Ongelukkige levenskunst

31 mrt 2017 · door Christa Anbeek >
Bijzonder hoogleraar remonstrantse theologie (VU)

In het najaar van 2013 hield ik aan de Vrije Universiteit van Amsterdam mijn inaugurele rede, waarmee ik het ambt van bijzonder hoogleraar remonstrantse theologie aanvaardde. De titel luidde Aan de heidenen overgeleverd. Hoe theologie de 21ste eeuw kan overleven. In deze rede stel ik een theologisch programma voor dat bestaat uit gesprekken over kwetsbaarheid. Vanaf die tijd reis ik het land door om aan mensen uit te leggen wat ik met deze gesprekken op het oog heb. Vaak begin ik mijn lezing met de eerste strofe van een gedichtje van Bette Westera uit het boek Dood-gewoon, dat zij samen met de illustratrice Sylvia Weve schreef. Het is een boek voor kinderen met gedichten en tekeningen over dood en verlies.


Als je nou eens niet kon sterven,
zou je dan op zwemles gaan?
Van de hoge duikplank duiken?
Zeilen zonder zwemvest aan?
Op de hoogste bergen klimmen?
Op de smalste richels staan?
Langs de diepste kloven lopen?
Was daar dan nog wel wat aan?

Dit gedichtje geeft precies aan wat in onze samenleving zo vaak vergeten wordt: juist het gegeven dat we kwetsbaar zijn, dat er iets mis kan gaan, dat we stuk kunnen gaan, dat we kunnen vallen en verdrinken, dat we dood kunnen gaan, maakt het leven zo bijzonder. Het kwetsbare en fragiele geeft kwaliteit aan het leven. Als we niet zouden kunnen huilen, zouden we dan wel kunnen lachen? Echte levenskunst bestaat niet uit het najagen van geluk, maar juist in het kunnen omgaan met geluk en ongeluk.

Wij leven in een samenleving waar een eenzijdige nadruk is komen te liggen op bepaalde waarden in het bestaan. Mensen willen vrij zijn, autonoom, niet afhankelijk van anderen, succesvol, mooi en jong, gezond, een goede baan hebben en leuke kinderen – en dit ook nog allemaal onder controle hebben. We zijn met elkaar gaan geloven dat het najagen van geluk en gelukkig zijn de bedoeling van het leven is.

Het leven zelf laat echter vaak heel andere dingen zien. We kunnen ziek worden, ons werk verliezen, naar kinderen verlangen maar ze niet krijgen, iemand kan ons bedriegen of iets anders ergs aandoen, we kunnen veel te jong dood gaan, of iemand die ons dierbaar is verliezen.

Contrastervaringen

Ervaringen waarin de kwetsbaarheid van het leven zichtbaar wordt noem ik contrastervaringen. Je hebt ze in twee soorten: ervaringen van heelheid en verwondering en ervaringen van verscheurdheid en uit elkaar vallen. Een ervaring van verwondering kan je op vele manieren overkomen, bijvoorbeeld wandelend in de hoge bergen en onder de indruk zijn van prachtige witte bergtoppen; zwemmend in zee en de zwarte diepte onder je voelen; intense momenten van liefde; al spelend jezelf vergeten. Dergelijke ervaringen gaan vaak gepaard met gevoelens van geluk, harmonie, ontspanning, dankbaarheid dat je dit mag meemaken. Aan de andere kant zijn er negatieve contrastervaringen, die bijna tegengesteld lijken aan de positieve contrastervaringen. Negatieve contrastervaringen hebben te maken met verlies. Horen dat iemand om wie je geeft er niet meer is; weten dat je zelf niet lang meer zult leven; een baan die belangrijk voor je is kwijt raken; vertrouwen dat geschaad wordt omdat iemand je iets ergs aandoet … Verdriet, verbijstering, wanhoop, op jezelf terug geworpen worden, isolement.

Het wonderlijke van positieve en negatieve contrastervaringen is dat ze in het echte leven vaak dicht bij elkaar liggen. Juist omdat we weet hebben van schoonheid en geluk doet het ontbreken ervan zo’n pijn. En juist in het gemis voelen we dieper dan ooit hoe belangrijk die ander voor ons is en hoe afhankelijk we van elkaar zijn.

In contrastervaringen wordt zichtbaar hoe fragiel, vluchtig en vergankelijk het leven is. Chaos en schoonheid, tragiek en verwondering wisselen elkaar af en lopen soms dwars door elkaar heen. In deze ervaringen, waarin het kwetsbare doorbreekt, wordt de bekende, vanzelfsprekende wereld doorbroken. Niets is meer zoals het was, we hebben geen woorden, het leven zoals het zich laat zien gaat onze controle en ons verstand te boven. Een onbekend gebied opent zich, verrukkelijk, verbijsterend en verwarrend. Tegelijkertijd voelen we dat in deze openbrekende ervaringen iets van waarde zich laat zien – duidelijk en evident en tegelijkertijd ongrijpbaar.

