Waar staan wij nu? Volwassenheid vanuit maatschappelijk perspectief

06 dec 2017 · door Maartje Janssens >
Wetenschappelijk medewerker NIVOZ Forum

Een duiding van het maatschappelijk perspectief op volwassenheid

‘Waar staan wij nu’, zo opent het refrein van het lied van Stef Bos met gelijknamige titel. In de periode dat we ons bij het NIVOZ bogen over het maatschappelijk perspectief op volwassenheid kwam dit lied mij ter ore, dat voor mij verschillende paadjes die we bewandeld hadden bij elkaar bracht. Er was al veel over het maatschappelijk perspectief gezegd door deze en genen: via het gesproken woord door Hans Boutellier op de onderwijsavond en het bloggerscollectief daaraan voorafgaand. Via het geschreven woord van onder meer Harry Kunneman, Henk Oosterling en Klaus Mollenhauer (zie het artikel van Wouter Pols over volwassenheid en Mollenhauers ‘Vergeten samenhang’ in dit e-book). Dit alles leidde bij mij tot de vraag: wat heeft de verkenning en verdieping van het maatschappelijk perspectief bijgedragen aan ons begrip van volwassenheid? En, in meer fundamentele zin, met de woorden van Stef Bos mee resonerend: waar staan wij nu?


Maar waar …..Waar staan wij nu
En waar……….Waar gaan wij heen
Samen op weg
Zijn we samen vergeten
Om samen te leven
Samen te gaan
Waar gaan we heen
Samen op weg
Samen alleen

(Stef Bos, 2008)

De vraag ‘Waar staan wij nu’ is voor dit artikel dus zowel een reflectieve vraag, als een fundamentele vraag. Het is een reflectieve vraag, omdat ik terugblik op de afgelopen periode waarin we het maatschappelijk perspectief op volwassenheid hebben verkent en verdiept, en me afvraag wat dit heeft bijgedragen aan ons begrip van volwassenheid. Het is een fundamentele vraag, omdat het een vraag is die over de gronden van iets gaat, in dit geval over de gronden van ons ‘samen leven’. En daarmee ‘van het grootste belang’.[1] Dit belang, de urgentie van deze vraag, formuleerden we in onze beschrijving van het NIVOZ jaarthema volwassenheid, en het maatschappelijk perspectief daarop.

“Actuele en dringende maatschappelijke kwesties – in Nederland en daarbuiten – benadrukken de noodzaak van vorming in het maken van het onderscheid tussen ‘gewenst’ en ‘wenselijk’. Er is sprake van een matig functionerend politiek systeem; van uitputting van hulp- en energiebronnen en onmacht om dat te voorkomen; van uitwassen van consumentisme, en we zien een groeiende ongelijkheid en toenemende polarisatie tussen mensen. (…)

In dit deelthema gaat het om de veronderstelling, dat volwassenheid betekent dat we onze maatschappelijke en culturele context kennen. Dat we weten waar we vandaan komen en waar we naartoe willen. Belangrijke waardenoriëntaties, zoals kerken, vakbonden of politieke partijen, zijn verdwenen of sterk in verandering. Er is sprake van individualisering, mede mogelijk gemaakt door een sterk toegenomen welvaart. Er zijn geen verplichtende verbanden meer en bovendien is onze samenleving cultureel sterk divers geworden. Is er nog een gezamenlijke grond? Volwassenheid gaat hier over de mate waarin we in staat zijn gezamenlijke oriëntaties te ontwikkelen en opnieuw verbinding te creëren.”

Een eerste antwoord op de fundamentele vraag ‘waar staan we nu?’, luidt op basis van deze formuleringen, dat we voor grote maatschappelijke en mondiale uitdagingen staan, en dat we geen duidelijke gezamenlijke oriëntatie hebben, om deze het hoofd te bieden. Een eerste antwoord op de reflectieve vraag ‘waar staan we nu’ in ons begrip van volwassenheid, is dat we hier allereerst aanknopen bij de definitie van Gert Biesta. Hij verbindt volwassenheid aan het verschil tussen wat (vanuit individueel perspectief) ‘gewenst’ is en wat (in het algemeen) ‘wenselijk’ zou zijn. Ten tweede gaat volwassenheid voor ons over onze verhouding tot de maatschappelijke en culturele context, en het vinden van een zekere richting en gezamenlijke grond daarin. Hoe kunnen de verschillende bronnen die we de afgelopen periode hebben geraadpleegd, bijdragen aan een verdere duiding van volwassenheid? Aan het eind van dit stuk probeer ik de balans op te maken voor de vraag: waar staan wij nu?

