Prestatiepijn in het onderwijs. Een zoektocht naar meer rust

18 apr 2017 · door Maartje Janssens >
Wetenschappelijk medewerker NIVOZ Forum

April is de Maand van de Filosofie, met dit jaar het thema ‘rust’. De behoefte aan meer rust in ons leven is groot, in een tijd waarin er veel van ons gevraagd wordt en waarin we veel van onszelf vragen. Die ontwikkeling en behoefte ervaren Alderik Visser en Fransiscus Kusters ook. Op 18 april 2017 verschijnt hun boek ‘Prestatiepijn. Opvoeding en onderwijs voor een ontspannen samenleving’. Zij willen met hun boek bijdragen aan de bewustwording van en het gesprek over het fenomeen prestatiepijn. Een interview met de auteurs.


Prestatiepijn, wat is dat eigenlijk?

Wat is de rol en betekenis van prestatiepijn in ons leven? Wat zijn de gevolgen hiervan in de opvoeding en het onderwijs? Hoe kunnen we ons hiervan bevrijden? Aan de hand van deze vragen zijn de auteurs op onderzoek uitgegaan en hebben gesproken met verschillende deskundigen op dit gebied. De zoektocht van Alderik en Franciscus begon met het signaleren van een ontwikkeling, waarin de druk om voortdurend te presteren alleen maar toeneemt, en negatieve gevolgen heeft voor zowel docenten als leerlingen. Zij zien dat als een weerspiegeling van wat er in de maatschappij gebeurt, en voelden een urgentie om deze ontwikkeling te onderzoeken.
Maar ze zijn niet alleen onderzoekers, kijkend naar een fenomeen dat zich buiten hen afspeelt. Het is ook hun eigen zoektocht. Ze herkennen zich zowel in de druk die op hen uitgeoefend wordt, als de druk die ze zichzelf opleggen om te moeten presteren, en ervaren die bepaald niet als heilzaam voor hun leven.

De auteurs verstaan het begrip ‘prestatiepijn’ tweeledig, en zien het niet per definitie als een problematisch fenomeen. Presteren is het kunnen neerzetten van een (voor jou) bijzondere verrichting – en dat is in zichzelf positief. Denk maar aan de moeite die je moet doen om een ingewikkelde tekst te begrijpen. Presteren wordt echter minder plezierig, wanneer je leed ervaart omdat je meent te moeten voldoen aan te hoge verwachtingen van jezelf, de mensen om je heen, of de maatschappij waarin je je beweegt. Er ontstaat dan een disbalans tussen het presteren en de pijn. De ondertitel van het boek ‘Prestatiepijn’ is: ‘Opvoeding en onderwijs voor een ontspannen samenleving’. Je zou kunnen zeggen dat er in de samenleving op dit moment teveel overspannenheid is: te veel leed en te weinig prestatiepijn in de positieve betekenis van het woord, namelijk het leveren van een prestatie in lijn met wie je bent en waar je naartoe wil.

Prestatiepijn, waar komt het vandaan?

De auteurs benaderen het fenomeen ‘prestatiepijn’ in hun boek vanuit veel verschillende invalshoeken. Een van die invalshoeken is de economisch-ideologische. Hier komen onder meer de neoliberale samenleving, de ideologie van het geld, en van het competitieve individu dat steeds meer wil aan bod. Ze schetsen een implosie van de middenklasse. Iedereen moet voort op de sociale ladder.

Iedere individuele ouder ervaart dat. Alderik: “Als ik een kind zou hebben, dan zou ik ook willen dat het naar de havo gaat in plaats van naar het vmbo-t. En als hij op de grens zou zitten, dan zou ik hem wel een beetje pushen. Dat is in de context waarin we leven geen irreële handelswijze voor een ouder. Je kind heeft dan meer mogelijkheden, en zelfs het geluk en de gezondheid van mensen neemt toe naarmate ze hoger opgeleid zijn. Dat systeem houden we met elkaar in stand.”

Een andere invalshoek als bron voor prestatiepijn is voor de auteurs het doorgeslagen individualisme. Ze schetsen een beeld van het individu dat vooral op zichzelf gericht is, zichzelf belangrijk wil maken in de maatschappij, en daardoor zijn ego optimaal wil voeden met allerlei bijzondere prestaties. ‘Ik doe ertoe als ik presteer’.

