Kinderrechten in de kinderopvang

01 feb 2015 · door Olga Middendorp >
Pedagoog, Kindersociologie & Kinderrechten

Van de redactie: Deze opiniërende en verdiepende bijdrage geeft een kijkje in de keuken van de kinderopvang. De praktijk en wettelijke kaders hiervoor worden tegen het licht van de Kinderrechten gehouden door een betrokkene, werkzaam in de kinderopvang. Een kritische analyse wordt aangevuld met een pleidooi voor de herwaardering en actieve uitvoering van de pedagogische verantwoordelijkheid van ouders, betrokkenen uit het werkveld en beleidsmakers. Als zodanig is deze bijdrage van toegevoegde waarde voor deze drie betrokkenen. Leest u mee?

Leestijd: 20 min.

 

Kinderrechten in de kinderopvang

Olga Middendorp

Inleiding

De belangen van kinderen vormen niet het eerste uitgangspunt binnen het kinderopvangbeleid van Nederland. Kinderopvang is in Nederland eerst en vooral een instrument om ouders de gelegenheid te geven te kunnen werken. Dat is de doelstelling van de overheid. Daarmee is dit beleid in strijd met Artikel 3 van het Internationale Verdrag Inzake de Rechten van het Kind (IVRK): 

Het belang van het kind moet voorop staan bij alle maatregelen die kinderen aangaan. De overheid moet het welzijn van alle kinderen bevorderen en houdt toezicht op alle voorzieningen voor de zorg en bescherming van kinderen.

Mijn naam is Olga Middendorp, ik ben pedagoog, afgestudeerd in de master kindersociologie en kinderrechten (UCL, Institute of Education) en werk sinds 2007 in de kinderopvang. Op 6 maart 2014 kreeg ik de gelegenheid de Kinderombudsman Marc Dullaert kort voor te lichten over de dagelijkse praktijk in de kinderopvang. In dit verdiepend opiniestuk, zet ik verder uiteen waarom de Nederlandse kinderopvang in zijn huidige vorm ten koste gaat van onze meest kwetsbare en minst mondige medemensen. Door misstanden in de kinderopvang naar buiten te brengen wil ik een lans breken voor het vak van de pedagogisch medewerker in de kinderopvang. Dat zou namelijk een geweldig beroep moeten zijn.

Het is mijn ervaring dat de Wet Kinderopvang (WKO 2005) mij in min of meerdere mate dwingt om niet consequent in het belang van de kinderen te handelen, hoezeer mijn collega’s en ik ook ons best doen. Dat heeft alles te maken met de (wettelijke) basisvoorwaarden: er moeten teveel kinderen worden opgevangen, met te weinig begeleiding, vanaf een te jonge leeftijd en dat ook nog voor te lange dagen. Daarom is mijn centrale vraag:

Wat kunnen en moeten wij verbeteren om recht te doen aan jonge kinderen – tussen zes weken en vier jaar oud – in de kinderopvang?

Een praktijk van haastige spoed

Maar goed, de praktijk. Hoe wordt een opvang-dag geacht georganiseerd te worden? “Dagopvang is bedoeld voor kinderen vanaf 6 weken, totdat ze naar de basisschool gaan. De kinderen kunnen het hele jaar worden opgevangen, 1 of meer dagdelen per week. U kunt uw kind al aanmelden voordat het is geboren” is te lezen op www.rijksoverheid.nl. In een stamgroep met twaalf kinderen mogen wettelijk gezien bijvoorbeeld vijf kinderen van nul jaar, drie kinderen van een jaar, twee kinderen van twee jaar en twee kinderen van drie jaar met twee leidsters worden opgevangen (voor wettelijk toegestane groepssamenstellingen, zie: 1ratio.nl). Zo geeft de wet ook aan dat je – bij tenminste tien aaneengesloten uren opvang per dag – op bepaalde momenten van de dag met slechts één beroepskracht op een groep met twaalf kinderen mag staan: de uren vóór 9:30, in de (pauze)periode van 12:30 tot 15:00 en de uren ná 16:30 (WKO, 2005).

