we de fenomenologische traditie opnieuw – verrijkt en verdiept – gepresenteerd.

Wij moeten onze kinderen verstaan’, schrijft Luc Stevens in het voorwoord. En dan gaat het er niet alleen om dat je bepaalde competenties ontwikkeld. Je hele persoon is in het geding. Het gaat om ‘wie je bent’. Van Manen brengt je in dit boek bij de centrale vragen over de pedagogische omgang met je leerlingen.

Pedagogiek is een discipline die geworteld is in de praktische en reflectieve ethiek van aandacht, zorg en toewijding. De pedagogiek begint vanuit het besef dat kinderen niet levenskrachtig kunnen opgroeien als er niet voor hen gezorgd wordt door volwassenen. (p. 31)

In dit boek vinden we hiervan vele uitgewerkte voorbeelden, die zowel voor docenten als voor ouders goed herkenbaar en invoelbaar zijn. Tekenend voor zijn aanpak is dan ook deze stelling: “Het doel van een pedagogische handeling is geen product of resultaat, maar de handeling zelf” (p. 31).

Dit nodigt uit tot aandacht, tot echte aanwezigheid en toewijding. Het instrumentele denken wordt zo vermeden. Elders noemt van Manen de bezorgdheid van ouders “de spirituele lijn die een moeder en een vader hecht aan het leven van hun kind” (p. 42).

Aan een Bijbelpassage die mij altijd pijnlijk trof, het voorgenomen offeren van Isaak door Abraham, geeft van Manen, met Derrida, een opmerkelijke en spannende interpretatie: “Wij moeten ervoor oppassen dat we de eigenheid van onze kinderen niet om zeep helpen!” Ook hier dus weer een waarschuwing voor een instrumentele benadering.

Niet alleen de Bijbel komt in van Manen’s boek aan de orde, ook allerlei andere literaire en filosofische werken. Heel treffend vind ik een opmerking die de vertaler, Geert Bors, in zijn bijlage maakt: “In de handen van Van Manen verandert een eenvoudig kinderboek als Ciske de rat in een pedagogische thriller.” Daarnaast gaat de auteur ook in op films en zelfs op de digitale wereld waarin kinderen zich tegenwoordig moeten zien te redden.

Een van de mooie dingen aan het boek is dat Van Manen met veel diepgang ‘gewone en alledaagse’ situaties bespreekt en inzichtelijk maakt. Een voorbeeld is “het geheime plekje” dat voor kinderen vaak zo belangrijk is. Dat geeft zijn benadering veel overtuigingskracht. Telkens wordt duidelijk dat ‘thuis’ en ‘de klas’ niet zo anders van elkaar zijn. “Voor leraren die pedagogisch invoelend zijn, is het leven in de klas niet heel verschillend van het leven thuis” (blz. 85).

Een voorbeeld is tact:

Tact herbergt de kenmerken van reflectieve mindfulness, opmerkzaamheid en bedachtzaamheid. In een tactvolle handeling is een volwassene concreet en bedachtzaam gericht op de jonge mens. Vaak behelst tact juist een terughoudendheid, een niet-handelen, een ‘laten gaan’ van iets, terwijl de persoon naar wie de tactvolle handeling gericht is er toch de inwerking van ervaart. ( blz. 96)

Dit is voor mij dan ook het belangrijkste thema: het kind emancipeert zichzelf via de ouders of de leraar. Aldus Van Manen:

De vorming van het zelf is dus niet alleen een zelf-vormend proces, het vindt ook plaats door bemiddeling van anderen die zichzelf laten zien en openstellen. De leraar geeft, als pedagoog, de leerlingen toegang tot de wereld. En, wat nog belangrijker is: diezelfde leraar geeft toegang tot de dialoog die hij of zij zelf heeft met die wereld en met alles wat anders is dan het zelf. Kortom, pedagogisch bekwame leraren geven zichzelf en geven iets van zichzelf. (blz. 141)

De beste leraren doceren hun vak niet alleen: “ze ‘zijn’ het” (p. 171).

Weten wat te doen wanneer je niet weet wat te doen. Pedagogische sensitiviteit in de omgang met kinderen. Max van Manen. Vertaling Geert Bors, NIVOZ, 2014, ISBN 978-90-819493-4-7 Prijs: 20 euro.

Dr. Vincent Duindam schreef meer dan tien boeken en is o.a. auteur van Thuiskomen In De Klas, Spiritualiteit In Het Onderwijs, Ten Have, 2011.

Zie op deze site

Wij bekijken iedere reactie. U hoort binnen drie dagen of we het bericht plaatsen.

annuleer