Mens-zijn; Onderwijs; Pedagogiek!

16 feb 2016 · door Jorus Rompa >
Coördinator Pedagogiek en Didactiek, Wetenschapsknooppunt Brabant, TiU

‘Wellicht is het voldoende om al handelend gewoon goed onderwijs te maken. Langs pedagogische vragen en met een goed boek onder je arm.’

Jorus Rompa

De vraag naar het mens-zijn van het kind houdt filosofen, pedagogen en opvoeders al eeuwen bezig. Is een kind al een mens of moet het er nog een worden? En wat betekent het antwoord op deze vraag voor wat we in opvoeding en onderwijs doen?

In zijn nieuwe boek Ik ben ook een mens brengt Joop Berding de gedachten van Janusz Korczak, John Dewey en Hannah Arendt daarover voor het voetlicht. Jorus Rompa – pas afgestudeerd in de pedagogiek – bezocht het (door NIVOZ mede-georganiseerde) symposium op 4 februari 2016 op het Rotterdams Vak College De Hef en zette zijn gedachten (en vragen) op papier.


Ik tref bij binnenkomst een gezond gespannen Joop Berding aan, auteur van het boek ‘Ik ben ook een mens’, en werkzaam als docent en onderzoeker bij het Kenniscentrum Talentontwikkeling van Hogeschool Rotterdam. Mooi om te zien dat zo’n zeventig mensen in de zaal zitten. De locatie is treffend gekozen; RVC De Hef in Rotterdam voelt als een vitale school.

De middag wordt geopend door Gijs Verbeek (NIVOZ) die Joop Berding vraagt: ‘Wat heeft een nieuw mens eigenlijk nodig om mens te worden?’

Joop antwoordt dat de door hem gekozen pedagogen daarop een eigen visie hebben.
Janusz Korczak maakte bijvoorbeeld gesprekken tussen kinderen mogelijk door middel van zijn kinderrechtbank. Dat geeft hen de mogelijkheid te ontdekken hoe de verhoudingen liggen, wie de macht heeft en of dat rechtvaardig is. Door de kinderrechtbank kon er gezamenlijk worden teruggekeken, gereflecteerd en in samenspraak met elkaar rechtvaardige beslissingen worden genomen.
John Dewey deed een eeuw geleden baanbrekend werk op het gebied van didactiek, nieuwe werkvormen en samenhang in het curriculum. Hij dacht na over het ‘waarom’ van onderwijs in een voortdurend veranderende samenleving.
En als derde Hannah Arendt, die duidelijk aangeeft dat je in de opvoeding en in het onderwijs altijd bent aangewezen op anderen. ‘Ga daarom op bezoek, vind en zie elkaar, leer van elkaar en ontwikkel een bredere blik’.

Iko Doeland, afdelingsleider op De Hef, leerteambegeleider en docent Masteropleiding Management of Education aan de Hogeschool Utrecht heeft het als tweede spreker over de invulling van vakmanschap op RVC De Hef. ‘De vakman is ook een mens’, merkt Doeland op. ‘Vakmensen brengen kwaliteit in het leven, zodat anderen over dingen na kunnen denken’. En dat klopt! We zijn op deze boekpresentatie ook blij dat we een (verwarmde) ruimte hebben en dat we straks mogen genieten van het eten dat de leerlingen van de cateringafdeling van De Hef voor deze middag hebben voorbereid.

‘Vakmanschap is samenwerken, vakmensen hebben elkaar nodig.’

Doeland citeert vervolgens Richard Sennett: ‘Vakmanschap ontstaat door oefening, oefening en nog eens oefening.’ En met deze woorden introduceert de afdelingsleider het woord ‘vlinderen’ dat op De Hef symbool staat voor het werk dat de leerlingen verzetten om een goede vakman te worden: beginnen, proberen, verfijnen, uitdragen, nog eens proberen, eigen maken, feedback vragen en leren omgaan met kritiek en weerstand. In plaats van de leerling ‘frontaal’ te benaderen, staan docent en leerling in deze benadering meer naast elkaar, samen te kijken naar het werk. Uiteraard komt daarbij ook de leerling en zijn ontwikkeling in beeld, maar de manier waarop werkt erg prettig voor zowel docent als leerlingen. Je kunt denken aan de oude meester-gezel relatie waar het iets van weg heeft.

De passie in zijn verhaal spat er van alle kanten af. ‘Het is voor onze school belangrijk dat leerlingen het gevoel krijgen “Ik heb hier moeite voor moeten doen en het is mij uiteindelijk gelukt”.’ Het is deze pragmatische gedachte van Iko die kenmerkend is voor de school, maar ook voor de drie hoofdpersonen in het boek van Joop. Iko Doeland zet hier volgens mij een prachtige fenomenologische notie neer: via de mens ontwikkelen we ons immers ook als pedagogische vakmensen.

