‘Leraren, wat boeit jullie?’ Over roeping en professioneel zelfverstaan

02 jul 2015 · door Bill Banning >
Theoloog, docent en identiteitsbegeleider

Het proefschrift ‘Leraren wat boeit jullie?’ van Bill Banning is een zeldzaam onderzoek, in de zin dat hij een geesteswetenschappelijk perspectief met een sociaal-wetenschappelijk perspectief combineert. In onderwijsonderzoek is dat geesteswetenschappelijk perspectief aan het verdwijnen. Waar er in de jaren ’90 nog een veel onderzoek in het onderwijs werd gedaan vanuit de wijsgerige pedagogiek, daar is dat tegenwoordig sterk ondergeschikt geraakt aan het sociaal-wetenschappelijk perspectief. Dat is jammer, omdat het onderwijs niet slechts sociale wetenschap is. Onder invloed van de sociale wetenschap is het onderwijsproces in het onderzoek steeds verder opgedeeld in gedetailleerde deelprocessen, om na te gaan wat de factoren zijn een die effectieve les bepalen. Die detaillering, hoewel begrijpelijk vanuit sociaal-wetenschappelijk oogpunt, ontneemt ons echter het zicht op die ondeelbaarheid van de ervaring van het lesgeven.
Onderwijs kan in de eerste plaats begrepen worden als een praktijk. In de ‘onmiddellijkheid van de praktijk’ wordt duidelijk wat het vak inhoudt, en wat er van de leraar gevraagd wordt (Van Manen, 1995).  De ‘onmiddellijkheid’, waar Van Manen over praat, bestaat uit de onontkoombaarheid van de relatie tussen leraar en leerling. Want pas als die relatie er is, kan er geleerd worden. Maar dat die relatie ontstaat, is verre van vanzelfsprekend. De complexiteit van het aangaan van de relatie tussen leraar en leerling zorgt zo beschouwd voor zowel de moeilijkheid (‘uitdaging’) van het werk van leraren, als de voldoening die leraren aan het vak ontlenen.
Die voldoening kan gezien worden een uitingsvorm van het aspect roeping dat leraren ervaren in hun vak. In zijn proefschrift onderzoekt Banning ‘roeping’ als centrale categorie. Hij gaat na in hoeverre leraren inderdaad roeping ervaren, en waar die roeping dan uit bestaat. Roeping is een woord dat niet bij iedereen even enthousiaste reacties oproept. Niettemin laat Banning met zijn onderzoek zien, dat leraren in grote meerderheid aspecten van roeping in hun werk ervaren.
 
Dat betekent twee dingen: in de eerste plaats dat de term ‘roeping’ een bruikbaar en belangrijk perspectief geeft op de kern van het leraarschap. Het geeft houvast voor leraren, om onder woorden te brengen wat de kern van hun werk is, waar ze hun beroepseer aan ontlenen. Dat is van belang om in de gaten te houden in verder onderzoek, beleidsvorming in het onderwijs en de opleiding van leraren. Dat wat doorgaans onder kwaliteit van het onderwijs wordt verstaan, gaat gemakkelijk aan deze dimensie voorbij. 
In de tweede plaats dat onderzoek dat geesteswetenschap en sociale wetenschap combineert, een veelbelovende, vruchtbare ingang biedt op de cruciale vraagstukken die verbonden zijn met de gewenste verbetering van ons onderwijs. Regelmatig wordt vastgesteld, dat de leraar de belangrijkste factor is als het gaat om de kwaliteit van het onderwijs. Wat ‘goed leraarschap’ is, is dan vervolgens een lastige vraag. Dit proefschrift laat zien, dat het perspectief van roeping, als kwaliteit van de persoon, van binnenuit, een waardevolle aanvulling kan zijn op gangbaar onderzoek naar het vaststellen en ontwikkelen van competenties van leraren.
Wat hieronder volgt, is een samenvatting van het proefschrift, door Bill Banning zelf.–Redactie NIVOZ Forum