Hans Boutellier: zwaartepunten, gesprek over waarden

Volgens socioloog Hans Boutellier staan we in een nieuwe maatschappelijke context. Er is sprake van internationalisering, informatisering en individualisering. De sociale structuren – zo ook die van de school – zijn ingewikkeld geworden, en er zijn geen vanzelfsprekende gemeenschappelijke verhalen meer. Volwassenheid gaat voor hem over de vraag hoe wij ons als mens op een goede manier kunnen verhouden tot de complexer wordende werkelijkheid. Hoe geef je richting, in een tijd waarin iedereen denkt zelf God te zijn en zijn eigen keuzes maakt en kan maken? Volgens Boutellier biedt het seculiere experiment, dat hij uitwerkt in zijn gelijknamige boek, niet voldoende richting: er is ook behoefte aan zingeving en gezamenlijkheid. Dat kunnen we vinden in een gesprek over waarden. Want hoewel er geen gezamenlijke grond meer is, is onze samenleving niet waarde(n)loos. Verhalen, momenten, en zwaartepunten waar die gezamenlijkheid kan worden ervaren zijn hier van belang. De school, maar ook het NIVOZ, zijn voorbeelden van zwaartepunten waar we, in het gesprek over waarden, de samenleving vorm kunnen geven, aldus Boutellier.

Harry Kunneman: diepe autonomie, maatschappelijk verantwoord organiseren, culturele humuslaag en horizontale transcendentie

Waar staan we nu? Filosoof en socioloog Harry Kunneman wijst in zijn boek Voorbij het dikke-ik op de verontrustende uitvergrotingen van het autonome individu, zoals alleen voor je eigen belangen gaan, minachting voor andersdenkenden, en onverzadigbaarheid. De titel van zijn boek verwijst naar de vraag hoe voorbij het dikke-ik te komen: in naam van welke waarden kunnen de autonomie en onverzadigbaarheid van het dikke-ik in het dagelijks leven begrenst worden zonder diens eigenheid geweld aan te doen? We herkennen hierin de elementen uit onze voorlopige begrip van volwassenheid: het onderscheid tussen ‘gewenst’ (dikke-ik) en ‘wenselijk’ (begrenzing van het dikke-ik). En, het vinden van een gezamenlijke grond (in naam van welke waarden?). Kunneman biedt een aantal noties die behulpzaam zijn in een verdere duiding van volwassenheid.

Allereerst maakt hij een onderscheid tussen dikke en diepe autonomie, waarbij je zou kunnen zeggen dat volwassenheid over dat laatste gaat. Het leven als dikke-ik loopt tegen grenzen aan, zowel morele (economische en maatschappelijke ongelijkheid, ecologische problemen) als existentiële (confrontatie met de onmaakbaarheid van het leven, en afgedwongen vormen van erkenning op grond van prestaties). Deze grenzen staan volgens Kunneman “andere, dieper aangrijpende vormen van erkenning en verbinding tussen mensen” in de weg. Hij heeft het dan over ‘diepe autonomie’;

“een ervaring die gekoppeld is aan het vertrouwen dat die kwetsbaarheid en die trage vragen samen met anderen uit te houden zijn en soms toegang bieden tot diepe ervaringen van zin en van verbondenheid met het leven” (Kunneman, 2005).

Volwassenheid heeft zo te maken met het omarmen van complexiteit – dat hij later uitwerkt in zijn boek Amor complexitatis – en het vinden van zin en verbondenheid daarin.

Vervolgens introduceert hij de term maatschappelijk verantwoord organiseren, dat verder reikt dan maatschappelijk verantwoord ondernemen. Het gaat hier over “waarden die een wijdere maatschappelijke betekenis hebben: alle vormen van professionele zorg, begeleiding en educatie die in het teken staan van de diepe autonomie van de betrokkenen en gedeelde betekenisgeving aan de activiteit waar het om gaat.” Volwassenheid is een houding van moreel betrokken zorg, begeleiding en educatie (Kunneman, 2005). Kunneman laat zien wat diepe autonomie en maatschappelijk verantwoord organiseren in het onderwijs betekenen:

“Niet alleen omdat de oprechte betrokkenheid van de professionals in kwestie op het welvaren en de uniciteit van cliënten of leerlingen in hoge mate bepalend is voor de kwaliteit van hun werk, maar ook omdat dat werk een wijdere maatschappelijke betekenis heeft, bijvoorbeeld (…) doordat leerlingen simplificerende en gesloten beelden van zichzelf en hun omgeving leren loslaten en kunnen vervangen door complexere beelden en meer democratische oriëntaties” (Kunneman, 2005).

