Beweging goed voor leerprestaties–of waardevol van zichzelf?

04 nov 2014 · door Hartger Wassink >
Forum-redacteur
Max is 10 en zit in groep 7. Hij houdt van lekker rennen en komt iedere dag eerder op school om alvast te voetballen met z’n vriendjes voor de les begint. Rekenen zowel als taal gaat hem goed af, hoewel hij geen fan is van staartdelingen maken. Kortom, een gewoon speels jongetje die gewoon goed meekomt op school. Het enige waar hij niet zo goed in is, is stilzitten. Hij staat graag naast z’n stoel, en nog liever maakt hij even een loopje door de klas. Dat is onhandig, omdat hij daarmee andere kinderen weer afleidt van hun werk.
 
Max hierop aanspreken helpt niet zoveel. Hij doet het natuurlijk niet expres, er zit gewoon veel energie in hem. Hij probeert het wel, maar voor hij het zelf doorheeft, staat hij alweer naast z’n stoel. Zijn juf merkt dat het niet werkt om Max telkens te corrigeren. Het zorgt voor een negatieve sfeer en dat geeft nog meer onrust in de klas. Ze gaat met Max praten en komt tot de volgende afspraak: hij mag voortaan staand naast zijn stoeltje zijn sommen maken, als hij dat prettiger vindt. En als hij een taak afheeft, mag hij even naar buiten, een paar minuten rennen op het schoolplein, zodat hij daar zijn energie kwijtraakt en de andere kinderen gewoon door kunnen werken.
Het is een elegante oplossing, die werkt voor Max en zijn juf. Het is niet dé oplossing voor kinderen die niet stil kunnen zitten in de klas. Er zijn nog allerlei andere mogelijkheden. Het hangt af van de context, van de leerling, van de leerkracht en de afspraken met andere kinderen in de klas. Die context wisselt bovendien. Over een jaar, als Max wat ouder is, hoeft het misschien niet meer. En als hij een jaar jonger was geweest, had hij het misschien lastiger gevonden om de verantwoordelijkheid te dragen om echt maar een paar minuten te rennen op het plein, en uit zichzelf weer terug te komen in de klas.

Bewegen en leerprestaties

Waarom nu deze casus? Vandaag komt het Nationaal Regieorgaan Onderwijsonderzoek (NRO) met een zogeheten ‘call for proposals’ voor onderzoek naar bewegen en leerprestaties. Er wordt maar liefst 425.000 euro uitgetrokken om te onderzoeken of er een causale relatie is tussen bewegen op school en leerprestaties. Want, zo wordt gesteld, ‘er zijn aanwijzingen, maar nog geen harde bewijzen, dat bewegen invloed heeft op cognitieve onderwijsprestaties, zoals op het terrein van taal en rekenen, verzuim en schooluitval.’
Dit is volgens mij precies waarom er zo’n kloof is tussen onderwijsonderzoek en onderwijspraktijk. Iedere leraar, ja iedere ouder die wel eens langer dan een uur met een paar kinderen in een auto gezeten heeft, kan je vertellen dat gebrek aan beweging een negatieve invloed heeft op allerlei terreinen.
En andersom, dat het geweldig helpt als kinderen regelmatig, door de hele dag heen, even lekker bewegen. Of dat nu in de gymles is, op het schoolplein, of gewoon buiten op straat. Er zullen weinig leraren op zoek zijn naar hard bewijs voor de relatie tussen bewegen en ‘cognitieve onderwijsprestaties’. Die relatie zien ze dagelijks.

Welke vragen stellen we?

