Opnieuw opstaan tegen zittenblijven

12 jun 2014 · door Gijs Verbeek >
Forum-redacteur

Wim Meijnen (emeritus hoogleraar Onderwijskunde Universiteit van Amsterdam) blikt in het themanummer ‘Zittenblijven’ van Pedagogische Studiën (jaargang 90, najaar 2013) terug op ruim veertig jaar onderzoek naar dit thema. Hij komt tot de conclusie dat de reeds in 1970 door Doornbos geformuleerde conclusies eigenlijk nog steeds relevant en actueel zijn. Zittenblijven komt nog veelvuldig voor binnen de Nederlandse en Vlaamse onderwijspraktijken zonder dat er duidelijke indicaties zijn van een positief effect. Adaptief onderwijs of onderwijsinstructie op maat is volgens Meijnen het antwoord op de vraag naar het terugdringen van zittenblijven. Daarvoor zijn volgens hem een flexibele organisatie en flexibele didactiek op met name de lagere school noodzakelijk. In deze bijdrage vatten we zijn belangrijkste argumenten samen.

Cohortonderzoek biedt zicht op verdere verloop schoolloopbaan
Onderwijsonderzoek blijft in vergelijking met ‘de gouden standaard’ van onderzoek (gerandomiseerde en gecontroleerde experimenten) altijd problematisch. Gelukkig kan onderwijsonderzoek volgens Meijnen in toenemende mate gebruik maken van zogenaamd cohortonderzoek. Hierbij worden gegevens verzameld van grote groepen leerlingen over een groot aantal onderwerpen over een langere periode. Dit maakt het onder andere mogelijk om trends en ontwikkelingen te ontdekken en om leerlingen met elkaar te kunnen vergelijken over een langere tijdsperiode. In Nederland was er al sprake van een traditie van het verzamelen van cohort gegevens, maar ook in Vlaanderen is hiervoor toenemende aandacht. Cohortonderzoek is met name gewenst in het geval van onderzoek naar zittenblijven omdat het de gelegenheid biedt om over een langere periode te kijken hoe het zittenblijvers is verlopen.

Algemene bevindingen wijzen op uitblijven positief effect
Het interessante is nu dat uit dergelijk onderzoek blijkt dat er vrijwel geen positieve effecten zijn op te merken. Dit geldt zowel voor onderzoek binnen de Nederlandse context als binnen de Vlaamse en andere buitenlandse contexten. Als er al een positief effect opgemerkt wordt betreft dit een lichte voorsprong tijdens het jaar dat gedoubleerd wordt, maar deze voorsprong verdwijnt ook snel weer. Leerlingen stromen in veel gevallen alsnog af, blijven nogmaals zitten en/of behalen minder goede resultaten dan de leerlingen die een even grote kans hadden op zittenblijven op het moment dat zij de basisschool verlaten. Cohortonderzoek maakt het mogelijk dergelijke conclusies te trekken. De gebruikelijke visie binnen het onderwijs reikt immers (en begrijpelijkerwijs) veelal niet verder dan een of twee schooljaren. Zittenblijvers stromen door naar de volgende docent of het volgende jaar en zijn in principe vanaf dat moment ‘uit beeld’. In ieder geval uit beeld van de betrokkenen die destijds betrokken waren bij het besluit tot wel of niet blijven zitten.

Belang van nauwkeuriger analysetechnieken
Het huidige onderzoek ontwikkelt zich volgens Meijnen dankzij de toenemende precisie van de analysetechnieken die gebruikt kunnen worden. Dit leidt ook tot nauwkeuriger resultaten en gegevens. Het is daarom makkelijker geworden om verschillende groepen leerlingen te onderscheiden die – voor wat betreft bepaalde achtergrondkenmerken – een vrijwel gelijke kans hebben op zittenblijven, maar waarvan een deel wel en een deel niet blijft zitten. Dat maakt het mogelijk om deze leerlingen met elkaar te vergelijken, bijvoorbeeld voor wat betreft de verdere schoolloopbaan, waarbij een deel van de gevonden verschillen toegeschreven kunnen worden aan het al dan niet zijn blijven zitten. Over het algemeen is het beeld dat uit dit soort onderzoek naar voren komt dat leerlingen met een grotere kans op zittenblijven – wat in sterke mate samenhangt met bepaalde achtergrondkenmerken – over het algemeen ‘zwakker’ blijven presteren gedurende de gehele schoolloopbaan.

