Schoolreportage in Groningen: ‘Zittenblijven is niet aan de orde op de Leon van Gelder’

Rikie van Blijswijk reisde naar Groningen, naar de Leon van Gelder om met eigen ogen te zien hoe leerlingen en docenten samen leren, kiezen en omgaan met elkaar. ‘Leerlingen met verschillende niveaus en achtergronden zitten bij elkaar in een klas. Die groep blijft de totale schoolperiode intact’. Een schoolportret van een bijzondere VO-school in het noorden van het land. ‘Zittenblijven is op de Leon van Gelder niet aan de orde’.

De Leon van Gelder in Groningen, opgericht in 1980 is een vernieuwende VO-school waar leerlingen op uiteenlopende niveaus hun vakken kunnen afsluiten en met een diploma op zak kunnen doorstromen naar alle opleidingen in het MBO of de bovenbouw van de havo en het atheneum. De school biedt een brede veelzijdige opleiding, waarin gericht aandacht wordt geschonken aan het (leren) leren, het (leren) kiezen en het (leren) omgaan met elkaar. De school telt nu 500 leerlingen en 50 docenten; het gebouw staat een groei toe tot maximaal 600 leerlingen. Samen met het Kamerlingh Onnes en het Van Hasselt vormt de Leon van Gelder de overkoepelende scholengemeenschap: het Reitdiep College.

Elke groep in de school is heterogeen samengesteld (alle niveaus en achtergronden door elkaar) en blijft de totale schooltijd bij elkaar. In leerjaren 3 en 4 volgen leerlingen voor sommige vakken onderwijs in aparte stromen, gericht op de doorstroming van leerlingen. Vier jaar gaan dezelfde docenten en mentoren op reis met dezelfde groep leerlingen. Op individueel niveau wordt veel aandacht besteed aan de persoonlijke ontwikkeling en het leer- en keuzeproces van de leerling.
LvG_1

Op een besneeuwde dinsdagochtend in december ontmoet ik Hiltje Rookmaker, vestigingsdirecteur van de Leon van Gelder. ‘De missie van deze school is samen werken, samen leren’ begint ze het gesprek over de dagelijkse gang van zaken.

‘Elke les wordt begonnen met een kringgesprek, waarin de cognitieve en sociaal-emotionele doelen van die les worden besproken. Daarna gaan de leerlingen in heterogene tafelgroepen werken aan die doelen. De mentoren bepalen, op basis van observaties, aan welke tafelgroep de kinderen zitten én met wie ze samenwerken. Op deze manier wordt de leerlingen de grootste kans geboden voor het leren met en van elkaar. Bewust wordt ervoor gekozen kinderen ook te laten samenwerken met klasgenoten, waarmee ze niet spontaan een relatie zouden opbouwen. De keuze om de docenten de tafelgroepen te laten samenstellen, biedt rust en ruimte voor zowel de leerlingen als de docenten’.

Zowel het cognitief als het sociaal-emotioneel leren betekent in de Leon van Gelder uitdagingen bieden. ‘Wanneer een tafelgroep goed met elkaar samenwerkt, worden nieuwe groepen gemaakt’, zegt Hiltje. ‘Dat klinkt misschien wat merkwaardig, maar daarmee borgen we de uitdaging in het leren, zowel op cognitief niveau als op het sociaal-emotionele vlak. We houden uiteraard in de gaten dat elke leerling zijn gevoel van veiligheid daarin behoudt. Docenten en leerlingen hebben al vanaf 1980 positieve ervaringen met deze werkwijze’, aldus de vestigingsdirecteur.

Een groep telt maximaal 25 leerlingen en blijft vier jaar lang bij elkaar. Differentiatie vindt plaats in BBL, KBL, GL, TL, Havo en Vwo. Leerlingen stromen binnen op het profiel dat de basisschool hen meegeeft. Ze volgen de vakken op dat niveau en zitten in die eerste vier jaren bij elkaar. Binnen de groep zijn op- en afstromers. Voor een bepaald vak kan het kind bijvoorbeeld een niveau hoger (opstromer), maar sociaal-emotioneel gaat het nog niet zo goed (afstromer). Dat wordt bepaald aan de hand van docenten observaties over de ontwikkeling van de leerlingen én de toets resultaten.
LvG_2

Hoe daarmee om te gaan en leerlingen hulp te bieden, vergt veelvuldig overleg tussen de mentor en de vakdocenten. De begeleiders staan zo dicht mogelijk bij de leerlingen en blijven ook vier jaar lang bij de groep betrokken. ‘Daardoor weten ze veel van hun leerlingen en kennen leerlingen en docenten elkaar door en door. In deze school is zittenblijven daarom niet aan de orde. Binnen vakken wordt gewerkt met thema’s, waardoor iedereen altijd met hetzelfde bezig is. Alle leerlingen zijn daarin met vergelijkbaar werk bezig, maar op een hoger of lager niveau en stromen uit op de landelijke einddoelen. Binnen projecten wordt vakoverstijgend gewerkt met thema’s zoals: Lang leve de liefde, Stamppot en couscous, en Mediation.’