Wel zijn er denk ik veel leraren zoals de juf van Max, die te maken hebben met meer dan 30 kinderen in een krappe ruimte en zich afvragen hoe je daar met ‘bewegen’ kunt omgaan. En er zijn lerarenteams die graag meer aan beweging buiten de gewone lessen zouden willen doen, maar graag goede voorbeelden zouden willen hebben van andere scholen, om te kijken hoe zij dit regelen. Het is een thema dat in de beroemde documentaire The Classroom Experiment naar voren komt. En nog vorige week was ik op een basisschool in Nijmegen, waar een sportkeuzeprogramma werd aangeboden na schooltijd.
Je kunt het probleem ook sociologisch bekijken. Er zijn ouders en opvoeders, die zich zorgen maken over het gebrek aan beweging dat kinderen buiten schooltijd krijgen. Er is onderzoek, dat aantoont dat het zogeheten ‘vrij spelen’ enorm belangrijk is voor de ontwikkeling van kinderen. En juist vrij spelen mogen en kunnen kinderen steeds minder. Deels doordat in steden en dorpen er steeds minder plek voor is, en deels omdat ouders hun kinderen pas op steeds latere leeftijd alleen naar buiten durven laten gaan.
Je kunt het op nog een ander niveau bekijken: waarom vinden we het belangrijk dat er ‘hard bewijs’ is voor de relatie tussen bewegen en cognitieve leerprestaties? Waarom is lekker bewegen niet iets dat prettig is in zichzelf? Vele Nederlanders doen aan hardlopen of wielrennen. Dat is niet alleen omdat hun ‘cognitieve prestaties’ daardoor omhoog zouden schieten. Is het ook omdat het gewoon lekker is, buiten zijn, bewegen, samen met anderen. Genieten van beweging, en je daarin ontwikkelen, kan iets zijn, dat van zichzelf van belang is om te leren ervaren, naast de cognitieve ontwikkeling die kinderen doormaken. Hoe denken we nu in het algemeen over die balans?

Op zoek naar balans

Kortom, je kunt onderzoek doen op verschillende ‘kennislagen’:
  • De laag van de abstracte, objectiveerbare kennis, waar je op grond van grootschalige dataverzameling algemene uitspraken doet over de samenhang tussen bepaalde verschijnselen. Dit vraagt om grootschalige onderzoeksopzetten, waarin zo goed mogelijk locale vertekening van resultaten uitgefilterd wordt.
    Dan denk je aan gestandaardiseerde vragenlijsten en observaties, gekoppeld aan databestanden met achtergrondgegevens van leerlingen en hun resultaten op standaardtoetsen.
  • De laag van contextueel bepaalde, meer subjectieve kennis. Hier kun je bekijken wat de waarde van algemene principes in specifieke situaties is. Als in het algemeen meer beweging goed lijkt te zijn voor de motivatie en concentratie van kinderen, hoe kunnen leraren in hun eigen school daar dan mee werken? Dit vraagt om kleinschaliger onderzoeksopzetten, waarin juist de eigenaardigheden van specifieke contexten en doelgroepen naar voren komt.
    Dan denk je aan case-study’s, actieonderzoek met lerarenteams, vrije interviews en ‘rijke’ observaties, om juist op zoek te gaan naar de details waarin situaties verschillen.
  • De laag van de waardegeladen, morele kennis. Wat is ‘goed’ als het om beweging gaat? Wat verstaan we onder spel en beweging in onze huidige maatschappij? Hoe belangrijk is het voor individuele leraren? Zijn zij zelf sportief en beweeglijk, of hebben ze juist een hekel aan sport? Hoe werkt dat door in hoe ze omgaan met hun leerlingen?
    Dit vraagt om fenomenologisch onderzoek, waarin specifieke casussen worden uitgediept, aan de hand van individuele perspectieven van de betrokkenen. Hier kunnen inzichten uit de filosofie en wijsgerige pedagogiek worden gebruikt om kritisch te beschouwen wat onze verhouding tot beweging in het algemeen is.
Het is mijn zorg, dat onderzoek zoals dat nu door de NRO wordt ingezet, zich alleen op die eerste laag bevindt. En dat de vragen die veel leraren hebben, zich vooral op de tweede laag bevinden. En dat, willen we als samenleving er een stap verder mee komen, we het onderzoek op de derde laag niet buiten beschouwing kunnen laten.
Hoe kunnen we die balans weer herstellen? Bij NIVOZ hebben we daar geen pasklaar antwoord op. Wel willen we dit soort vragen blijven stellen, omdat we denken dat het onderwijsonderzoek er beter door kan aansluiten op wat er in de schoolpraktijk gebeurt.
Tot slot wil ik nog een paar bronnen geven.
  • In de klas van Ellen Emonds, leraar van het jaar 2012, hangt een schommel.
  • Een pleidooi van Peter Gray voor het vrije spel, om de creativiteit van kinderen te bevorderen.
  • In Finland hebben kinderen na iedere les 15 minuten pauze om te spelen.
  • Het idee van de verschillende kennislagen wordt door Coyan Tromp uitgewerkt in vijf pijlers in haar proefschrift ‘Breedbeeld wetenschap’ uit 2004. Hier een artikel naar aanleiding van dit proefschrift.
Reacties
  1. Hans Koppies

    Hallo Hartger,
    ‘Bewegingsruimte is ontwikkelingsruimte’, ‘Bewegingservaring is levenservaring’, ‘Grijpen gaat vooraf aan begrijpen’. De motorische ontwikkeling legt voor opgroeiende jonge kinderen de basis voor het denken. Voor alle duidelijkheid, tijdens mijn studie aan de ALO Amsterdam was het belang van bewegen voor kinderen en jongeren boven elke twijfel verheven. Ook geldig in mijn huidige vakgebied de orthopedagogiek.