Dat is een heel opmerkelijke keuze. De ochtend en de namiddag zijn niet alleen de meest hectische momenten van de dag, het zijn ook de belangrijkste. Dit zijn namelijk de momenten waarop je met de ouders informatie kunt uitwisselen over hun kind. Dat zorgt er niet alleen voor dat kinderen zich welkom voelen, maar helpt leidsters ook om gedurende de dag beter rekening te kunnen houden met de behoeften van ieder kind. Bij de overdracht van baby’s is het niet alleen belangrijk hoe zij zich voelen, maar wil ik ook graag weten of zij goed hebben geslapen, wanneer de eerste voeding is geweest en of er verdere bijzonderheden zijn. Van cruciaal belang dus.

Hetzelfde geldt voor de pauze en het eind van de middag. Ook dan sta ik vaak als crècheleidster alléén op de groep. Vaak is dat niet toereikend. Tijdens de pauze zijn de baby’s meestal wakker. Er zijn dan baby’s die voeding en aandacht nodig hebben en misschien ook even naar buiten willen of juist weer naar bed gebracht moeten worden. Aan het eind van de dag is het tot slot nog een hele kunst om plezier te behouden in een groep kinderen die moe zijn van het spelen en alle indrukken van de dag.

Natuurlijk zijn er ook dagen dat het allemaal net wél goed gaat. Meestal komen ouders niet allemaal tegelijk om acht uur s’ochtends binnen en komen zij niet allemaal hun kinderen om vijf voor zes halen. Maar dit gegeven maakt het in mijn ogen niet minder onverantwoord dat de Wet Kinderopvang ruimte geeft om zoveel jonge kinderen, die afhankelijk zijn van intensieve zorg, over te laten aan dit soort toevalligheden.

Zeker als je je bedenkt dat er meer momenten zijn waarop die zorg voor de kinderen er makkelijk bij in kan schieten. Zo moeten wij als crècheleidsters niet alleen allerlei nevenactiviteiten verrichten – denk aan eten voorbereiden, opruimen, schoonmaken, teambesprekingen, verzorgingslijsten bijhouden, activiteiten voorbereiden, verslaglegging van de ontwikkeling van de kinderen etc. – maar komen er ook regelmatig ouders op gesprek om te praten over hun kind of om te kijken of het kinderdagverblijf geschikt is voor hun aanstaande baby. Om ouders te woord te kunnen staan moeten wij strak plannen. Als ik een gesprek heb met ouders kan dit bijvoorbeeld betekenen dat op een dag twaalf kinderen in een half uur ‘klaar’ moeten zijn om naar buiten te gaan. Dat is een race tegen de klok: omgerekend ongeveer tweeënhalve minuut verzorgingstijd per kind.

Dat deze druk überhaupt op mijn werk en daarmee op de kinderen wordt uitgeoefend maakt mij daarom boos. Het gaat hier om tijd waarin een kind een schone luier krijgt, naar de wc gaat, jas en schoenen aankrijgt of juist naar bed wordt gebracht. Deze handelingen zijn bij uitstek momenten waarop je sensitieve zorg wilt bieden. Als hier wel tijd voor is kan er een hechte band en samenwerking met een kind ontstaan door contact te maken, woorden met elkaar uit te wisselen, gehoor te geven aan hun behoeften etc. Niet minder belangrijk is dat dit een ontspannen en plezierig moment samen kan zijn, waarbij kinderen het gevoel krijgen dat er ook naar hen wordt geluisterd en zij de moeite waard zijn.

Tijd die het kind gegund wordt om te wennen

Na het eerste kennismakingsgesprek komen kinderen wennen op een groep. ‘Wennen’ wil zeggen dat ouder en kind samen op de groep meekijken en meedoen. Een proces dat de crècheleidster tussen alle normale bezigheden door moet begeleiden. De tijd die kinderdagverblijven inplannen om een kind te laten wennen is gemiddeld één tot vier dagen. Dat is heel erg weinig.