Meer onderzoek naar juist oorzaken is gewenst
Meijnen geeft verder aan het jammer te vinden dat er van de zes onderzoeken die in het themanummer worden besproken, slechts twee de mogelijke oorzaken ervan behandelen. Het betreft het onderzoek van Juchtmans en Vandenbroucke (2013) naar de overtuigingen binnen scholen omtrent zittenblijven en het onderzoek van Reezigt, Swanborn en Vreeburg (2013) over verschillen tussen scholen wat betreft zittenblijven.
Uit het eerste onderzoek bleek een discrepantie tussen opvattingen van betrokkenen en hun daadwerkelijke handelen. Zittenblijven wordt blijkbaar, ondanks het gebrek aan empirische onderbouwing ervoor, als een aanvaardbare strategie opgevat om ‘tijd te kopen’ voor leerlingen die minder goed mee kunnen. Uit het tweede onderzoek bleek dat kenmerken als schoolgrootte, samenstelling van de leerlingbevolking en onderwijssoort eigenlijk een te klein deel van de verschillen verklaren en dus onvoldoende inzicht geven. Meijnen geeft ook een voorbeeld:
Zo verwijzen scholen met relatief veel leerlingen met laagopgeleide ouders en veel allochtone leerlingen iets meer. Uit eigen gesprekken met directeuren en adviseurs van deze scholen blijkt dat veel allochtone ouders zich sterk verzetten tegen verwijzing en dat scholen zich daarom verplicht voelen deze leerlingen te laten doubleren (p. 91).
Vervolgonderzoek zou volgens Meijnen dan ook gericht moeten zijn op de oorzaken, wil er effectief iets gedaan worden tegen zittenblijven.

‘Kopen van extra tijd’
Meijnen wijst er overigens ook op dat de opvatting van het ‘kopen van extra tijd’ blijkbaar ook bij de overheid een goed idee wordt gevonden:
Sinds enkele jaren gaat de overheid gedeeltelijk mee in deze gedachte door kopklassen dan wel schakelklassen te subsidiëren voor (veelal) allochtone leerlingen die een extra jaar (taal)onderwijs nodig hebben om alsnog met goed gevolg de basisschool te kunnen doorlopen, dan wel te worden toegelaten tot hogere vormen van voortgezet onderwijs (p. 91).

Differentiatie blijft een hiaat
Het onderwijsbeleid heeft volgens Meijnen echter ook gefaald. Hij verwijst naar de Wet op het Basisonderwijs van 1985 waarin naast het samengaan van kleuterschool en basisschool ook een flexibilisering van organisatie en didactiek werd voorgesteld. In 1994 concludeerde de Evaluatiecommissie Basisonderwijs echter dat het leerstofjaarklassensysteem nog steeds dominant was en dat er van differentiatie binnen de klassen weinig sprake was. Ook binnen het huidige basisonderwijs blijkt differentiatie niet of nauwelijks plaats te vinden. Voor het voortgezet onderwijs geldt dat hoewel er sprake is van differentiatie in verschillende richtingen (vmbo, havo, vwo) er desondanks binnen klassen weinig onderwijs op maat aangeboden wordt.

Systeem-oriëntatie versus leerling-oriëntatie
Zittenblijven als praktijk kan dan ook niet los gezien worden van de (bredere) context waarin dit plaatsvindt. Meijnen wijst in dit verband op de doelstellingen zoals gesteld worden door de overheid. Blijven denken in eindtermen, kerndoelen of referentieniveaus betekent blijven denken vanuit een systeem-oriëntatie, waarbij de leerling, simpelweg gezegd, wel of niet voldoet. Een oriëntatie aan de hand van individuele ontwikkelingsprofielen stelt de leerling en zijn/haar ontwikkeling centraal; dan is er geen (of veel minder) sprake meer van ‘wel of niet voldoen’ en de noodzaak om extra tijd te kopen. Met het oog op huidige nadrukken op “passend” en “inclusief” onderwijs is het interessant dat zowel Meijnen als destijds Doornbos erop wijzen dat differentiatie en vaststaande eindtermen niet samen gaan. In dit verband is het op zijn minst opvallend dat zowel binnen het po als het vo een toenemende detaillering en fixatie op te merken zijn met betrekking tot de doelen van het onderwijs, en zelfs de peuters en kleuters van de “voor- of vroegschoolse educatie” lijken hieraan niet te ontkomen.

