De economie van het zittenblijven

21 jan 2015 · door Frank Kalshoven >
publicist, spreker, mededirecteur De Argumentenfabriek

Er is veel aandacht voor het recente rapport van het Centraal Planbureau over zittenblijven. Dit thema is vaker in het nieuws geweest. Onderstaande column van Frank Kalshoven verscheen al in 2006 in Vrij Nederland, maar zou ook in 2015 geschreven kunnen zijn. Het geeft een overtuigende financiële onderbouwing van een praktische maatregel die onmiddellijk ingezet zou kunnen worden. Het laat zien dat het niet leerlinggerichte initiatieven soms dichterbij liggen, dan we denken. Om die reden willen we dit artikel hier opnieuw onder de aandacht brengen.

Eén op de twintig leerlingen in het voortgezet onderwijs, 5 procent, liep in 2004 ‘vertraging’ op, maakte het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) onlangs bekend. De leerlingen bleven zitten of moesten verkassen naar een lager schooltype.

Tussen de verschillende soorten middelbaar onderwijs bestaan grote verschillen. In de laatste jaren van het vmbo (jaar drie en vier) gaat het om dik 4 procent; in de bovenbouw van het vwo (jaar 3 tot en met 6) om 6 procent, en op het havo (vanaf jaar 3) zelfs om 10 procent van de leerlingen. Het gemiddelde percentage zittenblijvers wordt omlaag getrokken tot 5 procent door de eerste jaren van alle schooltypen, waar slechts 3 procent ‘vertraging oploopt’.
Dat blijven zitten is een dure grap, die bovendien in veel gevallen helemaal niet nodig is.

Dure grap. Een leerling in het voortgezet onderwijs, herinnert u zich wellicht uit een serie op deze plek een paar maanden geleden, kost door de bank genomen 6500 euro per jaar. Blijft in een volle 4-havoklas van dertig leerlingen (dat rekent makkelijk) 10 procent zitten, dan praten we over drie leerlingen, en dus over een kleine twintig mille per klas per jaar. Voor een grote regionale club scholen – zo is het voortgezet onderwijs georganiseerd, dezer dagen – lopen de kosten voor zittenblijven in de miljoenen per jaar. Voor het totale voortgezet onderwijs: tientallen miljoenen.
Is dat een verstandige manier om schaars publiek geld uit te geven? Kan het handiger?

Blijven zitten is van alle tijden, maar als je er even over gaat nadenken, is het eigenlijk een raar fenomeen. Dat een leerling met een klassiek walsrapport (een, twee, drie) een jaar helemaal over moet doen: begrijpelijk. Maar veel (de meeste?) zittenblijvers halen de overgangsnorm ‘net niet’. Ze staan voor de meeste vakken voldoende, maar voor een paar vakken niet. Consequentie: doe alle vakken gedurende een heel jaar nog maar een keer over.

Moet ik bij u op het werk eens proberen. Dat u, kan een keer gebeuren, een beroerd jaar achter de rug heeft, waarin drie van de tien taken onder de maat zijn uitgevoerd. Dat ik dan zeg: da’s nou jammer, doe alle tien de taken nog maar een keer! Ik vermoed dat u mij onredelijk zou vinden. U zou, schat ik zo, tegen mij zeggen dat het overdoen van de drie slecht uitgevoerde taken mooi genoeg was. Ik zou u gelijk moeten geven.

Scholen zouden net zo redelijk kunnen zijn als u en ik. Als het al onmogelijk is risicoleerlingen gedurende het schooljaar bij hun kladden te grijpen, kan dat makkelijk na afloop van het schooljaar, voorafgaand aan het nieuwe. De tussenliggende periode beslaat namelijk minimaal acht weken, in de praktijk vaak nog meer.

Er is tijd (acht tot tien weken), er is geld (twin-tigduizend euro per havoklas), er is een maat-schappelijk belang (het vermijden van het ‘verliezen van een jaar’): een verstandige school organiseert een ‘zomerschool’ waar leerlingen hun onvoldoendes moeten bijspijkeren.

Hier zijn nog wel een paar dingen bij op te merken. Ten eerste: het zou goed kunnen dat een individuele school te klein is om dat op efficiënte wijze te regelen. Het ligt dan voor de hand dat scholen binnen een regio dat samen doen. Het is eigenlijk heel raar dat grote regionale schoolbesturen zoiets niet allang geregeld hebben: hebben ze een keer een echt schaalvoordeel, gebruiken ze het niet.

Ten tweede: leerkrachten? Die zijn ook vrij, dus er zijn er genoeg, de vraag is of er voldoende docenten willen meewerken. Het antwoord is ja, maar ze moeten natuurlijk wel (extra) betaald worden. Menig docent zal het beschouwen als een buitenkans om extra te verdienen, als tenminste de periodieke klaagzangen over lage docentensalarissen serieus zijn.

Ten derde: de dynamiek. Het vooruitzicht dat een rapport met te veel onvoldoendes zal resulteren in verplicht bezoek aan de zomerschool, heeft natuurlijk gevolgen voor het gedrag van leerlingen gedurende het schooljaar. Verwacht mag worden dat van het instellen van de zomerschool een dempend effect uitgaat op het aantal ‘zittenblijvers’. Dat is pure winst.

Ten vierde: wat te doen met leerlingen die, ondanks de zomerschool, toch een slecht rapport houden? In het ergste geval moeten zij alsnog een heel jaar overdoen, maar als leerling en leraar er brood in zien kan zo’n leerling natuurlijk ook gedurende het nieuwe schooljaar verder bijgespijkerd worden.

Vermijd door deze aanpak nu eens tweederde van het zittenblijven; twee op de drie havoleerlingen gaan alsnog over. De besparing is dan dertienduizend euro (plus twee schooljaren voor de betrokken leerlingen). Dat betekent dat de zomerschool voor drie leerlingen maximaal dertienduizend euro mag kosten, want dan is het project nog net rendabel. Dat lijkt me geen lastige klus.

Dit artikel verscheen eerder in Vrij Nederland, 13 mei 2006. Het is hier ongewijzigd overgenomen.

Wij bekijken iedere reactie. U hoort binnen drie dagen of we het bericht plaatsen.

annuleer