Elke les begint met een kringgesprek en ik ben te gast bij de kring van de Duitse les in groep 2D. De voorbereide Duitse dialogen in twee- of drietallen worden aan elkaar gepresenteerd. Leerlingen met verschillende adviezen presenteren samen hun toneelstukje in het Duits. Opvallend is dat er nauwelijks verschil te merken is bij de meeste duo’s en dat de meeste leerlingen zich goed hebben voorbereid en geboeid naar elkaar luisteren. Annemarie, de docente Duits, waardeert ze positief. ‘Super, je doet het helemaal uit het hoofd’, maar ook daagt ze leerlingen uit: ‘Jammer dat jullie dit vorige keer niet in de kring hebben besproken. Daarom heb je geen hulp gekregen. Ik weet zeker dat jullie het veel beter kunnen’.

Over een week krijgen de leerlingen hun rapport mee: een belangrijke gebeurtenis. Annemarie geeft in het rapport haar mening over het functioneren en de sociaal-emotionele ontwikkeling van elke leerling en biedt tips om het niveau te handhaven of te verbeteren. In de tafelgroepen worden de leerlingen uitgenodigd daarop te reflecteren en hun eigen visie te geven. Iedere leerling krijgt maximaal tien minuten om te bedenken welk onderdeel ze goed of minder goed beheersen en wat daarvoor een mogelijke verklaring is, welke onderdelen ze willen verbeteren en waaraan ze dan willen werken?

Angel heeft een BBL advies en presteert op KL+. Daarnaar gevraagd zegt ze over deze opdracht: ‘Je leert naar jezelf te kijken en op je eigen gedrag te letten’. Ze schrijft: ‘Het spreken van de Duitse taal lukt, maar ik moet wel beter op trema’s letten. Het luisteren vind ik lastig als er snel gepraat wordt. Bij het schrijven moet ik meer op de hoofdletters letten’.

Erik heeft een Havo-Vwo advies, presteert op GL en KL+ en zegt: ‘Je leert jezelf te bekritiseren. Je kunt wel gemakkelijk anderen kritiek geven, maar nu komt het erop aan vooral kritisch naar jezelf te kijken’. Hij vindt zijn tafelgroep gezellig: ‘Je leert ook omgaan met kinderen die je in eerste instantie minder liggen’.

De gedeelde waarden in de Leon van Gelder omvatten dat leerlingen kansen worden geboden en op hun positieve kanten worden aangesproken. ‘Een BBL leerling tekent geweldig en geeft andere leerlingen daarover advies. Dat maakt het voor haar ook gemakkelijker zelf hulp te vragen aan haar klasgenoten’, geeft Hiltje als voorbeeld. De docent is op de Leon van Gelder de begeleider, de leerling ‘de werker’:

‘Iedereen wordt gewaardeerd op wie hij is en wat hij kan, waardoor elk mens hier volledig meetelt. De kring is hierin belangrijk, daar is iedereen erbij en wordt contact gemaakt met elkaar. Ik vind het belangrijk dat iedereen hoort wie hij is, want dat biedt zelfvertrouwen, waarmee hij zijn talenten kan ontwikkelen. Vragen stellen zorgt ervoor dat je ervoor gaat. Dat kan vaak niet in de reguliere onderwijssystemen en structuren, waardoor leerlingen tekort gedaan wordt. Dé vraag is: wat heb je nodig? Dan blijkt dat praten met elkaar over wat je bezig houdt nodig is. Hier is geen sprake van zittenblijven en blijkt dat bijvoorbeeld het systeem van cijfers geven helemaal niet nodig is. Door reflectie en observatie weten we veel meer over leerlingen en hun ontwikkelingen’, zegt Hiltje met passie.

LvG_3

Twee docenten voeren het mentoraat over een groep van 25 leerlingen. Deze bezetting en de tijdsinvestering van drie lesuren per week vindt de school vanzelfsprekend. Daarin worden waardevolle ervaringen en leermomenten besproken. ‘Alles van waarde voor deze school wordt in deze drie lesuren expliciet aan de orde’, is gezegd.