Inleiding van het proefschrift

Het leraarschap lijkt op een kruispunt te staan. Enerzijds verzakelijkt het beroep van de leraar, waardoor de leraar steeds meer een uitvoerder wordt van gestandaardiseerde protocollen. Deze ontwikkeling gaat gelijk op met een vaak overtrokken aandacht voor de buitenkant van het onderwijs en een veronachtzamen van de diepere lagen van de menselijke persoon bij leraar en leerling. Anderzijds wordt het belang van de persoon van de leraar voor het onderwijs benadrukt. Deze nadruk hangt samen met voortschrijdende inzichten in het belang van de narratief-biografische aspecten van de menselijke ontwikkeling, i.c. van het leraarschap.
Een fundamentele vraag hierbij is hoe leraren zelf denken over bovengenoemde, tegengestelde tendensen. Publicaties van bijvoorbeeld een tegenbeweging als de Stichting Beroepseer geven aan dat er weerstand bestaat tegen de al te zakelijke manier waarop het leraarschap tegenwoordig vaak benaderd wordt. Maar toch kost het veel leraren moeite om het eigene van hun leraarschap onder woorden te brengen. Zorgwekkend hierbij is dat veel leraren aan de kant lijken te staan, terwijl zij toch van doorslaggevend belang zijn bij de vormgeving van het onderwijs.

Binnen dit kader worden pleidooien gevoerd voor een rehabilitatie van het begrip roeping als een waardevolle ingang om het professioneel zelfverstaan van de leraar te herijken. Maar juist dit begrip lijkt een anachronisme in te houden. Bovendien is er nauwelijks tot geen onderzoek gedaan naar de wijze waarop leraren over roeping denken of welke rol roeping speelt binnen hun professioneel zelfverstaan. Deze studie tracht in deze leemte te voorzien door het begrip roeping op zowel theoretische als empirische wijze in kaart te brengen. De nadruk ligt in dit onderzoek op het empirisch onderzoek om inzicht te krijgen in de wijze waarop leraren zelf denken over roeping en breder: hoe zij denken over hun leraarschap.

Onderzoeksvragen

Deze studie stelt zich ten doel om een antwoord te vinden op de vraag op welke wijze de rationeel-instrumentele benadering van het onderwijs, en meer specifiek: het leraarschap een aanvulling dan wel correctie behoeft vanuit een waarden-gerichte benadering die meer ruimte biedt aan de betekenisgeving binnen onderwijsprocessen. Aangezien de leraren vaak aan de kant lijken te staan bij de onderwijsdiscussie en deze discussie hierdoor bij voorbaat zinloos lijkt te worden, wil ik met dit onderzoek de leraren met hun eigen professioneel zelfverstaan betrekken bij bovenstaande vraag, omdat zij uiteindelijk het onderwijs dienen vorm te geven. Zo zou ik niet alleen de beschikking krijgen over empirische data met betrekking tot roeping en professioneel zelfverstaan bij leraren, maar kan ik deze gegevens ook vergelijken met de onderzochte literatuur.

Deze doelstelling leidde tot de formulering van de volgende drie onderzoeksvragen:

  • Hoe kijken leraren tegen roeping aan?
  • Wat is het professioneel zelfverstaan van leraren?
  • Wat is de relatie tussen roeping en het professioneel zelfverstaan?

Theoretisch kader

De tendens tot verzakelijking wordt in historisch-filosofisch perspectief beschreven en gekenmerkt als een eenzijdige toepassing van instrumentele rationaliteit. De gevolgen van deze eenzijdige toepassing binnen het onderwijs worden benaderd vanuit een drietal aspecten, te weten:

  • doelrationaliteit (die alles beschouwt in termen van middelen om een doel te bereiken);
  • kwantitatief denken (waarbij alle niet mathematiseerbare aspecten veronachtzaamd of ontkend worden); en
  • beheersingsweten (die een wederkerige relatie on-mogelijk maakt).

