Het poëtisch argument: dialoog als voorwaarde voor relatie

14 mrt 2016 · door Wim van Werkhoven >
Senior-onderzoeker NIVOZ-forum

‘Hoe kweek je mensen die met elkaar te maken willen hebben?’

Een leerling die steeds kritiek krijgt, krijgt niet alleen een hekel aan de kritiekgever, de docent, maar ook aan het vak, de klas, de school en uiteindelijk aan zichzelf, stelt Jos Kessels in zijn zeer lezenswaardige boek Het Poëtische Argument. ‘Om het omgekeerde proces in gang te zetten,  moet een leerling gesteund worden en bevestigd ondanks de fouten die hij maakt. Alleen zo kweek je mensen die iets met elkaar te maken willen hebben.’ Die bevestiging en ondersteuning worden volgens auteur, filosoof en Socrates-kenner Kessels, gediend door de dialoog. Dit is een boekbespreking van Wim van Werkhoven. 


Alle voorvallen en situaties in scholen, bedrijven en andere organisaties in zijn boek Het poëtisch argument scharnieren rond de socratische dialoog. In het geval van de school, de dialoog als een reflectief of onderzoekend gesprek naar de intenties van de leraar en de leerling; naar hun overwegingen, hun twijfels, hun beslissingen, hun waarderingen. In een echte dialoog beschouwt de leraar de leerling als een weldenkend en welvoelend mens die verbaal en non-verbaal communiceert. De leraar, op zijn beurt, wordt door de leerling beschouwd als ondersteuner, begeleider, bron van troost en bron van informatie bij het leren.

Volgens Kessels is het vermogen tot dialoog in onze samenleving onderontwikkeld. De samenleving blijkt nauwelijks te kunnen voldoen aan de voorwaarden die nodig zijn om een dialoog aan te gaan:

Om een dialoog tot stand te brengen moet je zelf luisteren en vragen stellen. Je moet je woede en verontwaardiging kunnen inhouden, je oordeel opschorten, ruimte maken voor opvattingen die je verwerpt, je zelfs ontspannen om ze te begrijpen (…). Een dialoog vergt tijd en rust, ruimte om na te denken en te zoeken naar zoiets verborgens als het poëtisch argument. (p. 214)

De dialoog is het opbouwen van een relatie, waaraan beide gesprekspartners zin ontlenen. Dit houdt een zekere kwetsbaarheid in: om een betekenisvolle context voor alle betrokkenen te genereren, moeten de deelnemers werkelijk in het gesprek betrokken zijn. Een nastrevenswaardige gedachte, ook in het onderwijs: leraren en leerlingen als werkelijke gesprekspartners. Voor wie uitgedaagd wil worden na te denken over de vraag waar het in het persoonlijk leven in het algemeen en in het onderwijs in het bijzonder om gaat, is het boek van Kessels de moeite waard.

Het poëtisch argument

Het boek bestaat uit vijf delen. In het eerste deel brengt de auteur de begrippen uit de titel met elkaar in verband. Kessels, naast filosoof ook voorman van Het Nieuwe Trivium, een filosofisch scholingsinstituut voor organisaties, doet dit aan de hand van verwijzingen naar literatuur en praktijkvoorbeelden van concrete situaties in organisaties, dagelijkse gesprekken en voorkomende handelingsverlegenheid. Het poëtisch argument wordt uitgelegd als een complex van samenhangende rationele en gevoelsmatige redenen; als het bijeenbrengen van beeldende, verbeeldende, dichterlijke, esthetische, creërende wensen, fantasieën en dromen. Wat zou het voor de inzet en resultaten van een organisatie als een school betekenen als de staf onderling en met de leerlingen zou werken vanuit vragen als:

Wie ben je? Wat denk en voel je? Wat doe je? Wat wil je? Wat zou je anders willen doen? En: waarom doe je dat dan niet?

Socrates daagde zijn gesprekspartners uit om zichzelf dergelijke vragen te stellen en er steeds scherpere antwoorden op te formuleren. Hij wilde op deze manier de ander de gelegenheid geven na te denken over het waarom van zijn strevingen naar het goede leven. Ieder mens denkt altijd dat wat hij doet, goed is: ‘dat al je handelen voortkomt uit de overtuiging dat in déze situatie dit doen het beste voor je is (p.12).’ Feitelijk is dat in veel gevallen onjuist.

Denken en doen, theorie en praktijk, sluiten dikwijls niet op elkaar aan. Hoe komt dat, wat is verborgen, wat is over het hoofd gezien? Wat is de rol van gevoelens van wraak, verdriet, angst, schaamte, schuld en (leed)vermaak? Wanneer er in een gesprek de ruimte bestaat om dergelijke zaken aan de orde te stellen en de gesprekspartners zijn werkelijk geïnteresseerd in de dialoog en elkaar, dan is er een diep gevoel van gemeenschapszin. En de mogelijkheid verder te komen.