Leren wennen in een compleet nieuwe omgeving met allemaal nieuwe mensen, is hoe je het wendt of keert spannend. Die spanning kan een crècheleidster, zeker in het begin, niet makkelijk verminderen omdat je na de korte wen-dagen nog niet aanvoelt als een vertrouwd persoon. En zelfs als kinderen al gewend zijn ervaren zij in opvang meer stress dan thuis. Het cortisol gehalte – het hormoon dat bij mensen gerelateerd is aan stress – is bij kinderen in de kinderopvang hoger dan thuis (Groeneveld, Vermeer, Van Ijzendoorn & Linting, 2010). Het ochtend cortisol bij baby’s is in de kinderopvang zelfs sterk verhoogd ten opzichte van thuis (Albers, 2011). En dit is van belang omdat bekend is dat chronische stress de weerstand van het immuunsysteem verlaagt (Groeneveld, Vermeer, Van Ijzendoorn & Granger, 2012).

Toch blijft men deze absurd korte wen-periode met quasi argumenten verdedigen: ‘een kind is heel veerkrachtig’ of ‘hij is toch te jong om zich iets te beseffen of te herinneren’. Het is een ‘kindistische’ misvatting dat kinderen veerkrachtig zijn of te jong om zich iets te herinneren. Veerkracht ontstaat immers door liefdevolle zorg. En het kinderlichaam ‘vergeet’ niet – zoals vroegere of latere psychische en gezondheidsproblemen laten zien. Young-Bruehl definieert kindisme dan ook als:

een vooroordeel tegen kinderen op grond van de overtuiging dat zij bezit zijn, en kunnen (of zelfs moeten) worden beheerst, onderworpen of onzichtbaar gemaakt om de behoeftes van volwassenen te dienen (Willems, 2012).

Los dus van het feit dat deze argumenten dus niet kloppen, verbaas ik me hoe men zo met twee maten kan meten. Bedenk alleen al hoe lang een volwassene bijvoorbeeld nodig heeft om zich vertrouwd te voelen binnen een nieuwe baan. Waarom zou dit anders zijn voor een kind?

Ouders voelen dit vaak ook. Ik merk dat veel van hen zich vaak nog lange tijd zorgen maken terwijl ze aan het werk zijn. Maar werkgevers van ouders hebben hier meestal geen boodschap aan. Het is immers wettelijk geregeld dat ouders 52 weken per jaar, tien uur (bij sommige kinderdagverblijven 11 uur of langer) per dag hun kind ‘kwijt’ kunnen. En omdat het wettelijk is geregeld, vragen we ons misschien minder snel af of dit goed is voor kinderen. Men gaat er vanuit dat hetgeen wordt aangeboden, goed is. Maar is het niet raar dat de overheid de volwassen werknemer beschermt met een standaard-arbeidsovereenkomst van acht uur per dag terwijl de Wet Kinderopvang faciliteert dat de jongste kinderen opvangdagen kunnen maken die twee à drie uur langer duren dan een volwassen-werkdag en wel voor 52 weken per jaar? Is dit wat de overheid verstaat onder ‘verantwoorde kinderopvang’?

Als een kind na één tot vier dagen formeel gewend is, dan begint het wennen op de groep pas echt. Niet alleen voor het nieuwe kind, maar ook voor de andere kinderen in de groep. Zoals kinderarts en pedagoog Janusz Korczak de opvoedingskunst beschrijft:

Een kind heeft een eigen grote en belangrijke wereld. Twee kinderen hebben drie grote werelden. Drie kinderen, dat is niet één plus één plus één. Dat is veel meer: het eerste én het tweede kind, het eerste én het derde kind, het tweede én het derde kind en alle drie samen. Zeven grote werelden. Antipathie, vriendschap, vechtpartij, welwillendheid, blijdschap, verdriet. Reken zelf uit over hoeveel werelden 12 kinderen beschikken. Vele werelden en moeilijke werelden, vol doornen en distels. Alleen, zonder de hulp van het kind kun je ze niet (be)vatten. (1938, p. 196 in ‘Het recht van het kind op respect’)

Ik heb dan ook ervaren dat het minimaal een maand duurt voordat een groep een nieuw evenwicht kan vinden en wij als crècheleidsters ook de behoeften van deze nieuwe persoon precies kennen. Het lastige daarbij is ook dat er geen vaste wenmomenten zijn voor nieuwe kinderen; ze kunnen gedurende het hele jaar binnenstromen, ook met meerdere kinderen tegelijk. Dat geeft veel onrust.