Voor al deze drie aspecten wordt aangetoond dat de eenzijdige toepassing van de instrumentele rationaliteit negatieve gevolgen heeft binnen het onderwijs.
Als complementair-alternatieve benadering wordt het sociaal-interpretatief paradigma beschreven, waarbinnen specifiek menselijke zaken als betekenisgeving, subjectvorming en relationaliteit een wezenlijke plaats innemen. Dit paradigma dient vervolgens als uitgangspunt voor een beschrijving van een aantal aspecten van de professionaliteit van de leraar die voor dit onderzoek van belang zijn (zoals het ethisch, biografisch en narratief karakter van het leraarschap). Vervolgens worden de twee hoofdbegrippen uit de onderzoeks-vraag, te weten het professioneel zelfverstaan en roeping, beschreven. Op deze wijze vormt het theoretisch onderzoeksdeel een kader op grond waarvan het empirisch onderzoek naar het professioneel zelfverstaan van leraren en de mogelijke rol van roeping daarbinnen ontworpen kon worden.

Methode

Dit onderzoek kiest voor een kwalitatieve benadering ter beantwoording van de onderzoeksvragen, omdat deze benadering ruimte biedt voor overtuigingen, inzichten, waardepatronen en existentiële belevingen; daarmee wordt recht gedaan aan het hermeneutisch karakter van het leraarschap. De keuze voor de kwalitatieve onderzoeksbenadering sluit dus aan bij een benadering van het leraarschap vanuit het sociaal-interpretatief paradigma. Aangezien systematisch onderzoek naar het professioneel zelfverstaan van leraren in relatie tot het begrip roeping ontbreekt, wordt dit onderzoek exploratief uitgewerkt. Daarom is gezocht naar respondenten die betekenis zouden kunnen geven aan zowel het begrip roeping als de relatie tussen roeping en het professioneel zelfverstaan.

Daartoe werden drie onderzoeksinstrumenten ontwikkeld. Het eerste onderzoeksinstrument betrof een enquête naar de visie van leraren op het begrip roeping ter beantwoording van onderzoeksvraag 1. Deze enquêtes dienden om inzicht te krijgen in de manier waarop leraren tegen het begrip roeping aankijken, zowel in het algemeen als met betrekking tot het onderwijs.
Het tweede en derde onderzoeksinstrument betrof een dubbelinterview, bestaande uit een semi-gestructureerd, open interview en een biografisch interview. Door middel van deze interviews is zowel het professioneel zelfverstaan van iedere respondent verkend (onderzoeksvraag 2) als de relatie tussen het professioneel zelfverstaan en roeping (onderzoeksvraag 3). Zo konden de begrippen ‘professioneel zelfverstaan’ en ‘roeping’ en hun onderlinge verhouding betekenis krijgen op grond van de onderzoeksgegevens afkomstig van de respondenten.
Ook de methode van onderzoek was nadrukkelijk onderwerp van reflectie. Zo werden zowel de datacollectie als de data-analyse van het enquêteonderzoek en de dubbelinterviews besproken en verantwoord. In het verlengde hiervan kwamen ook de kwaliteitscriteria van validiteit en betrouwbaarheid met betrekking tot dit onderzoek diepgaand aan bod.

Resultaten

In de hoofdstukken 4, 5, 6 werden de drie onderzoeksvragen beantwoord op basis van de uitkomsten van het empirisch onderzoek. In hoofdstuk 7 vond een reflectieve discussie plaats, op grond waarvan een model van roeping wordt gepresenteerd. Hieronder volgt een samenvatting van die hoofdstukken.

Hoe kijken leraren tegen ‘roeping’ aan?