De dialoog aangaan, ook met jezelf

In het tweede deel presenteert Kessels twee beschrijvingen van socratische gesprekken, één met organisatieadviseurs en één met locatiedirecteuren van een bank. In beide gesprekken gaat het om een concreet thema dat een deelnemer inbrengt. Kessels beschrijft hoe het probleem bij de deelnemers door vragen en antwoorden allerlei verschillende betekenissen en interpretaties oproept. Duidelijk wordt hoe moeilijk een socratisch gesprek is voor alle deelnemers. Het is immers zaak dat de gesprekspartners met inachtneming van alle gedachten en gevoelens een verbeeldende ruimte creëren. Maar die situatie komt niet altijd tot stand en dan valt het gesprek ‘dood’. Wat dan resteert is weinig meer dan een inhoudsloos praatje. Lukt het wel, dan zijn de gesprekspartners op dat moment waarlijk filosoof en kunstenaar. Er ontstaat een andere optiek, een andere taal, een nieuw veld van mogelijkheden.

Daarna, in deel drie, gaat de auteur een socratische dialoog met zichzelf aan. Hij stelt zich de vraag: ‘En jij, wat gaat jou aan het hart? Wil je dat in je boek openbaren?’ Dat roept onmiddellijk vragen op zoals: ‘Hoe ver wil je daarin gaan? Wat heeft dat voor zin, voor jou en/of voor de lezer? Kan je erop vertrouwen, dat voor jou gevoelige zaken met piëteit worden behandeld?’ De gevoelige zaken zijn punten waar je zelf bent geraakt of te raken bent. Kessels spreekt van raakpunten. Hij geeft eigen ervaringen van gesprekken weer en confronteert zichzelf en de lezer met zijn geraakt-zijn – met voldoening, met schaamte, met verbazing, met verwondering, met opluchting, met begrip.

In het vierde deel wordt het poëtisch argument in de betekenis van ‘diep geraakt worden’ nader beschouwd. Kessels doet dat door in verschillende contexten zoals muziek, literatuur, wetenschap en bedrijfsleven te beschrijven waar het individu op spiritueel niveau in het hart wordt getroffen, dat serieus neemt en als bron gebruikt voor denken, reflecteren en handelen. De mens wordt verbeeld, geïdealiseerd, in zijn harmonie van denken, voelen en willen. Het is de beheersing voorbij, dat wil zeggen zeer verschillende kennis en vaardigheden zijn niet in staat de sprong te maken tot een intense, harmonieuze betrokkenheid. Het is dat gevoel, dat het argument geeft van gemotiveerd denken en doen.

In deel vijf, tenslotte, bespreekt Kessels poëtische argumenten, zoals die door verschillende mensen naar voren kunnen komen in de dialoog. Kessels stelt zich voor, dat een burgemeester in zijn nieuwjaarsrede een appèl doet op zijn bestuurders en ambtenaren, dat het maar eens uit moet zijn met het gedoogbeleid van de laatste jaren en dat waarden en normen, het handhaven van regels, prioriteit moet krijgen. De casus betreft vervolgens een gemeentelijke verordening om een smartshop in een reguliere winkelstraat te sluiten. Het bezwaar van de eigenaar daartegen wordt maanden later door de rechter gehonoreerd. Kessels laat in de casus vier stijlen van publiekmanagement reageren op het dilemma waar de gemeente nu voor staat en welke argumenten kenmerkend zijn voor de vier stijlen.

Voor degenen die met mensen werken in organisaties roept Jos Kessels’ boek veel herkenning op. Het geeft treffende inzichten waarom het zo vaak in organisaties niet goed gaat tussen mensen. Maar bovenal geeft het aan hoe en waarom het wel goed kan gaan. Op scholen bijvoorbeeld: wanneer ervaren onderwijsbetrokkenen een school binnenkomen, dan kunnen zij vrij snel vaststellen dat de leerlingen en de leraren het goed maken. Ze zien en voelen harmonie, tot stand gekomen door dialoog en met respect voor poëtische argumenten van leerling en leraar.

Een anekdote uit de onderwijspraktijk

De directeur was vlak voor de zomervakantie benoemd. Op een bespreking met het personeel werd hij gewaarschuwd voor Ton, die bij hem in groep 8 zou komen. Sinds de kleutertijd was hij nogal onhandelbaar en het leek met het toenemen van de leeftijd steeds erger te worden. De directeur bedankte voor de waarschuwing en zou waakzaam zijn. Een week voor het begin van het nieuwe schooljaar oriënteerde de directeur zich op zijn werkzaamheden en de inrichting van de school. Het is stil in school en vanwege de warmte heeft hij de buitendeur open gezet. Plotseling hoort hij een fiets slippend remmen en de fiets op de grond vallen. Met grote stappen komt een jongen binnen en schreeuwt het bijna uit: “Ben jij de nieuwe hoofdmeester?” Die beaamt het, stelt zich voor en vraagt naar zijn naam. Wat hij vermoedt, klopt: Ton. De directeur vraagt of Ton hem misschien kan helpen het schoolgebouw te leren kennen. “Natuurlijk, mees’’. Ton laat de school tot in detail zien. Als meester nog meer hulp wil, dan wil hij morgen ook wel komen. Die week helpt Ton met allerlei karweitjes. De eerste schoolweek is Ton de telefoonwacht. Ton is dat schooljaar helemaal niet onhandelbaar. Als de directeur ziek is, belt Ton hem op: ‘’Mees, hoe gaat het? Kom je snel weer terug?”

Op een reünie 15 jaar later bedankt Ton, vrachtwagenchauffeur en vader van twee kinderen, de directeur voor de omslag die hij destijds heeft gecreëerd: van generalisatie van aversie naar generalisatie van affectie.

Wij bekijken iedere reactie. U hoort binnen drie dagen of we het bericht plaatsen.

annuleer