Kracht en invloed van de docent in het vso

09 nov 2015 · door Peter Bossong >
mentor voortgezet special onderwijs

De kracht en invloed van de docent in het vso

Peter Bossong

Aanleiding en context

Het onderwijs in Nederland verandert sinds 2010 in sneltreinvaart. Deze veranderingen zijn voelbaar binnen het gehele onderwijsstelsel en dus ook binnen het Voortgezet Speciaal Onderwijs (vso).

Op De Korenaer te Eindhoven, een vso school voor kinderen met gedragsproblemen, werkt het onderwijzend personeel aan veranderingen in het pedagogisch handelen met leerlingen. Deze veranderingen zijn ingegeven vanuit de wens duidelijker verantwoording af te leggen over de opbrengsten van het onderwijs. Het vanuit opbrengstgericht handelen tijdens het lesgeven vraagt om andere kwaliteiten en inzichten bij docenten. Het is niet iedereen zomaar gegeven, om deze kennis paraat te hebben en er ook iets mee te willen en te kunnen. In dit artikel geef ik inzicht in de situatie, zoals die bij mij op school ontstond en hoe ik vanuit mijn studie, de master Leren en Innoveren deze veranderingen duid en begrijp. Voordat ik hierop inga, schets ik eerst de situatie op De Korenaer, voorafgaand aan de veranderingen.

De Korenaer vóór de veranderingen

Het beoogde doel van De Korenaer is leerlingen didactisch en pedagogisch begeleiden, door middel van individueel aangepaste leerarrangementen, die in de behoefte van de leerling voorzien. Er wordt met andere woorden op De Korenaer vanuit een divergente aanpak gewerkt in tegenstelling tot een convergente aanpak, oftewel gemeenschappelijk klassikaal onderwijs. Deze aanpak heeft zijn oorsprong aan het begin van 1900, toen de eerste scholen werden opgericht voor kinderen met individuele en intensievere begeleidingsbehoeften.

Door de jaren heen is er eigenlijk nauwelijks iets veranderd aan het divergent aanbieden van onderwijs. Het kind stond centraal en het aanbod moest worden aangepast aan het kind. Daarbij komt dat docenten deze manier ook als zeer prettig ervaren en erg betrokken zijn bij het leerproces van het individuele kind. De docent maakt per leerling een individuele planning, om zo elk kind de ondersteuning te geven die het nodig heeft. Volgens veel docenten moet je eerst een band met het kind krijgen, om vervolgens met de problematiek te kunnen werken en onderwijs bieden is een middel om dit te kunnen bereiken. Onderwijs is daarmee feitelijk ondergeschikt geworden aan de problematiek van het kind. En zo zou het ook moeten blijven volgens velen, die binnen dit soort van onderwijs werken.

Welke factoren spelen een rol bij de kwaliteit van lesgeven en welke invloed hebben zij op de interactie tussen docent en leerling? Ik beschouw de situatie op De Korenaer vanuit vier perspectieven:

  • didactisch gedrag,
  • pedagogisch gedrag,
  • feedback op didactisch- en pedagogisch gebied en
  • de gecombineerde invloed van deze gedragingen.

Ik ben op de volgende wijze aan de slag gegaan met de veranderingen binnen mijn eigen school: door veel in gesprek te gaan met mijn collega’s en ervaringen uit te wisselen, er achter zien te komen welke obstakels men ervaart en welke invloed deze hebben op het gedrag van de docent.

Didactisch gedrag

De wijze van handelen door docenten en schoolbestuur wordt de laatste jaren flink onderworpen aan wederzijdse reflectie.
Volgens Tynjälä (2008) handelt een docent voornamelijk op basis van zijn praktijkkennis en nadrukkelijke kennis van het situatief handelen. Eigen overtuigingen en ideaalbeelden vormen dus een belangrijk onderdeel van de praktijkkennis en geven inzicht in het gedrag en achterliggende drijfveer. Daarnaast neemt men bewust en onbewust zaken over uit interactie-ervaringen tijdens de opvoeding en school- en werkjaren. Mathijsen (2006) noemt dit ook wel ‘les-overstijgende denkbeelden van het eigen handelen van een docent.’ Een andere drijfveer is het beeld dat de docent heeft van de leerlingen. Vaak onderschat de docent de voorkennis van leerlingen. Het is daarbij bovendien een misvatting er vanuit te gaan dat leerlingen altijd iets oppikken van de gegeven lesstof (Sewell, 2002).

Pedagogisch gedrag

Timothy Leary deed onderzoek naar het gedrag van docenten in 1957. De uitkomsten van dit onderzoek zijn ook bekend als de Roos van Leary. Hij ging ervan uit dat vier soorten gedrag als het ware de wortels vormden binnen de communicatie tussen individuen. Dus kort gezegd, vertoont elke docent of leerling volgens zijn bevindingen, verschillend gedrag en heeft een eigen manier van ‘interpersoonlijk gedrag’ of communiceren met elkaar. Brekelmans (2010) brengt gedrag tezamen binnen twee dimensies, te weten: de invloedsdimensie en de nabijheidsdimensie.