In hoofdstuk 4 stond de eerste onderzoeksvraag centraal: Hoe kijken leraren tegen het begrip roeping aan? Op grond van de analyse van de onderzoeksdata kon het begrip roeping gedifferentieerd worden in een viertal domeinen, te weten: Intern Ethos, Relationeel-Pedagogische gerichtheid, Spirituele Associatie en Kwalificatie. Bovendien konden deze vier domeinen – op grond van de rijke verscheidenheid aan antwoorden – zelf ook weer gedifferentieerd worden in een groot aantal categorieën. Kort samengevat duidt roeping voor een ruime meerderheid van respondenten op de intrinsieke samenhang van Intern Ethos en Relationeel-Pedagogische gerichtheid. Zo geven respondenten aan onder roeping enerzijds een zich van binnenuit gemotiveerd weten te verstaan; deze intrinsieke motivatie wordt bovendien bij ruim een derde van de respondenten mede geïnspireerd door vormen van Spirituele Associatie. Anderzijds duidt roeping op het graag om willen gaan met en zich willen inzetten voor leerlingen.

Het professioneel zelfverstaan van leraren

In het vijfde hoofdstuk stond de tweede onderzoeksvraag centraal: Wat is het professioneel zelfverstaan van leraren? De achttien dubbelinterviews leverden eveneens een grote hoeveelheid onderzoeksdata op waarmee deze onderzoeksvraag beantwoord kan worden. De interviews werden geanalyseerd met behulp van de zes dimensies van het professioneel zelfverstaan van Kelchtermans (1994). Ook hier bleek de rijke verscheidenheid aan antwoorden bij alle respondenten aanleiding te bieden om deze zes dimensies te differentiëren in een groot aantal categorieën. Op deze wijze kon een helder en overzichtelijk beeld verkregen worden van het professioneel zelfverstaan van deze respondenten.

De relatie tussen roeping en professioneel zelfverstaan

In hoofdstuk 6 stond de derde onderzoeksvraag centraal: Wat is de relatie tussen roeping en het professioneel zelfverstaan? Hiertoe werd eerst onderzocht op welke wijze roeping, al dan niet, voorkwam binnen de bovengenoemde interviews. Dit gebeurde door te onderzoeken in hoeverre de domeinen en categorieën van roeping uit het vierde hoofdstuk ook voorkwamen binnen deze interviews. Dit bleek bij vrijwel alle respondenten van de interviews het geval te zijn. Aansluitend werd de derde onderzoeksvraag beantwoord door een relatie te leggen tussen de vier domeinen van roeping en de zes dimensies van het professioneel zelfverstaan zoals deze aanwezig waren bij de achttien respondenten van de interviews.

Vergelijking theorie en empirisch onderzoek

In hoofdstuk 7 werden de uitkomsten van het theoretisch onderzoek vergeleken met de uitkomsten van het empirisch onderzoek. In hoofdstuk 2 werd aangegeven dat slechts binnen de wisselwerking van de volgende vijf termen zinvol van roeping gesproken kan worden:

  • A. innerlijk bewogen worden;
  • B. op grond van een besef van verbondenheid;
  • C. door de nood van een sociale werkelijkheid dan wel door het gefascineerd zijn van iets waardevols;
  • D. tot existentieel gemotiveerde inzet voor die werkelijkheid;
  • E. deze inzet leidt tot een diepe vorm van vreugde en zelfverwerkelijking.

Wanneer deze vijf termen van roeping vergeleken worden met de uitkomsten van onderzoeksvraag 1 (de vier domeinen van roeping) valt de hoge mate van overeenkomst op. Opvallend is dat de biografische interviews vrijwel gelijkluidende antwoorden laten zien, al is hierbij de existentiële onderbouwing van de antwoorden veel dieper. Bovendien geven veel respondenten hier blijk van een diep doorleefde spirituele ervaringen die intens samenhangen met de biografische ontwikkeling van de eigen professionaliteit als leraar. Deze respondenten blijken roeping op een eigentijdse en zinvolle manier binnen hun professioneel zelfverstaan vorm te geven. Zonder het als zodanig uit te spreken weten deze leraren zich ‘geroepen’ om samen met hun leerlingen in het wederkerig verstaan van elkaars stem tot een inhoudsrijke dialoog en gezamenlijke betekenisgeving te komen; een dergelijke dialoog vormt de basis en de ziel van goed onderwijs. De uitkomsten van dit onderzoek laten aldus duidelijk zien dat de respondenten weinig tot geen affiniteit vertonen met een eenzijdig instrumenteel-rationele benadering van het leraarschap.