De bijdrage van hoogleraar psychiatrie en directeur van het Radboud Universitair Medisch Centrum voor Mindfulness Anne Speckens in het boek, sluit hierbij aan. Zij onderzoekt de mentale roots van prestatiepijn. Wij mensen vertellen verhalen aan onszelf die ons zeggen dat wij aan bepaalde dingen moeten voldoen. Maar het zou kunnen dat wij een verkeerd beeld hanteren van wat het ‘zelf’ eigenlijk is. Misschien moeten we ons daar anders toe zien te verhouden. Franciscus: “Ik zou mezelf bijvoorbeeld kunnen voorhouden dat ik er pas werkelijk toe doe als ik een hoge opleiding heb genoten. Maar is dat zo? Als ik geloof dat dat waar is, dan ga ik allerlei dingen doen die daartoe leiden, en zet ik daar dus een hoge spanning op. Maar ik kan er ook voor kiezen om niet mee te gaan in dat verhaal dat ik mezelf voorhoud, en mezelf de vraag te stellen: wie ben ik werkelijk?”

Prestatiepijn, wat zeggen de filosofen erover?

Een van de filosofen bij wie de auteurs te rade gaan is Epicurus, bij wie het denken over genot een centrale plek krijgt. Volgens Epicurus gaat genot heel nadrukkelijk niet over materiële welvaart of het stimuleren van fysiek plezier, maar over geestelijk welzijn. De vraag voor de auteurs is, of presteren wellicht vooral een materiële kant heeft. En slaan we dan misschien het geestelijke over, waardoor presteren samengaat met pijn in plaats van genot?

Een andere denker die de auteurs bestuderen is de Chinese filosoof Lao Zi. Hij wordt als de grondlegger van het taoïsme gezien; een Chinese filosofische en religieuze stroming over de vraag hoe te handelen in het leven. Lao Zi stelt de vraag wanneer iets nuttig is, en waarom iets nuttig zou moeten zijn. Hij geeft het voorbeeld van een kalebas, waar geen tafel of wat dan ook van gemaakt zou kunnen worden. Je zou er niets mee kunnen – heeft hij dan wel nut? Volgens het dominante denken zou het antwoord daarop ‘nee’ zijn. Maar Lao Zi denkt daar anders over. Volgens hem is het feit dat de kalebas gewoon is, goed. Hij is misschien wel meer in harmonie in zijn leven, dan alle andere figuren die menen dat ze van alles moeten, onder het mom van ‘nuttig zijn’.

“We zien dit ook op school. Ik geef vaak voorlichting over mijn vak (Filosofie) aan leerlingen en vraag hen dan: ‘Waarom zou je mijn vak willen volgen?’ De eerste vraag die ik terugkrijg is: ‘Waarom is dit nuttig?’ Het nutsdenken is maatschappelijk gezien de norm”, aldus Fransiscus. Lao Zi stelt echter niet de nutsvraag, maar benadrukt het ‘niet doen’. Hij legt dat uit als ‘voelen waar het moment om vraagt’.

Fransiscus maakt dit inzichtelijk aan de hand van de metafoor van een stromende rivier. Je kan je daar op twee manieren in bewegen. Wanneer je de stroming aanvoelt, weet je hoe je je peddel moet plaatsen zodat je met de boot de goede kant opgaat. Maar vaak zijn we maar aan het peddelen en peddelen. We menen we dat we alles kunnen sturen en overal controle over uit kunnen oefenen, terwijl dat juist enorm verstoort. Het verstoort mentaal, en vraagt ook fysiek heel veel inspanning. Volgens Lao Zi moeten we dat niet willen. We moeten daarentegen proberen te laten, en voelen wat er nodig is. Wat wordt er gevraagd? Wanneer past iets bij mij?

Prestatiepijn in het onderwijs

Tot zover hebben we het fenomeen prestatiepijn meer in zijn algemeenheid onderzocht, waarbij de auteurs prestatiepijn hebben gedefinieerd als ‘een disbalans tussen presteren en pijn, die gepaard gaat met lijden omdat je meent te moeten voldoen aan te hoge verwachtingen van jezelf, de mensen om je heen, of de maatschappij waarin je je beweegt’. Hoe nemen de auteurs dit maatschappelijke fenomeen in het onderwijs waar? De voorbeelden zijn volgens hen talrijk. Fransiscus vertelt over een mentorleerling die met een blindedarmontsteking in het ziekenhuis terecht kwam en direct geopereerd moest worden. “Toen ze weer thuis was en ik contact met haar zocht, was het eerste wat ze vroeg: ‘hoe gaat het nu met mijn schoolwerk?’ Ze meende dat oprecht, en veel leerlingen voelen het zo. Dan denk ik: als we met zijn allen een situatie hebben gecreëerd waarin dat de primaire reactie wordt, dan hebben we een probleem, en daar moeten we iets mee.”