Niet alleen kunnen we aan de hand van Kunneman het onderscheid tussen ‘gewenst’ en ‘wenselijk’ verder duiden. Dat geldt ook voor onze verhouding tot de maatschappelijke en culturele context, en het vinden van een zekere richting en gezamenlijke grond daarin – elementen die we eveneens tot onze voorlopige definitie van volwassenheid maakten. Kunneman spreekt over een culturele humuslaag en horizontale transcendentie. Met culturele humuslaag doelt hij op “de narratieve weefsels die individuen kiezen noch creëren, maar waar ze deel vanuit maken.” (Kunneman, 2005). We hoeven volgens Kunneman modernisering niet gelijk te stellen aan secularisering en ontwaarding van religieuze tradities en inspiratiebronnen. We maken deel uit van bepaalde tradities, en kunnen kijken naar de waarde daarvan voor vormen van morele betrokkenheid – zonder de moderne idealen van gelijkheid en democratie over boord te gooien. Die verbinding tussen premoderne en moderne wereldbeelden duidt Kunneman als een beweging van horizontale transcendentie. Hij werkt dit begrip ook uit in zijn idee van normatieve professionalisering, dat gaat over de existentiële en morele dimensies van werk.

Henk Oosterling: intercultureel doendenken, interesse en feedback loops

Waar staan we nu? Filosoof Henk Oosterling zoomt vooral in op de veelheid van culturen in de samenleving. Hij constateert dat het begrip ‘multiculturaliteit’ problematisch is voor een vruchtbaar samenleven, omdat het eerder polariserend dan verbindend werkt. Hij brengt dit polariserende in verband met de ‘drie vergiften’ van het boeddhisme (onwetendheid, wellust en woede), en het negentiende-eeuwse identiteitsdenken. “Het vele wortelt in een weinig samenhangend raapsel van half of volledig leeggelopen identiteiten. (…) In een multiculturele samenleving voeden dit soort culturen zich niet aan elkaar, maar parasiteren ze op het levenloze lichaam van een verleden waar, in elk geval in een nostalgische terugblik, sprake zou zijn geweest van een substantiële eenheid en identiteit.” (Oosterling, 2016). Welke aanknopingspunten biedt Oosterling in onze verdere duiding van volwassenheid?

Allereerst stelt hij dat interculturaliteit een vruchtbaarder concept voor het samenleven is, dan multiculturaliteit, omdat een samenleving meer gebaat is bij de wisselwerking tussen culturen dan bij de versterking van afzonderlijke identiteiten.

“Niet het ‘ik’ en evenmin de Ander zijn de primaire bouwstenen, maar de relaties tussen mensen onderling” (Oosterling, 2016).

Een tweede stap die hij zet is die van doemdenken naar doendenken. Een vorm – of zwaartepunt, in de woorden van Boutellier – waarin hij dat intercultureel doendenken concreet heeft gemaakt, is het innovatieve onderwijsproject Rotterdam Vakmanstad/Skillcity (RVS), met als kernconcepten: vakmanschap, interculturaliteit, duurzaamheid en integraliteit. Het ‘waartoe’ van deze doorlopende leerlijnen is “een agency die wordt gekarakteriseerd als een ondernemende geest, een betrokken denker en een ethische burger” (Oosterling, 2016).

Een volgend aanknopingspunt dat Oosterling ons biedt is zijn interpretatie van het begrip ‘interesse’, dat hij “de nulgraad van empathie en daarmee de opmaat tot compassie” noemt. Het is een kernbegrip voor RVS omdat interesse de voorwaarde voor zelfvertrouwen van de leerlingen is, en een altruïstische levenshouding.