Verschillende theologen en filosofen hebben over deze ingrijpende ervaringen geschreven. De filosoof Charles Taylor benadrukt dat deze openbrekende ervaringen gearticuleerd dienen te worden, taal brengt het impliciet waardevolle tot uitdrukking. De theoloog Schillebeeckx die met name over negatieve contrastervaringen schreef, beklemtoont dat de ervaring bereflecteerd dient te worden, alleen dan kan de ervaring betekenisvol worden. Met andere woorden: in het tere, het broze, het fragiele, het wonderlijke, het weerloze, in verlies, chaos, onrecht, onmacht en geweld toont zich iets dat van waarde is. Iets dat om andere woorden en daden vraagt dan we normaal gesproken en in onze samenleving gewend zijn.

Om woorden te kunnen vinden of te kunnen reflecteren is er in eerste instantie een bepaalde houding nodig – een houding die ook al weer haaks staat op wat mensen vaak geneigd zijn om te doen: met aandacht kijken naar mooie en moeilijke kwetsbaarheid. Open worden, je laten raken. Stil worden, geen woorden hebben, niets doen. Kwetsbaarheid verdragen, je laten beroeren, commentaar en oordelen achterwege laten. En dan, als de tijd er rijp voor is, in gesprek gaan.

Vier gesprekken

In mijn oratie spreek ik over vier gesprekken die dan van belang zijn. Ten eerste het gesprek met jezelf. Waar in je eigen leven speelt kwetsbaarheid? Wat wordt zichtbaar? Welke schoonheid, welke pijn, welke ontdekkingen? Welke dromen gingen verloren? Wat kwam ervoor in de plaats? Wat maakt een dag waardevol? Waarom is het soms niet te doen? Hoe komt het dat ik verlang naar de dood? Wat is er nodig om dit verlangen te keren?

Vervolgens het gesprek met elkaar. Hierbij gaat het om dezelfde vragen als in het zelfonderzoek, maar nu leggen we de verschillende ervaringen en inzichten bij elkaar. Vervolgens gaan we op onderzoek: Wat laat zich zien? Wat toont zich als van werkelijk belang als het leven op scherp staat? Welke waarden staan op het spel? Hoe kunnen wij deze waarden koesteren en ernaar leven?  Wie kunnen we voor elkaar zijn?

Het derde gesprek is het gesprek met levensbeschouwelijke en filosofische tradities. Wij zijn de eerste niet, we kunnen onszelf verbinden met mensen door eeuwen en culturen heen. Mensen hebben altijd geleefd met onmogelijkheden, wanhoop, verdriet, verbijstering, schoonheid, verwondering en daar wijsheden over verzameld. Het boek De berg van de ziel beschrijft zo’n tocht. Ik schreef het boek samen met Ada de Jong die bij een bergongeluk haar man en drie kinderen verloor. Vanuit de eigen ervaringen met verlies zoeken we naar aanknopingspunten bij verhalen en inzichten uit tal van levensbeschouwelijke en filosofische tradities. Als een soort reisplan hebben we de loci van de christelijke systematische theologie als uitgangspunt genomen, die we telkens terugvertaalden naar de achterliggende menselijke vraag. Wie is de mens? Wat is onze plek te midden van al het andere dat er is? Wie is God, of wat is van ultiem belang? Hoe kunnen we ons verzoenen met alles wat er op onze levensweg komt? Waar vinden we troost? Hoe worden we weer creatief? Welke gemeenschap helpt om kwetsbaar leven tot bloei te laten komen?

Het vierde gesprek is het gesprek met de samenleving: protesteren tegen de eenzijdige voorstelling van wat goed en waardevol leven is.

De randgebieden van het bestaan

Het is eenvoudig op te schrijven: spreken over kwetsbare ervaringen, maar de praktijk is moeilijk en weerbarstig, zozeer zelfs dat ik ben gaan twijfelen of dit wel te organiseren valt. Wat in ieder geval nodig is zijn hetero-topieën, plekken die ‘anders’ zijn. Kleine, lokale gemeenschappen waar je afspreekt dat het wapentuig en de stoerheid en de succesverhalen afgelegd worden om met elkaar een ander avontuur aan te gaan. Om te kunnen schatgraven en er achter te komen wat zich toont in contrastervaringen, kan het niet anders dan dat je jezelf laat zien in je kwetsbaarheid. Juist daar ligt een moeilijkheid. Er zijn veel plekken waar mensen zich wel in hun kwetsbaarheid laten zien, maar dit komt omdat zij in een situatie zijn waarin zij nauwelijks anders kunnen. Toen ik als geestelijk verzorger in een ggz-instelling werkte hadden we wekelijks verschillende gespreksgroepen, waarin ‘het naakte leven’ het uitgangspunt was. Hier was dat echter geen keuze, de maskers waren voor het grootste deel al af, de deelnemers al lang door hun eigen succesverhalen heen gevallen. Juist hierdoor ontstonden er bijzondere gesprekken waarin de kostbaarheid te midden van het kwetsbare vaak benoemd werd.