Met invloedsdimensie wordt bedoeld de mate waarin een docent bepaalt wat er in de klas gebeurt: neem jij als docent duidelijk de leiding op je of geef je veel meer de ruimte aan leerlingen?
Goede docenten blijken de kaders te bepalen waarbinnen wordt gewerkt in de klas en leerlingen mogen in overleg met de docent invulling hieraan geven. Daarnaast kan de docent onderlinge samenwerking en saamhorigheid stimuleren, door de leerlingen te laten werken in groepjes. De ervaring binnen het vso leert dat als de docent leiding geeft op een manier dat hij voornamelijk bepaalt wat er gebeurt in de klas, dit vaak tot veel weerstand leidt bij leerlingen met gedragsproblemen, zij hebben immers vaak moeite met autoriteit.

De nabijheidsdimensie is van bijzonder belang binnen het vso, omdat de relatie tussen de docent en de leerlingen een voorwaarde is om tot gedegen lesgeven te komen. Dahlsgaard, Peterson en Seligman (2005) beamen het feit dat bepaalde gedragingen als vriendelijkheid, genereus zijn, liefdevol en geliefd zijn, persoonlijk sterke kanten zijn van een docent. De verschillende soorten gedragingen en manieren van communiceren zijn van invloed op de ontwikkeling, de manier van leren, het gedrag van een leerling, het groepsproces en het leerklimaat binnen een groep (Wubbels, Brekelmans, den Brok & van Tartwijk, 2006). Allington (2005) schreef eerder: “Risicoleerlingen of leerlingen met gedragsproblemen kunnen het zeker zo goed doen bij een goede docent, dan dat een gemiddelde leerling het doet bij een zwakke docent.

Binnen het vso staat de docent dicht op het leerproces van de leerlingen en heeft hierdoor vaak ook een hechte band met hen. Zo onderhoudt de docent contact met betrokken ouders, opvoeders en hulpverleners voor het maken en onderhouden van een individueel studietraject en bijbehorende doelstellingen op het gebied van leren en sociaal-emotionele ontwikkeling.

Belang van feedback bij didactisch en pedagogisch docentgedrag

Het geven van feedback is een belangrijk onderdeel binnen het onderwijs. In feedback wordt vaak gewezen op de inhoud van de informatie en het beoogde doel van de feedback-gever (De Ridder et al, 2008) en de reactie van de lerende ten opzichte van de feedback-gever (Shute, 2008). De interactie tussen leerling en docent staat centraal bij feedback.

Binnen De Korenaer besteden de docenten veel tijd aan het opbouwen van een vertrouwensrelatie met de leerlingen. Dit proces vindt vooral plaats tijdens de eerste periode van school, tot aan de herfstvakantie. In deze periode vinden er veel gesprekken plaats met leerlingen en ouders. Ook in de klas wordt veel aandacht besteed aan individuele- en groepsprocessen zoals: de omgang met elkaar, samenwerken, verantwoordelijkheid nemen en het uiten van emoties en gevoelens. De docent laat tijdens deze processen zien en merken, dat hij de aangewezen persoon is om de leerlingen te helpen bij hun ontwikkeling.

Bos en Voerman (2010) spreken over twee zaken, die belangrijk zijn bij het geven van feedback. In de eerste plaats moet er sprake zijn van wederzijds vertrouwen binnen een sfeer van openheid. Ten tweede dient de docent te checken hoe de feedback bij de leerling aankomt.

De docenten van De Korenaer zijn sinds schooljaar 2014/2015 hiermee aan de slag gegaan. Ouders worden meer betrokken bij het ontwikkelingsperspectief van hun kinderen en de kinderen zelf worden uitgenodigd verantwoordelijkheid te nemen voor hun eigen ontwikkeling (inrichten en invulling van hun studie) en functioneren binnen de groep.

Voor de docenten is dit nog lastig, want zij delen nu dus de verantwoordelijkheid voor de ontwikkeling met de betreffende leerlingen. Dit heeft als gevolg dat zij meer zullen moeten toeleven naar de rol van de coach. Dit brengt als het goed is met zich mee dat een leerling harder gaat werken en niet meer gaat voor een minimaal resultaat, maar voor een goed resultaat. Doordat de leerling zich meer serieus genomen voelt, komt hij of zij ook sterker in z’n schoenen te staan. Bij De Korenaer zijn deze veranderingsprocessen vooral zichtbaar binnen de bovenbouwgroepen van de school. De docenten van deze midden- en eindgroepen vmbo-t werken al voor een deel met deze aanpak. Men ervaart een actieve en betrokken houding van de leerlingen, zowel op het gebied van sociale- als cognitieve vaardigheden. Het resultaat hiervan is dat de leerling serieuzer met zijn studie bezig is.