Oplossing in onderwijs op maat
Meijnen is van mening dat een oplossing gevonden kan worden in onderwijs op maat. Zittenblijven en verwijzen is volgens hem namelijk een indicatie van het ontbreken van onderwijs op maat. Hij wijst erop dat scholen structureel slecht scoren op het aanbieden van ‘instructie op maat’ (50% van de leraren differentieert niet en ervaart bijvoorbeeld moeite met het geven van feedback). Dit terwijl groepen vaak al redelijk homogeen zijn doordat leerlingen zijn blijven zitten en of zijn afgestroomd. Tegelijkertijd wordt er op scholen die aangemerkt kunnen worden als ‘traditionele vernieuwers’ veelal wel gedifferentieerd, maar hiervan wordt ook opgemerkt dat de resultaten tegenvallen. Onduidelijk blijft echter wel op welke wijze deze resultaten vastgesteld zijn en dus welke waarde zij hebben; ook hier speelt de vraag of de norm (het systeem) centraal wordt gesteld of de individuele ontwikkeling van de leerling zelf.

Als mogelijke voorwaarde voor onderwijs op maat noemt Meijnen vervolgens consistentie wat betreft het schoolconcept: ‘Referentieniveaus, groepssamenstelling, instructiewijzen, aangepaste methoden, kwalificatie en inzet van personeel, dat alles zal op elkaar moeten worden afgestemd om tot een optimaal opererend systeem te komen, wil kostbare vertraging dan wel belemmering worden vermeden’ (p. 94).

En de druk op differentiëren is er volgens Meijnen zeker, hoewel Nederlandse laag presterende leerlingen het in internationale vergelijkingen nog (redelijk) goed doen, zijn het met name de hoog presterende leerlingen die in dezelfde vergelijkingen achterblijven.

Aanbevelingen
Tot slot stelt Meijnen een aantal specifieke aandachtspunten voor met betrekking tot het veranderen van de praktijk rondom zittenblijven:

De belangrijkste insteek bij het verbeteren van onderwijs op maat is ongetwijfeld de kwalificatie van de leerkracht. Wil adaptief onderwijs werkelijk van de grond komen dan zal de leerkracht meer moeten kunnen, dan putten uit de gereedschapskist die hem of haar via de huidige opleiding en cursussen wordt aangereikt. Het onderwijsteam van een school zal genoeg kwaliteit in huis moeten hebben om de bovengenoemde uitdagingen om te zetten in relevante organisatorische en didactische maatregelen. Beroep doen op externe advisering is nooit weg maar kan niet compenseren voor de eigen toerusting. Academisering van initiële tweede- en derdegraads opleidingen zijn daarvoor noodzakelijk. Routines zullen nuttig blijven maar zelf actief vormgeven aan het leerproces, afgestemd op de individuele ontwikkeling van leerlingen, wordt dan de ‘core business’. En dan moet er uiteraard nog worden uitgevonden onder welke voorwaarden deze uitvoering gerealiseerd kan worden. De belangrijkste daarvan zijn: verplichte na- en bijscholing, geëigende groepsgrootte, adequate methoden en andere leermiddelen, toegesneden huisvesting en, uiteraard, beloning van leerkrachten. Er zal nog vaak moeten worden opgestaan. (p. 94)

Literatuur

Juchtmans, G., & Vandenbroucke, A. (2013). Overtuigingen als sleutel om zittenblijven te begrijpen en terug te dringen. Pedagogische studiën, 90(5), 4-16.

Meijnen, W. (2013). Opstaan tegen zittenblijven: Om moe van te worden. Pedagogische studiën, 90(5), 89-95.

Reezigt, G., Swanborn, M., & Vreeburg, B. (2013). Verschillen tussen scholen op het gebied van zittenblijven. Pedagogische studiën, 90(5), 31-44.

Wij bekijken iedere reactie. U hoort binnen drie dagen of we het bericht plaatsen.

annuleer