Het is voor mij een vraag waar en hoe in de ‘normale’ wereld dergelijke gesprekken kunnen plaatsvinden en wat hier dan voor nodig is. Het gaat om het creëren van oefenplekken, plekken van woorden, stilte, rituelen en daden. Plekken waar afstand wordt gedaan van macht, waar sympathieke verbondenheid geoefend wordt, tegenbeelden geschapen worden en we ons verbinden met verhalen uit tradities die gaan over geluk, gekend zijn, onmacht, lijden, gebrek, ouderdom, onrecht en geweld en daar iets bijzonders vinden.

Afgelopen jaar organiseerde ik twee pilot-groepen, een met gewone deelnemers en een met predikanten. In deze groepen werden contrastervaringen gedeeld, aan ieder werd gevraagd om een contrastervaring uit het eigen leven in een regel of tien op te schrijven. Deze ervaringen werden aan elkaar voorgelezen. Vervolgens werden er aan de hand van de thema’s van de christelijke systematische theologie gesprekken gevoerd, zoals: wat toont zich in jouw contrastervaring als van ultiem belang? Wat wordt vanuit jouw contrastervaring zichtbaar over je plek als mens te midden van al het andere dat er is? De avonden regen zich aaneen, de gesprekken verdiepten zich en de deelnemers raakten verbonden met elkaar. In de groep met gewone deelnemers liep het proces gemakkelijker. Ik had hen uitgelegd wat ik wilde uitproberen en daar gaven zij zich aan over, alsof we een nieuw spel speelden waarvan niemand nog wist hoe het precies moest. Bij de predikanten was het al wat ingewikkelder, zij wilden veel meer begrijpen wat we aan het doen waren en waarom. Natuurlijk probeerde ik het zo goed mogelijk uit te leggen, ook nog met allerlei teksten van filosofen en theologen erbij, maar het bleef allemaal wat piekerig. Alsof we verleerd zijn om op de rand van de afgrond te spelen.

Vanaf dat moment twijfel ik. Kunnen we ongelukkige levenskunst wel organiseren? Of kunnen we slechts te midden van ongeluk levenskunst realiseren? De laatste vraag kan zeker bevestigend beantwoord worden, ook al gaat dit niet vanzelf. Oefening met woorden en daden in een machtsvrije zone is onontbeerlijk – jezelf te midden van anderen tot expressie brengen, laten zien en horen wat je raakt en beweegt en over en weer, te midden van verschillen, erkenning vinden.

Over de eerste vraag ben ik nog niet uitgedacht. Het vraagt van mensen om zich in de marges van hun bestaan te begeven. Iets dat velen van ons niet graag vrijwillig doen. Meestal komen we daar pas terecht als we ertoe gedwongen worden, om als het even kan zo snel mogelijk weer op te krabbelen. Mijn hoop is gevestigd op degenen die ervaren hebben dat dit niet altijd zo gemakkelijk lukt en er zo achter gekomen zijn dat juist in de randgebieden van het bestaan zich wonderschone zaken aandienen. Bij dezen een uitnodiging aan de lezer die zich herkent als horende bij deze groep. Meld u, stuur een bericht, schrijf over uw ervaring. Wie weet kunnen we toch gesprekken over ongelukkige levenskunst organiseren.

Dit artikel is eerder verschenen in het themanummer ‘Momenten van schoonheid en geluk’ van het tijdschrift Speling, jaargang 67 (2015) nr. 2, 29-34.

Christa Anbeek (1961) is universitair hoofddocent geestelijke begeleiding aan de Universiteit voor Humanistiek te Utrecht en bijzonder hoogleraar remonstrantse theologie aan de Vrije Universiteit te Amsterdam.  (C.Anbeek@UvH.nl)


Literatuur

Christa Anbeek, Aan de heidenen overgeleverd. Hoe theologie de 21ste eeuw kan overleven, Utrecht 2013.

Christa Anbeek en A. de Jong, De berg van de ziel. Een persoonlijk essay, Utrecht, 2013.

Charles Taylor, ‘Disenchantment-Reenchantment’, in: Dilemmas and Connections. Selected Essays, Harvard 2011, 287-302.

Edward Schillebeeckx, Mensen als verhaal van God, Baarn, 1989.

Bette Westera en Sylvia Weve, Doodgewoon, Haarlem 2014.

 

 

Wij bekijken iedere reactie. U hoort binnen drie dagen of we het bericht plaatsen.

annuleer