Belang van stamgroepen

Dat het vinden van een nieuw evenwicht in een groep zo lang duurt, laat duidelijk zien hoe belangrijk die vaste groepen – ook wel stamgroepen – zijn voor kinderen. Ze bieden houvast. Ze worden echt een tweede thuis: hier ontstaan vriendschappen en leren kinderen vertrouwen dat ook andere volwassenen voor hen zullen zorgen. Helaas komt de stamgroep steeds meer onder druk te staan doordat de overheid aanstuurt op bezuinigingen en op meer flexibilisering in de kinderopvang. Aldus minister Asscher:

De opvang stelt ouders in staat om hun werk te combineren met de zorg voor hun kinderen. (…) Ik zie dat er steeds meer wordt ingespeeld op de wensen van ouders, bijvoorbeeld door meer flexibele contracten aan te bieden. Dat vind ik een positieve ontwikkeling, want daaraan hebben ouders enorm veel behoefte (Tweede Kamer, vergaderjaar 2013–2014, 31 322, nr. 240. Verslag van een algemeen overleg, p. 19).

Maar zijn hiermee ook de belangen en behoeften van kinderen gediend?

Belang van ouderbetrokkenheid

Nadat ik eenmaal op een onprettige manier wat extra tijd gecreëerd heb voor een gesprek met de ouders, dan ben ik vaak nog niet tevreden. Want los van het feit dat ik nooit ontspannen zit omdat ik weet dat mijn collega alles in haar eentje moet doen, vind ik dat er veel te weinig tijd is voor de ouders. Het komt erop neer dat we in ongeveer tien minuten een gesprek moeten voeren over de verzorging van het kind dat zij enkele volle dagen per week aan ons (gaan) toevertrouwen. Iets meer dan ‘hoi’ en ‘doei’ is het dan vaak niet.

En dat is echt heel erg jammer, want zo’n gesprek kan heel waardevol zijn. Als een moeder mij bijvoorbeeld vertelt dat zij drie nachtdiensten achter elkaar moet werken en haar zoontje dus drie dagen niet kan zien, begrijp ik veel beter waarom haar zoontje zo druk is bij ons: hij mist zijn moeder. En zo zijn er meer voorbeelden te noemen: ouders die aan het scheiden zijn, verhuizingen, familiegeschiedenissen. Het heeft allemaal invloed op een kind en het geeft ons inzicht in de manier waarop ouders met hun kinderen omgaan en hoe wij hier weer op de groep mee kunnen omgaan.

Andere geluiden uit het werkveld

Nu zou u kunnen denken dat ik de enige ben die kritisch tegenover bepaalde aspecten van mijn werk staat. Niets is minder waar. Zo heeft de directrice van het kinderdagverblijf waar ik werkte haar eigen kinderen bijvoorbeeld pas vanaf negen maanden naar de crèche gebracht. Als ouders bij dat kinderdagverblijf vragen wat het beste is voor hun jonge baby, wordt geadviseerd een baby thuis te verzorgen, en met kinderopvang te beginnen als hij of zij weerbaarder is en zelf interesse krijgt om contact te maken met andere kinderen.

Waarom biedt dit kinderdagverblijf dan toch opvang aan baby’s? Dat is een overlevingsstrategie. Als je als kinderdagverblijf niks biedt bij drie maanden (of eerder) dan gaan kinderen naar een andere crèche waar ze wél hele jonge baby’s aannemen en mis je als bedrijf de boot.

Ook steeds meer collega’s die ik spreek zeggen dat ze de zorg die zij kunnen bieden in de opvang onvoldoende vinden, met name voor de baby’s. Een collega omschreef het als volgt:

Je moet leren dat je niet altijd direct kan reageren als een baby huilt. Je kan nu eenmaal niet alles tegelijk en soms betekent dit dat kinderen moeten wachten, ook als ze nog niet beseffen wat wachten is. Je doet dit werk voor de kleine mooie momentjes met de kinderen, die koester ik.

Vooral collega’s die net zelf moeder zijn geworden worstelen met dit gevoel van tekort schieten en besluiten steeds vaker hun eigen baby gedurende de eerste maanden niet naar de crèche te brengen.