Na dit energieke verhaal spreekt Cok Bakker, lector normatieve professionalisering aan de Hogeschool Utrecht over de teloorgang van de wijsgerige pedagogiek. Hij stelt hardop de vraag waar je jezelf nog kunt verdiepen in dit soort (pedagogische) vraagstukken, die Joop Berding met zijn boek opwerpt.

Er zitten – toevallig of niet – drie wijsgerige pedagogen in de zaal en ik vraag en plein public waar ik met dit vak dan nog aan het werk kan. Het antwoord ‘dat kan toch overal’ brengt bij mij een innerlijke dialoog op gang.

Is het mogelijk om wijsgerige pedagogische vragen naar de praktijk te halen?

Volgens mij wel! Dat is pedagogiek tenslotte: vragen stellen aan en over je handelen en daar iets mee doen. Het is immers praktische filosofie. Maar is het wel zo vanzelfsprekend dat die (wijsgerige) pedagogische vraagstukken worden gesteld in de praktijk? Kan er van een beroepsgroep worden verwacht dat ieder individu dit soort (wijsgerige) vragen kan en durft te stellen? Over wat je kunt doen, wat je mag hopen, waar je mee bezig bent en hoe je dit vormgeeft in een dagelijkse beroepspraktijk? We zijn immers mensen-mensen toch? Dat hoop ik in ieder geval.

Maar moeten we deze vragen wel willen stellen in de dagelijkse praktijk? Is daar (een veilige!) ruimte voor? Zijn dat ook niet de kernvragen die Joop met zijn nieuwe boek ‘Ik ben ook een mens’ vitaal en actueel maakt?

Misschien is het ook niet altijd nodig om goed onderwijs altijd maar te willen ‘ont’ wikkelen, het te willen vangen in een curriculum, een methode, kerndoelen of zware gesprekken over het doel van ons onderwijs.

Wellicht is het voldoende om al handelend gewoon goed onderwijs te maken. Als de vakman die je bent en al vlinderend zal blijven. Niet alleen met jezelf, maar vooral ook met je medemens. Met af en toe zo’n goed boek onder de arm voor een mooi gesprek over ons – als mensen – met vragen, kwaliteiten, zwaktes en interesses. Als daar een (veilige) ruimte voor wordt gemaakt zou ons dat een hoop moeite besparen. Letterlijk.

 

Nu naar de laatste spreker van de avond: Tanja Jadnanansing, PvdA Tweede Kamer-lid. Wat een vrouw; daar ga ik op stemmen echt waar. ‘Het leven is verheugen’ zegt Tanja, ‘en dat is wat er gebeurt als ik die koppies weer zie in mijn klas’. Want ja, Tanja geeft ook les (maatschappijleer) op het VMBO. Voor haar de normaalste zaak van de wereld. Ze citeert een machtige quote van één van haar leerlingen:

‘Juf, ik wil wel meedoen met dit gesprek, maar ik heb de woorden niet’.

En laat daar nu net de synthese zitten voor dit artikel. Het was namelijk Cok Bakker die in 2013 zei:

Het startpunt voor professionalisering ligt in de persoonlijke en vervolgens ook de professionele biografie van de (aankomend) leraar. Het begint bij het oefenen in reflectie op de levensbeschouwelijke dimensie van – in het geval van het onderwijs – de pedagogische opdracht, en het voeren van intercollegiale, levensbeschouwelijk gesprekken daarover. Dat zijn moeilijke gesprekken, veelal juist ook door het ontbreken van een goed vocabulaire. (Bakker, 2013, p. 53)

Het gaat dus niet alleen over moeilijke gesprekken en een goed vocabulaire, maar ook over aandacht, oefening en dus ook over vakmanschap. Al deze elementen wisten Joop Berding en het NIVOZ voor ons samen te brengen op dit symposium. De man die ons met zijn nieuwe boek en essentiële vragen inspireert tijdens deze boekpresentatie en daarna. Ik kreeg deze middag, en bij het lezen van zijn nieuwe boek weer hoop van Joop, en ben hem daar dankbaar voor.

Literatuur:

Bakker, C. (2013). Het goede leren. Het leraarschap als normatieve professie (lectorale rede, Hogeschool Utrecht). Utrecht: Hogeschool Utrecht/Universiteit Utrecht.

Berding, J. (2016). Ik ben ook een mens. Opvoeding en onderwijs aan de hand van Korczak, Dewey en Arendt. Culemborg: Uitgeverij Phronese.

Wij bekijken iedere reactie. U hoort binnen drie dagen of we het bericht plaatsen.

annuleer