Invloed van gedrag op ontwikkeling

Zowel Deci en Ryan (1987), als Wubbels, Woolfolk-Hoy en Weinstein (2006) benadrukken, dat het bij lesgeven voornamelijk gaat om pedagogische ontwikkelingsprocessen, oftewel de interpersoonlijke relatie tussen docent en leerlingen. Van Petegem (2007) beaamt dat schoolresultaten en de interactie tussen docent en leerlingen nauw met elkaar zijn verbonden en elkaar beïnvloeden.

Het onderwijspersoneel op De Korenaer merkt, dat als er een goede relatie is tussen henzelf en de leerlingen er een prettige sfeer hangt binnen de klas en de school. Leerlingen komen tot betere prestaties, zowel kwalitatief als kwantitatief.

Mede daarom is het van belang dat docenten de interactie tussen hen en de leerlingen kunnen herkennen, erkennen, verbeteren en ontwikkelen. Het is ook van belang dat de leerlingen zelf betekenis geven aan hun ervaringen met een docent, om zo meer inzicht te krijgen in hun ontwikkelingsproces en wat het hen uiteindelijk kan opleveren. De docenten binnen De Korenaer trachten leerlingen duidelijk te maken, dat het van belang is dat zij zelf bepalen, waar en wanneer zij hulp van de docent nodig hebben. Voorwaarde is dat men heeft nagedacht over de hulpvraag en of deze goed geformuleerd is.

Implementatie van veranderingen

Binnen De Korenaer is men actief bezig om de zojuist behandelde veranderingen ten uitvoer te brengen. Dit is echter niet zo eenvoudig als aanvankelijk werd gedacht. Met name de nieuwe manier van lesgeven, waarbij de leerlingen meer ruimte krijgen de eigen verantwoordelijkheid te nemen en mederegisseur te worden van hun eigen ontwikkeling, valt niet makkelijk. Oude gewoontes en opvattingen over onderwijs blijken moeilijk los te laten, wat het delen van de regie met leerlingen bemoeilijkt.

Op De Korenaer anticiperen wij hierop door bijeenkomsten te houden, waarin presentaties worden gegeven over hoe nu deze vernieuwingen in te voeren. Daarnaast wordt er ook bij elkaar in de lessen gekeken en er worden filmopnames gemaakt. Aan de hand hiervan worden aandachtspunten behandeld en tips gegeven, die de betreffende docent houvast kunnen bieden om de nieuwe ontwikkelingen makkelijker op te pakken.

De Intern Begeleiders bezoeken met regelmaat een klas, waardoor zij kunnen ervaren hoe er wordt lesgegeven en waar nog ruimte is voor verbeteringen. Zoals gezegd komt het er bij alle veranderingen op neer dat er sprake is van een omschakeling van divergent naar convergent werken in de groep. Dat betekent dat klassikale instructie, oftewel convergent werken, meer en meer in beeld komt, zodat de leerlingen ook de interactie met elkaar leren aangaan en leren samenwerken.

Door de investeringen in de aanpassing van divergent naar convergent werken en het aandragen van ideeën, is nu geleidelijk een mentaliteitsverandering waar te nemen onder de docenten. Men begint in te zien dat niet alle vernieuwingen slecht zijn. Door regelmatige bijeenkomsten en het vooral samen aanpakken van kwesties, vindt men gehoor bij elkaar en is men bereid naar elkaar te luisteren.

Conclusie

Een docent die op een persoonlijke manier kan omgaan met leerlingen en daarin aan hun wensen en behoeften tegemoet komt, zal de interactie met de leerling sterk verbeteren. Het kind blijft centraal staan binnen het vso-onderwijs, maar moet tegelijkertijd mederegisseur kunnen worden van zijn onderwijs- en ontwikkelbehoeftes. Om dit ‘mederegisseurschap’ vloeiend te laten verlopen, is het belangrijk dat de docent feedback geeft op een dusdanige manier dat de informatie aansluit bij het ontwikkelingsniveau en de emotionele behoefte, zodat er een veilige ontwikkelingsruimte kan ontstaan voor de leerling (Hattie & Timperley, 2007).

Natuurlijk is het ook van belang dat de docent zelf ook feedback kan ontvangen en deze kan omzetten in gewenste handelingen. Vernieuwingen zijn niet per definitie en meteen een verbetering van de bestaande cultuur, maar kunnen wel een verrijking zijn om bestaande vormen zo aan te passen en te verbeteren dat deze meer van deze tijd zijn.

Hoewel er nog een lange weg is te gaan, proberen wij zo de vernieuwingen een kans te geven.

Download: Kracht_Invloed_Docent_VSO__Literatuur_def

Wij bekijken iedere reactie. U hoort binnen drie dagen of we het bericht plaatsen.

annuleer