“Geïnteresseerde leerlingen zijn bereid hun oordeel op te schorten. Ze worden energetisch voorgesorteerd voor nieuwe ervaringen. Ze openen hun lichaamsgeest en worden niet langer door angst gedreven in hun keuzes. Ze schorten hun kritiek op en worden deel van een transformatieproces, van een ‘worden’. (…) Als participatie ergens begint, dan is het bij interesse” (Oosterling, 2016)

Het is hier dat ik een lijntje zie met het gesprek dat we in het bloggerscollectief hadden, voorafgaand aan de onderwijsavond met Boutellier. Een van de deelnemers aan het gesprek zei dat het enthousiasmeren en in hun kracht zetten van leerlingen de voedingsbodem is om hen dichter bij elkaar en de maatschappij te brengen.

Ten slotte benadrukt Oosterling – net als Boutellier en Kunneman – de inbedding in netwerken, waarin individuen volgens hem knooppunten zijn. Waar voor Kunneman de notie van horizontale transcendentie ons richting geeft, schrijft Oosterling echter dat “het handelen van individuen richting en betekenis krijgt niet door verticale of horizontale zichtlijnen, maar door circulaire feedback loops die van alle kanten kunnen komen. ‘Cogito ergo sum’ wordt ‘lego ergo sum’: ik verzamel, dus ik ben.” (Oosterling, 2016). Wat deze ‘feedback loops’ inhouden legt Oosterling in een interview met Nieuw Wij als volgt uit:

“individuen moeten begrijpen dat ze zelf verantwoordelijk kunnen zijn voor wat ze doen en dat hun gedrag effect heeft op anderen. (…) Dat ze in allerlei netwerken of velden verschillende posities innemen. De grote truc van het leven, en dat heet levensstijl, is om deze bij elkaar te brengen. Zodat jij een samenhangend idee van jezelf krijgt en je dit aan anderen kunt presenteren, waardoor mensen weer in wederkerigheid verantwoordelijk voor elkaar willen zijn. Dat je aangesloten bent op wat je doet. Dat heet samenleven.”

Conclusie: waar staan wij nu?

We begonnen met de veronderstelling dat we voor grote maatschappelijke en mondiale uitdagingen staan, en dat we geen duidelijke gezamenlijke oriëntatie hebben, om deze het hoofd te bieden. Volwassenheid ging – in lijn met Biesta – over de vraag of dat wat jij wenst, ook wenselijk is, en over onze verhouding tot de maatschappelijke en culturele context: kunnen we een zekere richting vinden? Wat hebben de besproken denkers ons in onze zoektocht naar volwassenheid vanuit maatschappelijk perspectief gebracht?

Boutellier liet ons zien dat volwassenheid gaat over hoe wij ons als mens op een goede manier kunnen verhouden tot de complexer wordende werkelijkheid. Het creëren van zwaartepunten waar we, in een gesprek over waarden, de samenleving vorm kunnen geven, geeft ons richting. Kunneman leerde ons dat volwassenheid te maken met diepe autonomie en moreel betrokken zorg. Als het gaat om een volwassen verhouding tot de maatschappelijke en culturele context, dan bieden zijn noties van culturele humuslaag en horizontale transcendentie ons richting. Oosterling tot slot bracht ons het inzicht dat volwassenheid primair gaat over de relaties tussen mensen, en vraagt om doendenken. Een volwassen persoon leeft vanuit interesse en is zich bewust van zijn of haar inbedding in netwerken en daarmee gepaard gaande verantwoordelijkheid. Een zekere richting vinden we in de samenhang tussen knooppunten.

Kortom: we staan inderdaad voor grote maatschappelijke en mondiale uitdagingen, en hebben geen duidelijke gezamenlijke oriëntatie om deze het hoofd te bieden. Maar dat betekent niet dat we met lege handen staan: we kunnen volwassen in de wereld (be)staan.


Literatuur

Kunneman, H. (2005), Voorbij het dikke-ik. Bouwstenen voor een kritisch humanisme, Deel 1, Uitgeverij SWP

Oosterling, H. (2016), Waar geen wil is, is een weg. Doendenken tussen Europa en Japan, Boom uitgevers

Interview Henk Oosterling: “Waar geen wil is, is een weg”, Nieuw Wij, https://www.nieuwwij.nl/interview/henk-oosterling-geen-wil-is-is-weg/

[1] http://www.encyclo.nl/begrip/fundamenteel

Wij bekijken iedere reactie. U hoort binnen drie dagen of we het bericht plaatsen.

annuleer