De mentoren verzorgen ook reguliere lessen, waardoor de leerlingen hen daarin ook ontmoeten. Ellen en Matthijs zijn de twee mentoren van groep 1A. Ellen heeft ruime ervaring en Matthijs is dit jaar, na zijn LIO stage hier, begonnen als docent op de Leon van Gelder. ‘Het is leuk, maar ook veel werk’, zegt hij. ‘In de mentorgroep praten de leerlingen met elkaar en wordt gewerkt met het werkboek Breingeheim over plannen, huiswerk maken en leren’. De leerlingen hebben de afgelopen maanden hun eigen leerstijl ontdekt en gepraat over huiswerk maken. ‘Doe je dat alleen of samen, doe je dat in stilte of heb je muziek aan?’, zijn behandelde thema’s. Nu staat de huiswerkplanning in het centrum van de belangstelling en wisselen de leerlingen uit hoe en wie dat doet.
LvG_4

In de kring staat het rapport en het niveau van iedereen centraal: ‘Weet je van jezelf en van elkaar welk niveau de basisschool heeft meegegeven?’, vraagt Ellen. ‘Dat is belangrijk, want dan kan je jezelf beter inschatten en je bewust worden waar je mee bezig bent’. Om de beurt gooien leerlingen elkaar de bal toe om te horen op welk niveau hij/zij zit en of hij/zij erop of eronder presteert. Onder alle werkopdrachten staan zeven hokjes: elk staat voor een niveau. Hoe meer hokjes zijn ingekleurd door de docent, hoe hoger ze scoren op een bepaald werk. Het rondje levert op dat de meeste leerlingen weet op welk niveau ze zijn binnengekomen en functioneren. Soms is dat voor vier vakken op TL en voor andere vakken op Havo niveau. Een ander kwam binnen met BBL en scoort ook BBL. De mentor waardeert iedereen positief, daagt uit om grenzen te verleggen en spreekt meer of andere mogelijkheden aan bij de leerling om zijn niveau te verbeteren.

Naast mij zit Patricia in de kring. Ze is gestart op KL+ niveau en ziet dat bij klasgenoten meer hokjes zijn ingevuld. ‘Zij begrijpen meer dan ik, maar ik krijg het ook beter onder de knie. Mijn klasgenoten helpen me en dat is wel prettig, want dan begrijp ik het sneller’. Ze is enthousiast over de leuke lessen en de goede uitleg van de docenten van haar school.

Mentor Matthijs is ook docent Maatschappijleer en Mens en Maatschappij, een combinatie van geschiedenis en aardrijkskunde. Als LIO had hij vorig jaar al een coach en twee keer intervisie per week. Nu hij de nieuwe mentor is van groep 1A krijgt hij coaching van de ervaren Ellen. Maar er zijn meer professionaliseringsmogelijkheden binnen de school beschikbaar. Zo is er elke donderdagmiddag teamoverleg, is er onderling vaker intervisie en de school biedt docentenbegeleiding. Ook kan elke docent zichzelf professionaliseren door gebruik te maken van de middelen die de school hiervoor ter beschikking stelt. Iedere leraar heeft een maatje in de vakgroep en in het team. ‘Op deze manier leren we met elkaar om te gaan met de kennis die er is en die we met elkaar kunnen ontwikkelen’.
LvG_5

Gevraagd naar de idealen voor de Leon van Gelder is het strijdbare antwoord van Hiltje: ‘Dit is de basis, maar we willen nog beter op niveau werken, de pedagogische relatie versterken en als lerarenteam verder groeien om ervoor te zorgen dat de leerlingen goed terecht blijven komen’. Dat vraagt van elke leraar veel inzet, maar het moet niet te gek worden:

‘De afgelopen tijd had ik functioneringsgesprekken met vier teamleiders. Twee heb ik geadviseerd te schrappen in hun agenda. Een collega vroeg of zij op een bepaalde dag iets eerder naar huis mocht. Ik reageerde door te zeggen: “Ik controleer of je ook daadwerkelijk weg gaat”. Zij vervolgt: ‘Deze manier van onderwijs maken wordt door de docenten gedaan uit passie en ambitie, maar dat kan tegelijkertijd de valkuil zijn. Je moet als docent flexibel zijn, niet in paniek raken als dingen soms anders lopen, en kennis van zaken hebben. Dat kan alleen als je als persoon goed in balans bent en de goede keuzes voor je werktijden kan maken’.

Wij bekijken iedere reactie. U hoort binnen drie dagen of we het bericht plaatsen.

annuleer