Een ander voorbeeld is de maatschappelijke druk van het hebben van een toekomstplan. Je moet direct de verstandige keuze maken, je mag geen fouten maken. Fouten kosten bovendien tegenwoordig heel veel geld. Leerlingen ervaren niet de steun die een school en de maatschappij zou kunnen bieden, door tijd en ruimte te nemen om te kijken wat voor leerlingen belangrijk is, hoe ze de wereld en hun leven daarin zien, waar ze naartoe willen. Die ruimte ontbreekt, omdat we voortdurend weer de volgende deadline aan het halen zijn.

Daar komt bij dat we leerlingen voortdurend aan het monitoren zijn. Dit maakt de prestatiepijn erger. Alderik vertelt: “Ik kwam onlangs een leerlingvolgsysteem tegen waar de competenties van kinderen op het gebied van hun welzijn in kaart worden gebracht. Dan vraag ik me af: waarom wil je dat? Dat is onze systemische aard van kijken. Het fnuikende van dit moment is dat zoete pedagogische taal wordt misbruikt om allerlei instrumentele doelen te bereiken, namelijk kinderen nog meer te laten presteren. ‘Vind je talent!’, ‘Word nóg excellenter!’”

Ten slotte zien de auteurs in het onderwijs veel betekenisloos leren – een grote oorzaak van prestatiepijn. “Van de zelfdeterminatietheorie leren we dat competentie, relatie en autonomie essentieel zijn. In het onderwijs is echter weinig sprake van autonomie en betrokkenheid bij leerlingen, terwijl van hen wel competentie geëist wordt. Dus het onderwijs is bepaald niet motiverend voor leerlingen, vanuit de theorie gedacht. Maar dat zie ik ook voor mijn neus gebeuren. Leerlingen moeten scoren, maar de vraag of ze betrokken zijn, of ze een relatie hebben met de stof of de docent, wordt niet relevant geacht – in ieder geval niet in het middelbaar onderwijs”, aldus Alderik. Dat is vragen om prestatiepijn.

Prestatiepijn en ‘het systeem’

We noemden al verschillen bronnen van prestatiepijn, maar waar komt die prestatiepijn specifiek in het onderwijs nu vandaan? In hun boek bespreken de auteurs het spanningsveld tussen ‘individu’ en ‘systeem’ in een briefwisseling met elkaar. Een voorbeeld van hoe het systeemdenken de school binnendringt is het hele excellentie-denken. Op de school waar Fransiscus lesgeeft is het cijfer 7 de norm. Als een leerling gemiddeld geen 7 staat, mag hij niet automatisch over naar het volgende jaar. Ook is zijn school een ‘excellente school’. Tegenwoordig werken we zelfs met ‘cum laude’ op de examenlijst, wat weer doorwerkt in de overgang naar vervolgonderwijs. Universiteiten selecteren op excellente scholen, cum laudes en zelfs al cijfers van het voorexamenjaar. Dit legt al vroeg in het systeem een grote druk op leerlingen waartoe ze zich moeten zien te verhouden.

Een verhouding vinden tot het systeem is noodzakelijk, want de auteurs denken, in lijn met de filosoof Foucault, dat we niet uit het systeem kunnen breken, omdat we niet eens de woorden hebben om anders te denken. Hoe moeten we dit begrijpen? Foucault spreekt van ‘de randen van het zelf’: steeds als we menen te weten hoe wijzelf of de wereld in elkaar zitten, worden we geconfronteerd met ons onvermogen om te kennen. Als we dus maar moeilijk vat op de werkelijkheid kunnen krijgen, en zodoende op de mogelijkheid om uit het systeem te breken – wat kunnen we dan doen?

Van prestatiepijn naar prestatieplezier 

(1) Bewustzijn

Het begint ermee dat we ons bewust zijn van het systeem waarin we zitten. We kunnen bewust stilstaan bij onze alledaagse handelingen en routines: wat betekenen die eigenlijk? Waarom hebben we bepaalde oordelen over het verschil tussen hand- en hoofdarbeid? Door het systeem en onderliggende aannames te onderzoeken, krijgen we handvatten om daar anders naar te kijken. We kunnen zoeken naar andere woorden en handelswijzen.