Conclusie: Kinderopvang is veel meer dan een opvangplek

Een jongen van mijn groep zei altijd: “Het lijkt hier wel een voorstelling.” Ik wil samen met de kinderen en mijn collega’s een mooie voorstelling maken. Daarom pleit ik ervoor om met alle betrokkenen de Wet Kinderopvang zo te herschrijven dat kinderen de ruimte krijgen tot hun recht te kunnen komen.

Zoals ik heb laten zien ligt er naar mijn idee veel te weinig nadruk op het vervullen van de behoeften, belangen en wensen van kinderen in de kinderopvang. Hierdoor is de kinderopvang in Nederland allereerst in strijd met Artikel 3 van het IVRK. Dit blijkt zowel uit de redenen op basis waarvan de overheid investeert in kinderopvang en hoe dit bij wet is geregeld, als uit de beperkte ruimte die er is om het vak van pedagogisch medewerker vorm te geven. Dit zegt jammer genoeg alles over de manier waarop de Wet Kinderopvang tegen jonge kinderen aankijkt; niet als gelijkwaardige mensen die met respect behandeld dienen te worden en bovendien rechten hebben, maar als ‘ontwikkelingsproducten’ in een markt.

Om in de praktijk in het belang van het kind te kunnen handelen zijn er samengevat tenminste de volgende veranderingen nodig:

  • minder kinderen per leidster;
  • regelmatige en gereduceerde opvangtijden;
  • een langere wenperiode;
  • tijd en ruimte voor de samenwerking met de ouders en de nevenactiviteiten van het pedagogisch team; en
  • een ruimer ouderschapsverlof.

Kinderen de ruimte geven tot hun recht te kunnen komen vraagt samen met deze wettelijke veranderingen om een sterke samenwerking tussen ouders en pedagogen. Wij moeten met elkaar gaan staan voor onze pedagogische verantwoordelijkheid, deze ruimte heroveren en de dialoog openen over wat wij belangrijk vinden voor kinderen en in dit proces ‘onze’ kinderen betrekken.

Ik geloof dat wanneer wij kinderopvang niet langer zien als een voorziening, maar als onze eigen leefwereld waarin wij – kinderen, ouders en pedagogen – onze wensen en behoeften kunnen vervullen, wij er een fantastische voorstelling van kunnen maken, vol met vrij acteerspel.

 

Literatuur (naar niet alle hier genoemde literatuur wordt in deze bijdrage verwezen, in dat geval is het voor mij algemene inspiratie geweest) 

Albers, E. (2010). The Challenges of Child Care for Very Young Infants. Thesis, University of Nijmegen.

Alderson, P. (2008). Young Children’s Rights. Exploring beliefs, principles and practice. Jessica Kingsley Publisher: London.

Groeneveld, M.G., Vermeer, H.J., Van IJzendoorn, M.H., & Linting, M. (2010). Children’s wellbeing and cortisol levels in home-based and center-based childcare. Early Childhood Research Quarterly, 25, 502-514.

Internationaal Verdrag Inzake de Rechten van het Kind

Korczak, J. (1938). Het recht van het kind op respect. SWP: Amsterdam

Lloyd, E. & Penn, H. (2012). Childcare Markets. Can they deliver an equitable service? The Policy Press: Bristol.

Mayall, B. (2000) Sociology of childhood in relation to children’s rights. The International Journal of Children’s Rights, 8, 243-259.

Mayall, B. (2002). The moral status of childhood, in: Towards a Sociology for Childhood: Thinking from children’s lives. p. 87-111. Open University Press: Buckingham.

Vermeer, H.J., Van IJzendoorn, M.H., Groeneveld, M.G., & Granger, D.A. (2012). Downregulation of the immune system in low-quality child care: The case of Secretory Immunoglobulin A (SIgA) in toddlers. Physiology & Behaviour, 105, 161-167.

Willems, J.C.M. (2012). Kindisme en anti-kindisme na Korczak: Kinderrechten tussen vooroordeel en SMECC-model. Jaarboek 2012, Janusz Korczak Stichting, Amsterdam

Young-Bruehl, E. (2012). Childism: Confronting Prejudice Against Children. Yale University Press, New Haven & London.

Reacties

Wij bekijken iedere reactie. U hoort binnen drie dagen of we het bericht plaatsen.

annuleer