De bovenstaande inzichten zijn verwerkt in het onderstaande model van roeping binnen het professioneel zelfverstaan van de leraar. Dit model is vorm gegeven aan de hand van een cirkeldiagram dat de boven beschreven samenhang van de domeinen van roeping en de dimensies van het professioneel zelfverstaan in beeld brengt. Dit model kan gezien worden als een concretisering van het sociaal-interpretatief paradigma met betrekking tot het leraarschap.

model banning2

Model van roeping binnen het professioneel zelfverstaan van de leraar

De interviews met de achttien respondenten laten op biografische wijze zien hoe deze cirkel zich steeds herhaalt, verdiept en leidt tot groeiende betrokkenheid en integratie van vaardigheden.

Het ‘verdiepte wie’ van de leraar

Deze studie is begonnen met de constatering dat binnen het onderwijs een spanningsveld lijkt te bestaan waarbij enerzijds het beroep van de leraar verzakelijkt en anderzijds het belang van de persoon van de leraar benadrukt wordt. Chargerend zou dit als het verschil tussen het ‘wat’ en ‘wie’ van de leraar gekenmerkt kunnen worden. In het verlengde van bovenstaande beschouwingen op grond van de uitkomsten van het empirisch onderzoek zou ik een voorstel willen doen om aan deze patstelling te ontkomen. Het gaat niet om het ‘wat’ of het ‘wie’. Het gaat om de combinatie van beide zaken, waarbij de nadruk ligt op het ‘wie’, dat wil zeggen op de persoon van de leraar. De bovengenoemde integratie van de technisch-ambachtelijke en persoonlijke aspecten kan slechts plaatsvinden wanneer de persoon van de leraar bereid is tot existentieel-professionele groei; wanneer de leraar zich pedagogische, vakinhoudelijke en didactische (en zelfs morele) vaardigheden zo eigen maakt dat ze deel gaan uitmaken van zijn eigen (professionele) leven in beschikbaarheid naar zijn leerlingen toe. Een leraar die zich hiertoe geroepen weet kan authentiek lesgeven.

Binnen de interactie met de klas kan een dergelijke leraar ter plekke bedenken en uitvoeren wat nodig is (pedagogische tact). Pedagogische vaardigheden, lesstof en didactiek vormen dan geen belemmering meer in de communicatie met de leerlingen. Een dergelijke leraar is pedagogie, is lesstof, is didactiek in eigen persoon. Op deze wijze kan de leraar op een volstrekt eigen manier – rekening houdend met de specifieke behoeften van de leerling – op iedere kwestie ingaan en de leerling bijstaan als mens en leerling: differentiatie ten top. De leraar die zo lesgeeft zal merken dat iedere opmerking, iedere vraag, ieder pedagogisch vraagstuk steeds iets oproept om ook zelf dieper in het onderwijs door te dringen en existentieel-professioneel te groeien; op deze wijze wekt hij ook de innerlijke léér-krácht van de leerlingen. Dat een dergelijk streven naar een ‘verdiept wie’ niet illusoir is, vormt wellicht de belangrijkste uitkomst van de interviews van de achttien respondenten.

Verder lezen

In de links hieronder vind je een aantal verwijzingen naar gerelateerde artikelen en publicaties. In 2007 verscheen van Bill Banning reeds “Onderwijsdier in hart en nieren. Een persoonlijke visie op groei, professionaliteit en pedagogisch vermogen.” Naar aanleiding van zijn proefschrift werd Bill Banning geïnterviewd door Anton de Wit voor de site van Managementboek (13 maart 2015).

Dit artikel verscheen eerder op het weblog Onderwijsfilosofie

Wij bekijken iedere reactie. U hoort binnen drie dagen of we het bericht plaatsen.

annuleer