(2) Ontregelende ervaringen
Verder moeten we onszelf durven te ontregelen, en dan stilstaan bij wat er met ons gebeurd. Fransiscus geeft een voorbeeld van een ontregelende maatregel die hij in de klas toepaste. “Ik heb deze zomer een telefoonkastje gemaakt en in mijn lokaal gezet. Bij binnenkomst begroet ik mijn leerlingen door ze een hand te geven, en verzoek ik hen om hun telefoon in het kastje te leggen. Dat is voor hen heel ontregelend, want hun telefoon is alles – hij zit nog net niet op hun voorhoofd geplakt. Door deze ontregeling onderzoeken we samen: wat gebeurt hier eigenlijk, wat is klaarblijkelijk de norm, waar ga je in mee, wat verwachten we van elkaar? En misschien kunnen we die norm door dat onderzoek doorbreken, zodat prestatiepijn ook een positieve vorm kan krijgen.”

(3) Tijd en ruimte voor betekenis en motivatie
Prestatiepijn kan een positieve vorm aannemen, wanneer we elkaar de tijd en ruimte gunnen om te floreren, ontwikkelen, aan dingen te ruiken en proeven. De auteurs pleiten voor ‘slow learning’. Willen we dat leren betekenisvol wordt – en zo niet langer een bron van prestatiepijn is – , dan moeten we daar ook tijd voor maken. Deze andere insteek zal niet meteen als vanzelfsprekend gaan, immers leerlingen vinden deze betekenisvraag aanvankelijk heel lastig.

In het boek geeft de Vlaamse filosoof Jan Masschelein volgens de auteurs een mooie metafoor van betekenisvol leren, namelijk die van de GPS-wereld. Daarin is iedereen steeds bezig zichzelf te positioneren: waar ben ik ten opzichte van anderen? Maar de landkaart raakt verloren. Waarom ben je aan het reizen? Waar ga je heen? Waarom ga je überhaupt onderweg?  Door prestatiepijn is volgens de auteurs de vraag naar de betekenis van wat we doen, het waarom, op de achtergrond geraakt.

Om die vraag opnieuw te stellen moeten we meer naar de individuele leerling kijken – niet door hen te monitoren, maar door elkaar te ontmoeten, eens diep het gesprek aan te gaan. En vervolgens het individuele kind zien als een mens in de samenleving, waarbij de school zowel functioneert als een samenleving, als de relatie tot de wereld buiten de school. De professionaliteit van de docent, en de waarde van het kind als een persoon die je kan ontmoeten – dat zijn de grootheden waarin we meer moeten denken.

(4) Risico nemen

Om prestatiepijn te doorbreken, moeten schoolleiders en leraren ten slotte ook risico durven nemen. Fransiscus: “In vwo5 geef ik geen cijfers meer. Ik vind het best eng. Volgend jaar heb ik examenklassen, dan komen we echt in het systeem van ‘we moeten de centrale examens goed afleggen, want we zijn een excellente school, en een excellente school moet boven het landelijk gemiddelde scoren’ – als dat maar goed gaat. Maar dat risico is denk ik wat onderwijs ook mooi maakt. In het risico zijn we kwetsbaar, maar vinden volgens mij ook de meest leerzame dingen plaats. Als je leerlingen vraagt: ‘wanneer heb je het meest geleerd?’, dan zijn dat niet de dingen die van tevoren te verwachten waren.”

Tot slot: prestatiepijn en kwetsbaarheid

Door de prestatiedruk lijkt er geen ruimte voor kwetsbaarheid meer te zijn. Fransiscus: “in het laatste stuk dat ik geschreven heb voor de bundel stel ik de vraag: ‘Wie zijn we zonder prestatiepijn?’ Daar zit een enorme kwetsbaarheid in. Want op het moment dat ik verhalen over wie ik ben los moet laten – ‘Mijn naam is Fransiscus en ik word gedefinieerd doordat ik nu docent Filosofie ben geworden met deze opleiding, deze bundel heb gepubliceerd, ‘Verwonderenderwijs’ heb gemaakt samen met Alderik, bestuurslid van de Vereniging Filosofiedocenten in het Voortgezet Onderwijs (VFVO) ben’ – wie ben ik dan? Ik denk dat heel veel mensen dan in paniek raken. Dat heeft met die controle te maken: ik wil eigenlijk zicht houden op waar ik naartoe ga. Terwijl: wat als je dat niet weet? Dat is denk ik iets heel kwetsbaars in durven stappen.”


Alderik Visser is historicus, onderwijsmens en publicist. Hij schrijft veelgelezen artikelen op het snijvlak van onderwijs, filosofie, pedagogiek en beleid.

Fransiscus Kusters is oprichter van Insight Philosophy, schrijver, docent filosofie, essayist en bestuurslid van de Vakvereniging Filosofiedocenten Voortgezet Onderwijs.

Het boek is te bestellen via onder meer de uitgeverij Phronese.

Wij bekijken iedere reactie. U hoort binnen drie dagen of we het bericht plaatsen.

annuleer