    Er bestaat een rapport Relatie tussen voeding, bewegen, overgewicht en leerprestaties:een literatuuroverzicht (Hartstichting, 2012) :

    http://www.convenantgezondgewicht.nl/download/153/cgg_leerprestaties-2_def.pdf

    Voorgesteld onderzoek lijkt me inderdaad zonde geld. Aangezien Max als jongen geen uitzondering is, stel ik een vervangend onderzoek voor dat wel urgentie heeft: de relatie tussen de ontwikkelinsgbehoefte bewegen en de eisen aan kinderen in het klaslokaal.

    Meester Bart had dit begrepen, zie mijn blog: Elk kind een etiket?

    http://hkoppies.wordpress.com/2013/11/20/elk-kind-een-etiket/

    hartelijke groet,
    Hans Koppies

  2. Annemarijke Jolmers

    hoi Hartger,
    goed dat je ons scherpt houdt. Voordat de indruk ontstaat dat dit onderzoek via NRO bij nul zal beginnen: in september is een expertbijeenkomst gehouden en er is een review uitgevoerd, op basis waarvan de ‘call for proposals’ is ontwikkeld.
    Het NRO financiert verschillende typen onderwijsonderzoek, waarvan de belangrijkste indeling is: praktijkgericht, beleidsgericht, fundamenteel-wetenschappelijk, en een combinatie daarvan. Met het beleidsgericht onderwijsonderzoek willen we zorgen voor een goede basis voor beslissingen die consequenties hebben voor de praktijk, en daarvoor is deze specifieke call bedoeld.
    Ik denk dat we -in elk geval voor een deel- in de toekomst nog meer tegemoet zullen komen aan jouw pleidooi voor onderzoek op meerdere ‘kennislagen’. Laten we het gesprek daarover gaande houden – onder andere op 10 november bij het NRO.

    groet Annemarijke

  3. Jozef Kok

    Doet me denken aan de discussie n.a.v. een artikel waar Jelle Jolles op wees over de relatie tussen muziek en het verwerven van taalvaardigheden (zie:http://www.sciencedaily.com/releases/2014/11/141105101238.htm ) En dan blijven er mensen die zeggen dat de relatie tussen muziek of bewegen en cognitieve ontwikkeling (‘transfer’) niet bewezen is. Maar feitelijk is niet bewezen dat die er niet is. Dus zolang er practice based evidence is dat die er wel is, is de opdracht aan de de onderzoekers die alleen geloven in de golden standard, de big data en het experimentele design te bewijzen dat er geen relatie is tussen bewegen en leerprestaties, inclusief een verklarend theoretisch model daarvoor. Maar of dat door de NRO-peer-review heen komt…

  4. Gert Biesta

    Belangrijk om bij dit soort onderzoek vragen te stellen. Wat nog ontbreekt in het commentaar is dat onderwijs nooit op een dimensie ‘werkt’ maar altijd in een aantal domeinen mogelijke invloed heeft (bijvoorbeeld mijn onderscheid kwalificatie, socialisatie, subjectivering). Dat betekent dat onderzoek dat alleen de vraag stelt naar mogelijke invloed op een van de dimensies onderwijspedagogisch gezien bijzonder weinig zegt. De veel relevantere vraag is wat er in die drie dimensies gebeurt, en ook hoe wat we als positief in de ene dimensie zouden zien wellicht negatief uitpakt voor de andere dimensie(s). Dit is, anders gezegd, de vraag naar de ‘prijs’ die we wensen te betalen om bepaalde resultaten te genereren. En als het ons er echt alleen om gaat om prestaties te verhogen, zou ik altijd beginnen met kinderen geld te geven voor hun prestaties.

Wij bekijken iedere reactie. U hoort binnen drie dagen of we het bericht plaatsen.

annuleer